id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.787 Rolnummer: A. 103231/XIV-3210 Zaak: Arrest 142787 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 09:59 Fiche Arrest nr 142.787 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 142.787 van 5 april 2005 in de zaak A. 103.231/XIV-3.210 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ECYK, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 187 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 10 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 maart 2001; Gelet op de beschikking van 20 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 januari 2005; XIV-3.210-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat S. VAN EYCK, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België de eerste maal binnenkomt op 22 november 1997 en zich vluchteling verklaart op 13 januari 1998; dat op 3 maart 1998 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat de verzoekende partij België de tweede maal binnenkomt op 7 november 1999 en zich andermaal vluchteling verklaart op 8 november 1999; dat op 16 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 maart 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "Betrokkene werd verhoord op 30 augustus 2000 op de zetel van het commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Calewaert. Betrokkene, een Russisch staatsburger, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Rusland omwille van de activiteiten van haar man. Op 25 à 26 oktober 1999 zou betrokkene haar land' hebben verlaten, vergezeld van haar minderjarige dochter. Eind oktober zou ze in België zijn aangekomen waar ze op 8 november 1999 voor de tweede keer asiel heeft aangevraagd. Betrokkene diende een eerste asielaanvraag in op 13 januari 1998 onder de naam Pogrebnaia Alla (familienaam van haar toenmalige man) die werd afgesloten met een beslissing om het grondgebied te verlaten (bijlage 26 quater) op 3 maart 1998). Betrokkene heeft dan bij de Duitse autoriteiten een asielaanvraag ingediend, die werd afgesloten met een negatieve beslissing. Betrokkene is in het bezit van een geldig paspoort. Volgens de verklaringen die betrokkene voor het commissariaat-generaal aflegde, zou haar man sinds 1996 bij de politie gewerkt hebben. In de herfst van 1997 zou hij het aanbod gekregen hebben als patrouille-agent te gaan werken in de grensgebieden. Men zou betrokkenes man sindsdien voortdurend naar Tsjetsjenië hebben gestuurd, waar hij verder dienst deed als politieagent. Betrokkene zou hierover bij de politiechef gaan klagen zijn. Die zou van betrokkene echter een groot bedrag geëist hebben dat ze niet kon betalen. Ook betrokkenes man zelf zou liever niet meer naar Tsjetsjenië gestuurd zijn maar zou gevreesd hebben dat ze hem toch zouden vinden als hij niet zou gaan. Hij zou betrokkene bovendien gezegd hebben geen klacht in te dienen omdat ze anders in problemen zouden komen met zijn collega's. In november 1997 zou betrokkene zijn opgebeld om te vragen waar haar man was. Betrokkene vermoedt dat men van op het werk van haar man wilde nagaan of haar man wel weg was en niet thuis. In de herfst van 1997 zouden enkele mannen bij betrokkene via het raam zijn binnengekomen. Ze zouden aan betrokkene geld gevraagd hebben en haar met een mes bedreigd hebben. XIV-3.210-2/8 Sindsdien zou betrokkene steeds het gevoel gehad hebben dat ze in 't oog werd gehouden. Betrokkene zou dan naar het ‘Witte Huis’ (gemeentehuis) zijn geweest om bescherming te zoeken. Daar zou men haar gezegd hebben dat ze haar leven riskeerde door klacht in te dienen. Ook de collega's van betrokkenes min zouden haar niet kunnen helpen hebben. De chef van de politie zou gezegd hebben dat betrokkenes man was overgelopen naar de Tsjetsjenen. Dit zou volgens betrokkene echter niet waar zijn. In 1997 zou