← België

Arrest 142819 - - 05/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.819 Rolnummer: A. 125777/XIV-11387 Zaak: Arrest 142819 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 10:01 Fiche Arrest nr 142.819 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.819 van 5 april 2005 in de zaak A. 125.777/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. MORRE, kantoor houdende te 2440 GEEL, Djepstraat 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oegandese nationaliteit, op 10 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 mei 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.387-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Fr. MORRE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Oegandese nationaliteit, is op 20 mei 2002 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 21 mei
  4. 1.
  5. Op 23 mei 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 12 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 mei 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Oegandese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren in Kampala. U groeide bij uw ouders op in het dorp Luzira, nabij Kampala. In 1992 sloot u een traditioneel huwelijk af met John Bukosi. Hij werkte als technicus voor een privé- bedrijf, dat –volgens uw vermoeden- in de transportsector actief was. Na uw huwelijk ging u met hem in Kampala wonen. Na 6 maanden werd uw echtgenoot door zijn werkgever overgeplaatst naar Kasese, waar u met hem ging wonen. Eind 1992 trad uw echtgenoot toe tot de “Allied Democratic Forces”, een partij die vrede en ontwikkeling in Oeganda wilde brengen. De partij opereerde ondergronds. Uw echtgenoot organiseerde bij jullie thuis bijeenkomsten van de ADF en bij deze gelegenheden trad u op als gastvrouw. U nam zelf niet deel aan de bijeenkomsten van de ADF. U en uw echtgenoot waren het niet eens met het feit dat binnen de ADF geweld werd getolereerd als middel om hun doelstellingen te bereiken, maar uw echtgenoot durfde de partij niet te verlaten uit angst voor represailles van medeleden. Op 30 mei 1995 kwamen soldaten naar u thuis en dreigden ermee u en uw echtgenoot in de gevangenis te zullen opsluiten, omdat jullie tegen de regering waren. Op 25 augustus 1998 kwamen –tijdens uw afwezigheid- opnieuw soldaten naar uw huis. Ze uitten bedreigingen aan het adres van de zus van uw echtgenoot en eisten dat hij uit de ADF zou treden. Op 10 februari 2002 kwamen 4 soldaten omstreeks 21 uur naar uw huis. Ze beukten de deur in en namen u en uw echtgenoot mee naar de militaire barakken van Kasese. Daar werden jullie in aparte cellen opgesloten. Oorspronkelijk werd u alleen opgesloten in een kleine cel. U XIV-11.387-2/6 werd gefolterd en ondervraagd over (uw banden met) de ADF. De volgende dag werd u overgebracht naar een andere cel, waarin reeds 5 andere vrouwen zaten opgesloten. Op 12 februari 2002 kwam een soldaat naar uw cel met de melding dat u bezoek had. Uw vriendin en buurvrouw, Esther Nabwire, bleek naar de militaire barakken te zijn gekomen. Zij vertelde u dat zij in de kranten en op de radio had gehoord dat uw echtgenoot was gedood. Ze beloofde u te zullen bevrijden uit de gevangenis. Op 13 februari 2002 kwam dezelfde soldaat als de dag voordien u uit de cel halen, omdat Esther op bezoek was. Ze had een bewaker van de poort van de militaire barakken meegebracht, die zich als vrouw had verkleed. De soldaat die u uit de cel had gehaald (en blijkbaar mee in het complot zat) zei dat u naar het toilet moest gaan. Daar trof u de in vrouw verklede bewaker aan, Hij gaf u zijnvrouwenkleren, met het verzoek die aan te trekken, zodat u zou lijken op de “vrouw” die met Esther naar de gevangenis was gekomen. U verliet met Esther de gevangenis en u trok in bij uw oom (langs moederszijde), Herbert Kiberu. Na 1 maand werd uw oom bang dat hij in problemen zou komen wanneer u in zijn huis zou worden ontdekt. Daarom ging u bij uw grootmoeder (langs moederszijde), Erinaw Naluyimba, in het dorp Gayaza inwonen. Op 18 mei 2002 kwam uw oom u daar opzoeken, met de melding dat hij “plannen” had met u en dat een Congolese vriend van hem, Pierre, hem hierbij zou helpen. Op 19 mei 2002 werd u door uw oom van Gayaza naar Entebbe gebracht, waar uw oom woonde. Daar ontmoette u Pierre, die van uw oom 3000 $ had gekregen om u verder te helpen. U zou met 3 hem meereizen als zijnde zijn echtgenote. Hij nam u op 20 mei 2002 mee aan boord van een vliegtuig met bestemming Brussel. Op 21 mei 2002 vroeg u asiel aan in België. Er dient te worden opgemerkt dat geen geloof kan worden gehecht aan uw bewering dat uw echtgenoot lid zou zijn geweest van de “Allied Democratic Forces”. Vooreerst zijn uw verklaringen over de naam van de partij niet eenduidig. