id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.814 Rolnummer: A. 151045/XIV-19387 Zaak: Arrest 142814 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 10:00 Fiche Arrest nr 142.814 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.814 van 5 april 2005 in de zaak A. 151.045/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 23 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 maart 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 6 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.387-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het motive- ringsbeginsel, in het bijzonder van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, door de bestreden beslissing meer dan vijf maanden na het verhoor te nemen, impliciet heeft toegegeven dat zijn zaak niet kon beschouwd worden als zijnde kennelijk ongegrond omdat in zulk geval zijn beslissing veel sneller zou zijn genomen, en dat de gemachtigde bijzitter, door zijn beroep als kennelijk ongegrond te verwerpen, zijn bevoegdheden heeft overschre- den, dat de bestreden beslissing immers verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in Afghanistan, dat de opsteller met andere woorden een aantal opzoekingen heeft verricht, hoewel de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze documentatie in zijn beslissing niet vermeldde; 1.1.
- Overwegende dat krachtens artikel 57/12, vierde lid, van de Vreemde- lingenwet de gemachtigde bijzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroep, dat onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zelf als alleenrechtsprekend lid kan behandelen; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld, maar de erin ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing het beroep van verzoeker kennelijk ongegrond wordt verklaard omdat zijn verklaringen volstrekt ongeloofwaardig zijn en omdat in het door hem neergelegde medisch verslag geen gewag wordt gemaakt van psychische problemen die van aard zouden zijn dat zij hem verhinderen geloofwaardige verklaringen af te leggen; dat deze redengeving noch het feit dat de bestreden beslissing meer dan vijf maanden na het verhoor werd genomen doen blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat de gemachtigde bijzitter zijn appreciatiebevoegdheid dan ook niet te buiten is gegaan toen hij oordeelde dat de door verzoeker ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de statlozen konden leiden en derhalve dit beroep als kennelijk ongegrond afwees; dat indien in de beslissing XIV-19.387-2/5 melding wordt gemaakt van een voor iedereen toegankelijk ambtsbericht van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, dit niet is omdat twijfel was gerezen omtrent de gegrondheid van verzoekers beroep, doch wel om diens verklaringen in verband met zijn vijf jaar durende opsluiting onder de Taliban te weerleggen; 1.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 149 van de Grondwet, verzoeker aanvoert dat, eerste onderdeel, de loutere verwijzing naar de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende is en een niet toegelaten stijlformule is, dat, tweede onderdeel, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “ervoor gekozen (heeft) zich louter en eenvoudigweg bij de stelling van het C.G.V.S. te scharen, in zoverre dat dit (lees: deze) laatste de identiteit en vooral de nationaliteit van verzoeker in twijfel had getrokken”, dat zij niet in het minst verwijst naar het door hem neergelegde origineel exemplaar van zijn geboorteakte, terwijl zij minstens had moeten motiveren waarom dit origineel document niet volstond om zijn nationaliteit en identiteit te bewijzen, dat, derde onderdeel, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich beperkt tot het overnemen van de motieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zonder, punt per punt, te antwoorden op de door hem in zijn beroepschrift ontwikkelde argumenten, dat zij niet heeft geantwoord op zijn argument in verband met zijn vijf jaar durende opsluiting door de Taliban, en dat, vierde onderdeel, de redenering van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met betrekking tot het door hem neergelegde medisch verslag “intellectueel gezien niet correct” is en zij een onredelijke interpretatie heeft gegeven aan de inhoud van dit verslag; 1.2.2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; 1.2.2.
- Overwegende dat, zo door het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd, zulks dit rechtscollege geenszins belet de weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de hare te maken; dat dit immers niet betekent dat zij de zaak zelf niet opnieuw heeft onderzocht, doch enkel dat zij na onderzoek tot dezelfde bevindingen als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is gekomen; dat de bestreden beslissing overigens genoegzaam doet blijken waarom verzoeker niet als vluchteling wordt erkend, met name omdat hij “ter zitting om uitleg over de voormelde onwetendheden verzocht, bijzonder vaag blijft”, hij zijn ontsnapping niet kan toelichten, hij zijn gebrek aan kennis van de Afghaanse kalender verklaart door het feit dat hij alleen in contact kwam met analfabeten “daar waar hij nochtans heeft voorgehouden onderwijs te hebben genoten en een onderlegd persoon te zijn (...)”, hij volhoudt door de Taliban XIV-19.387-3/5 gedurende vijf jaar te zijn opgesloten, daar waar de Taliban slechts in 1996 zijn streek veroverden en hij, minder dan vier jaar later, in België asiel heeft gevraagd, en omdat hij in gebreke blijft het medisch verslag, dat geen gewag maakt van psychische problemen die hem zouden verhinderen geloofwaardige verklaringen af te leggen, te actualiseren; dat van een stijlclausule bijgevolg geen sprake is; 1.2.2.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker in de bestreden beslissing meent te lezen (met name dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet afdoende zou bewijzen), de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het motief van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat geen geloof wordt gehecht aan zijn voorgehouden identiteit en nationaliteit geenszins overneemt, doch integendeel expliciet overweegt dat dit motief “als onvoldoende bewezen moet worden geacht”, en dus niet -zoals verzoeker meent te lezen- dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet afdoende zou bewijzen; dat dit onderdeel van het middel gebaseerd is op een foutieve lezing van de bestreden beslissing en bijgevolg feitelijke grondslag mist; 1.2.2.
- Overwegende dat het niet volstaat op algemene wijze te beweren dat niet “punt per punt” op de argumentatie van het beroepschrift is geantwoord; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke argumentatie precies door de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen is genegeerd; dat in casu verzoeker enkel aangeeft dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet zou hebben geantwoord op de door hem in zijn beroepschrift gegeven verklaring met betrekking tot zijn vijf jaar durende opsluiting door de Taliban, zodat enkel dit argument in aanmerking kan worden genomen; dat in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, uit de bestreden beslissing blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit argument wel degelijk in aanmerking heeft genomen; dat waar zij overweegt “dat hij volhoudt door de Taliban gedurende vijf jaar te zijn opgesloten, daar waar de Taliban slechts in september 1996 zijn streek veroverden (Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen Ambtsbericht, Situatie in Afghanistan, 16 september 1999, p. 13) en hij, minder dan vier jaar later, op 26 juli 2000 in België asiel heeft gevraagd”, zij genoegzaam aangeeft dat het argument van verzoeker niet strookt met de algemeen bekende feiten zoals weergegeven in de door haar geraadpleegde en voor iedereen toegankelijke bronnen; 1.2.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins kennelijk onredelijk is waar zij oordeelt dat de door verzoeker ingeroepen “problemen van geestelijke aard” geen afdoende verklaring zijn voor zijn ongeloofwaardige verklaringen aangezien hij in gebreke blijft het medisch verslag, dat ruim tweeënhalf jaar vóór de bestreden beslissing werd opgesteld en dat geen melding maakt van blijvende psychische letsels, te actualiseren en omdat in dit verslag geen gewag wordt gemaakt van psychische problemen die van die aard zijn dat zij hem verhinderen geloofwaardige XIV-19.387-4/5 verklaringen af te leggen; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.387-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.