betrokkene dan een eerste keer naar België zijn gekomen. Haar asielaanvraag moest echter in Duitsland behandeld worden. Daar zou betrokkene mondeling een negatief antwoord gekregen hebben en weer naar Rusland vertrokken zijn omdat haar dochter ziek zou geweest zijn. Na haar terugkeer in Rusland zou betrokkene bij de politie zijn gaan vragen waar haar man zich bevond. Daar zou men haar gezegd hebben dat hij weer in Tsjetsjenië was. Ze zouden bij de politie 1.000 $ gevraagd hebben om iets meer over haar min te zeggen. Toen betrokkene hen zei dat ze klacht zou indienen, zouden ze gezegd hebben dat ze toch niets zou bereiken. Op haar werk zou betrokkene bezoek hebben gekregen van iemand die zich voorstelde als een collega van haar man. Later zou gebleken zijn dat dit de zoon van de politiechef was. Betrokkene zou haar man de laatste keer gezien hebben in november
- Ze zou niet weten waar hij sindsdien is. Betrokkene meent ook niet te weten met wie haar man problemen zou gehad hebben. In september 1999 zou betrokkene weer dreigtelefoontjes gehad hebben en op 15 of 18 oktober 1999 zou een man in haar huis zijn binnengedrongen en haar geslagen hebben. Die man zou gezegd hebben dat betrokkene de verantwoordelijkheid moest dragen voor de daden van haar man. Na dit incident zou betrokkene besloten hebben te vluchten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat er belangrijke tegenstrijdigheden zijn tussen de diverse verklaringen (Verslag asielaanvraag Duitsland, DVZ, CGVS, verzoekschrift dringend beroep) van betrokkene die toelaten de oprechtheid van haar beweringen in twijfel te trekken. Zo verklaarde betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken dat ze na haar eerste asielaanvraag in Duitsland werd teruggestuurd naar Rusland. Voor het commissariaat-generaal (p. 1) verklaarde ze echter dat ze terug naar Rusland moest omwille van de slechte gezondheidstoestand van haar dochter, vooraleer ze een beslissing van de Duitse autoriteiten in handen had gekregen. Vervolgens verklaarde betrokkene voor de Duitse asielinstantie dat ze pas sinds november 1997 gescheiden leefde van haar man (p. 55). Voor de dienst Vreemdelingenzaken (nr. 10) verklaarde betrokkene echter dat ze reeds sinds oktober 1994 gescheiden leefden. Verder verklaart betrokkene in Duitsland (p. 56).dat haar in juli 1997 begon te werken en nadien enkele maanden verdween zonder dat zij wist waarheen. Voor het commissariaat-generaal verklaart ze echter dat haar man pas sinds de herfst van 1997 begon te werken op die post en dat hij regelmatig naar Tsjetsjenië werd gestuurd (p. 2). Uit de verklaringen van betrokkene voor het commissariaat-generaal blijkt dus dat ze wel op de hoogte was van de plaats waar haar man zich bevond. Verder in het beroepschrift wordt vermeld dat betrokkenes man soldaat was in het Russische leger. Voor het commissariaat-generaal (p. 2) verklaarde betrokkene echter dat haar min in Tsjetsjenië werkte als patrouilleagent en niet als militair. Bij haar asielaanvraag in Duitsland verklaarde betrokkene dan weer dat haar man in Tsjetsjenië als bouwvakker werkte. Dit is helemaal in tegenspraak met de verklaring van betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken dat haar min zich in Tsjetsjenië bezighield met wapentransporten. Vervolgens vermeldt het beroepschrift dat betrokkenes man was overgelopen naar de Tsjetsjenen, iets wat betrokkene ontkent voor het commissariaat-generaal (p. 4). Verder verklaart betrokkene in Duitsland (p. 56) dat in oktober 1997 twee mannen haar man hebben meegenomen en dat ze zeiden dat ze hem zouden vermoorden. Hiervan verklaart betrokkene echter niet in België. Het is totaal ongeloofwaardig dat betrokkene dit feit zou vergeten te melden zijn, gezien de ernst ervan. Op het commissariaat-generaal verklaart betrokkene bovendien verschillende telefoontjes gehad te hebben in verband met haar man en ook zelf eens persoonlijk thuis te~ zijn bedreigd met een mes in de herfst van