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken (zie verhoor dd. 21 mei 2002 – pt; 42) verklaarde u dat uw echtgenoot lid was van de Allied Democratic Party (met overeenkomstige afkorting “ADP”); in uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep heeft u het over “Allied Democratic Forces (Party) ”en voor het Commissariaat-generaal (p. 3) zei u dat hij lid was van de “Allied Democratic Forces” (ADF). Tevens zijn een aantal van uw verklaringen over de ADF volkomen in strijd met de werkelijkheid. U stelde voor het Commissariaat-generaal (p. 3) dat de ADF naar uw vermoeden omstreeks 1989 werd opgericht en (p. 3) dat uw echtgenoot aan het eind van het jaar 1992 tot de ADF toetrad. Beide beweringen kunnen niet ernstig worden genomen, omdat de ADF in 1992 nog lang niet was opgericht (zie informatie in het administratief dossier). Verder verklaarde u dat de (nationale) leider Alex Mukulu is, terwijl uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat dit niet het geval is (zie informatie in het administratief dossier). Volgens uw beweringen voor het Commissariaat-generaal (p. 2) is uw echtgenoot christen en (p. 5) staat de ADF open voor alle religies. Nochtans blijkt uit diverse bronnen dat de ADF een uitgesproken moslim-groepering is en dat de ADF-strijders zichzelf zelfs zien als moslim-evangelisten (zie informatie in het administratief dossier). Verder zijn uw verklaringen over de ADF in het algemeen en over het engagement van uw echtgenoot binnen de ADF in het bijzonder opmerkelijk vaag. U kon – buiten het feit dat de ADF de huidige president weg willen, omdat hij geen inspraak duldt (p. 5) en dat zij “vrede” en “ontwikkeling” willen brengen in Oeganda (p. 3)- geen enkel ander(e) kenmerk of doelstelling van het ADF weergeven. Het symbool van de partij bleek u ook onbekend te zijn (p. 3). Wanneer de interviewer van het Commissariaat-generaal u vroeg (p. 3) of het partijsymbool niet voorkwam op de partijkaart van uw echtgenoot, hierbij verwijzend naar het verhoor van de Dienst Vreemdelingenzaken (pt. 42), waarin u verklaarde dat bij een huiszoeking door militairen de partijkaart van uw echtgenoot werd gevonden, replikeerde u (p. 3) vreemd genoeg nooit over een partijkaart te hebben gesproken tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken en beweerde u (p. 3) dat uw echtgenoot nooit een partijkaart heeft gehad (p. 3). Nochtans wordt in het verhoor van de Dienst Vreemdelingenzaken wel degelijk melding gemaakt van het feit dat militairen bij een huiszoeking de partijkaart van uw man en agenda’s van vergaderingen werden aangetroffen (pt. 42). Wanneer u werd gevraagd of de ADF over een leger beschikken, antwoordde u bevestigend, maar u was niet in staat om de naam van dit leger te preciseren (p. 5). Wanneer u werd gevraagd naar de functie van uw echtgenoot binnen de ADF, kon u daar geen antwoord op geven (p. 4), wat merkwaardig is in het licht van uw eerdere verklaring dat hij reeds sinds 1992 lid was. Vermits uw asielaanvraag XIV-11.387-3/6 volkomen gebaseerd is op het ADF-lidmaatschap van uw echtgenoot en de problemen die u en hij hierdoor zouden hebben ondervonden, kan -in het licht van voorgaande opmerkingen- geen geloof meer worden gehecht aan het door u uiteengezette asielrelaas. Verder blijkt dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken essentiële zaken niet heeft vermeld. Het is bijzonder merkwaardig dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken in het geheel geen melding maakte van het feit dat soldaten in 1995 en 1998 reeds bij u thuis waren langsgeweest om ermee te dreigen dat jullie zouden worden opgesloten in het kader van uw echtgenoots activiteiten in het kader van de ADF, zoals u voor het Commissariaat-generaal (p. 7) beweerde. Het is overigens zeer ongeloofwaardig dat de soldaten, die jullie reeds sinds 1995 op het spoor zouden zijn geweest en afwisten van de ADF-activiteiten van uw echtgenoot, tot 2002 zouden hebben gewacht om jullie effectief te komen arresteren. Voor wat de door u voorgelegde documenten betreft, kan het volgende worden opgemerkt. Het door u voorgelegde document van het “National College of Business Studies” (dd. 14 december 1999) dat bewijst dat u aan dit college heeft gestudeerd, is irrelevant voor uw asielaanvraag. In het medisch attest van Dr. Uitendaal Patricia (dd. 8 juli 2002) is sprake van verschillende letsels, maar de arts spreekt zich nergens persoonlijk uit over de oorzaak van deze letsels of over de omstandigheden waarin deze letsels zouden zijn toegebracht. Vermits de door u aangehaalde problemen (opsluiting) in het kader van het ADF-lidmaatschap van uw echtgenoot hierboven in twijfel werden getrokken, is het weinig aannemelijk dat deze letsels het gevolg zouden zijn van folteringen in het militaire kamp van Kasese, zoals u voor het Commissariaat-generaal beweerde (p. 8). U legde geen reisdocumenten voor, waardoor de door u afgelegde reisweg van Oeganda naar België niet kan worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”;
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Manifeste appreciatiefout die gelijkstaat met een gebrek aan motivering overeenkomstig art. 2 en 3 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Aangezien de argumenten van het Commissariaat-Generaal niet afdoende zijn omwille van de hierna volgende redenen. Aangezien de loutere benaming van de partij als Allied Democratic Party of Allied democratic Forces Party op zich niet contradictorisch is. Aangezien dit hetzelfde is als bvb. de VLD de liberale partij te noemen. De benaming is niet fout. Verzoekster is perfect op de hoogte van de juiste benaming van de partij. Aangezien de verklaringen geenszins in strijd zijn met de werkelijkheid. Verzoekster beweerde geenszins dat de partij reeds officieel was opgericht in 1992, wel dat haar man werkzaam was binnen de partij. Dit kan even goed geweest zijn ter voorbereiding van de oprichting. Zij is niet perfect op de hoogte van het reilen en zeilen binnen de partij. Aangezien er nog meer christenen werkzaam waren binnen de partij. Verzoekster somde de namen van de medewerkers die zij kende op. Derhalve zal de informatie waarover het Commissariaat beschikt in casu niet correct zijn. Aangezien zij geenszins verklaarde dat de partijkaart werd meegenomen, wel dacht zij dat deze eventueel was meegenomen samen met de agenda's van de vergaderingen. Van dit laatste was zij zeker. Verder kan van de dokter niet worden verwacht dat zij uitvist waarvan de letsels afkomstig zijn. Aangezien de motieven, door het Commissariaat ingeroepen, niet van aard zijn om de beslissing te ondersteunen.”; dat in de toelichtende memorie verzoekster stelt: XIV-11.387-4/6 “Manifeste appreciatiefout die gelijkstaat met een gebrek aan motivering overeenkomstig art. 2 en 3 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Aangezien de argumenten van het Commissariaat-Generaal gebaseerd zijn op gegevens die manifest in strijd zijn met de werkelijkheid. Aangezien deze de beslissing dan ook niet kunnen staven aangezien de beslissing essentieel erin bestaat dat de waarheid van de door verzoekster aangehaalde feiten in twijfel worden getrokken. Aangezien de loutere benaming van de partij als Allied Democratic Party of Allied democratic Forces Party op zich niet contradictorisch is. Aangezien dit hetzelfde is als bvb. de VLD de liberale partij te noemen. De benaming is niet fout. Verzoekster is perfect op de hoogte van de juiste benaming van de partij. Aangezien de verklaringen geenszins in strijd zijn met de werkelijkheid. Aangezien de door cliënte voorgebrachte stukken 4 en 7 duidelijk aantonen dat de partij reeds bestond in
  9. Aangezien de gegevens betreffende de oprichting van de partij, waarop het Commissariaat-Generaal haar beslissing steunt, dan ook geenszins correct zijn. Aangezien er nog meer christenen werkzaam waren binnen de partij. Verzoekster somde de namen van de medewerkers die zij kende op. Bovendien vermelden de door haar voorgebrachte stukken diverse leden met christelijke voornamen George, Vincent, Fred, Gerald .... Derhalve is de informatie waarover het Commissariaat beschikt in casu niet correct. Aangezien zij geenszins verklaarde dat de partijkaart werd meegenomen, wel dacht zij dat deze eventueel was meegenomen samen met de agenda's van de vergaderingen. Van dit laatste was zij zeker. Verzoekster was ondertussen in staat de partijkaart van de heer BUKOSI te laten opsturen. Aangezien van de dokter niet kan worden verwacht dat zij uitvist waarvan de letsels afkomstig zijn en de beslissing hoe dan ook niet enkel gedragen kan worden door dit argument. Aangezien de motieven, door het Commissariaat ingeroepen, niet van aard zijn om de beslissing te ondersteunen. Aangezien de bijkomende stukken niet worden gebruikt om het gelijk van verzoekster voor het Commissariaat-Generaal te bevestigen, doch wel om het ongelijk van het Commissariaat-Generaal aan te tonen en meer bepaald van de gegevens dewelke zij aanhaalt ter ondersteuning van haar beslissing en tegen dewelke verzoekster geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Aangezien daardoor haar belangen werden geschaad.”; 2.
  10. Overwegende dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk werd bevonden omdat er in verzoeksters verklaringen heel wat ongerijmdheden vastgesteld werden; dat verzoekster een deel van deze tegenstrijdigheden poogt te weerleggen, doch niet op afdoende wijze; dat verzoekster bij haar verzoekschrift voor de Raad van State een aantal nieuwe stukken voegt ter ondersteuning van haar asielaanvraag; dat dient vastgesteld dat deze stukken alle dateren van vóór de bestreden beslissing zodat deze thans niet voor het eerst aan de Raad kunnen voorgelegd worden; dat dient te worden opgemerkt dat verzoekster een aantal van de vastgestelde tegenstrijdigheden niet betwist; dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat deze in overeenstemming is met de wetsbepalingen betreffende de motivering van bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de gegeven motivering de bestreden beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: XIV-11.387-5/6 Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.387-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.819 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.