- Hiervan heeft betrokkene echter niets verteld op het interview in Duitsland wat hoogst merkwaardig is. Verder verklaarde betrokkene op de dienst Vreemdelingenzaken dat de man die haar op 18 oktober 1999 aanviel haar geen uitleg gaf. Voor het commissariaat-generaal (p. 6) verklaarde ze echter dat die min zei dat zij verantwoordelijkheid moest dragen voor de daden van haar min. Tenslotte verklaart betrokkene in Duitsland (p. 57) nooit problemen gehad te hebben met de Russische autoriteiten of politie. Voor het commissariaat-generaal (p. 2) verklaarde ze echter dat de politiechef haar omkocht in ruil voor informatie over haar man en dat de politie aan maffiapraktijken doet. Bovendien verklaart betrokkene eerst voor het commissariaat-generaal (p. 6) geen internationaal paspoort meer te hebben aangevraagd voor haar tweede vlucht naar België omdat er niet genoeg tijd was. Na geconfronteerd te zijn met de stempel in haar intern paspoort die aanwijst dat betrokkene wel degelijk een internationaal paspoort heeft, verklaart ze toch wel een internationaal paspoort te hebben gehad en een visum. Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen op fundamentele wijze aan. XIV-3.210-3/8 Verder is het hoogst onwaarschijnlijk dat betrokkene, als ze al zou vervolgd geweest zijn door de Russische autoriteiten, zoals ze in haar beroepsschrift vermeldt, op legale wijze haar land heeft kunnen verlaten met een internationaal paspoort en visum. Verder verklaart betrokkene voor het commissariaat-generaal (p. 4) dat ze bij haar eerste vlucht haar dochter niet heeft kunnen meenemen omdat ze toevallig is vertrokken en haar dochter net bij haar moeder was. Dit is moeilijk in overeenstemming te brengen met het feit dat betrokkene over een visum beschikte en haar reis dus eerder gepland had. Dit wordt bovendien bevestigd door het feit dat betrokkene verklaart dat ze met vier koppels per minibus naar België zijn gekomen en ‘gepland’ hadden samen te vertrekken (CGVS p. 4). Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. Het door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde document (intern paspoort) wijzigt hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In eik geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 16 juni
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van art. 63/3 § 1 Vreemdelingenwet dd 15 december
- Op 20 juni 2000 tekende verzoekster dus dringend veroep aan bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen welke vervolgens pas een eerste beslissing nam op 29 maart 2001, dwz veel meer dan 30 dagen na het dringend beroep. Zulks schendt ontegensprekelijk de termijn opgelegd in art. 63/3 § 1 Vreemdelingenwet temeer hiervoor geen enkele verantwoording wordt gebracht in de bestreden beslissing van 29 maart 2001.”; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoekster zich op de schending van artikel 63/3, par. 1 van de Vreemdelingenwet Verweerder wil aanstippend at de termijn die in het kader van de asielprocedure werd vooropgesteld voor de afhandeling van een asielaanvraag geen vervaltermijn is, maar een termijn van orde. Deze laatste termijnen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Verzoekster brengt evenmin aan welk belang zij heeft bij het opwerpen van de niet)naleving van deze termijn,, noch welke rechten daarbij zouden zijn geschonden. Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende stelt: “Art. 63/3 § 1 Vreemdelingenwet werd alleszins geschonden daar de voorziene termijn niet werd gerespecteerd. Uiteraard heeft betrokkene belang bij het inroepen van dit middel nu haar asiel laattijdig en onwettelijk werd afgewezen.”; XIV-3.210-4/8 2.1.
- Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; Overwegende dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2000 een weigering van verblijf inhoudt; dat, bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij aldus geen voordeel kan halen uit dit middel; dat het eerste middel, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Machtsoverschrijding: schending van art. 52 en 62 Vreemdelingenwet, art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake motivering van administratieve akten, van de Conventie van Genève inzake asiel en van art. 3 EVRM; andere ingeroepen onontvankelijkheidsgrond dan deze door de minister of zijn gemachtigde gehanteerd. Op basis van tal van overwegingen neergeschreven op blz 2 en 3 van de bestreden beslissing komt de commissari-generaal tot de conclusie dat ‘de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is’, zijnde een andere onontvankelijkheidsgrond dan dewelke ingeroepen door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken in diens beslissing van 16 juni
- Nochtans is het de commissaris-generaal voor de vluchtelingen niet toegestaan om andere en dus niet door de minister of zijn gemachtigde ingeroepen onontvankelijkheidsgronden in te roepen (zie D. Vanheule, Vluchtelingen, Mys & Breesch, blz 76-77, nr 210) bij de beoordeling van het dringend beroep.”; 2.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een tweede middel houdt verzoekster voor dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd en strijdig is met artikel 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, met artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake motivering van administratieve akten, met de Conventie van Genève en met artikel 3 E.V.R.M.. Wat betreft de materiële motivering antwoordt verweerder hetgeen volgt. Verweerder merkt op dat de bevestigende beslissing van weigering van verblijf welke in volstrekte autonomie genomen wordt door de commissaris-generaal in de plaats treedt van de beslissing van weigering van verblijf genomen door de minister van Binnenlandse Zaken. Geen enkele wetsbepaling verzet er zich tegen dat de commissaris-generaal besluit tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag op een andere grond dan de beslissing van de DVZ. De commissaris-generaal is immers overeenkomstig art. 52 van de Vreemdelingenwet gemachtigd een asielaanvraag onontvankelijkheidsgronden opgesomd in dit artikel. De bestreden beslissing is op correcte wijze gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoekster zelf aangevoerd tijdens haar verhoor op het commissariaat- XIV-3.210-5/8 generaal bevat de bevestigende beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende stelt: “Zoals toegelicht in het inleidend verzoekschrift is de commissaris-generaal niet gemachtigd in het kader van het administratief dringend beroep, andere onontvankelijkheidsgronden in te roepen dan deze door de dienst Vreemdelingenzaken gehanteerd (zie D. Vanheule, oc, 1 c). Er wordt overigens niet afdoende gemotiveerd waarom verzoekers aanvraag of verklaringen ‘bedrieglijk’ zouden zijn; ‘bedrog’ veronderstelt een opzettelijke leugen of verzwijgen hetgeen een bijzondere bewijslast met zich brengt. Zulks wordt nergens concreet toegelicht.”; 2.2.
- Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. zou blijken; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 betreft en daargelaten de vraag of de bepalingen van dit verdrag rechtstreekse werking hebben in de Belgische rechtsorde, de verzoekende partij niet aanduidt welk artikel van dit verdrag zou zijn geschonden; dat het niet aan de Raad toekomt na te gaan welke bepaling van genoemd verdrag de verzoekende partij geschonden acht; dat het middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd XIV-3.210-6/8 is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag bedrieglijk is; dat de commissaris-generaal kan besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag wanneer de verklaringen van de kandidaat-vluchteling tegenstrijdigheden vertonen omtrent essentiële punten van het vluchtmotief; dat de commissaris-generaal krachtens de devolutieve werking van het dringend beroep de asielaanvraag volledig onderzoekt en niet is gebonden door de beoordeling in eerste aanleg door de minister van Binnenlandse Zaken; dat het betoog van de verzoekende partij met betrekking tot de door de commissaris-generaal ingeroepen niet-ontvankelijkheidsgrond bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat zij de tegenstrijdigheden die de commissaris-generaal heeft vastgesteld, niet bespreekt, noch weerlegt; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : XIV-3.210-7/8 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-3.210-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.787 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div