← België

Arrest 142822 - - 05/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.822 Rolnummer: A. 141566/XIV-16735 Zaak: Arrest 142822 - - 05/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 10:01 Fiche Arrest nr 142.822 van 5 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.822 van 5 april 2005 in de zaak A. 141.566/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. DE WILDE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 15 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.735-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT die, loco Advocaat P. DE WILDE verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Pakistaanse nationaliteit, is op 15 mei 2003 in België aangekomen en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 21 mei 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 12 augustus 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De beslissing luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Pakistaan afkomstig uit Harunabad. Een plaatselijke voorman van de PPP (Pakistan People’s Party), A. A. W. geheten, bedreigde uw familie voortdurend. Om aan deze intimidaties te ontsnappen verlieten uw beide oudere broers in 1987 Harunabad. Uzelf studeerde in 1987 in Lahore en werd er op een dag ontvoerd door een viertal handlangers van A. A. W.. U werd gedurende drie dagen vastgehouden en kwam pas vrij nadat uw vader uw ontvoerders 800.000 roepies losgeld betaalde. In 1989 sloot u zich aan bij “MSF” (Muslim Student Federation), de studentenvleugel van de “Muslim League”. Daarnaast was u sedert 1992 in uw geboortestad actief als voorzitter van “City Muslim League Youth Wing”. Uw activiteiten voor deze aan de “Muslim League” geliëerde bewegingen leidden tot verdere moeilijkheden met de plaatselijke voorman van de “PPP”, A. A. W.. In juli 1993 werd u samen met een politieke medestander gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de moord op twee leden van de PPP. Deze waren omgekomen tijdens een bijeenkomst die diezelfde dag voor uw woonst plaatsvond. U werd gedurende een tiental dagen in het politiekantoor vastgehouden en werd vervolgens naar de districtsgevangenis overgebracht. Na drie maanden gevangenschap werd u op borg vrijgelaten. Daarenboven stelde de rechtbank van Harunabad de behandeling van deze zaak uit omdat twee van de vier getuigen bij het proces afwezig bleken. Na een verkiezingsoverwinning van de PPP werd u in 1995 omwille van dezelfde feiten een tweede keer gearresteerd. U werd naar het politiekantoor van Harunabad overgebracht XIV-16.735-2/8 en werd er gedurende een tweetal maanden vastgehouden. Na uw vrijlating ontvluchtte u Harunabad en verbleef tot 1997 in Karachi. In 1997 hervatte u uw politieke activiteiten en opende in 1998 samen met uw vriend S. P. een winkel. S. P. was een aanhanger van het Ahmadigeloof en vanwege uw zakenrelatie met deze man verspreidde A. A. W. het gerucht dat u zich eveneens tot het Ahmadi-geloof had bekeerd. In oktober 1999 werd u samen met een aantal medestanders van de “Muslim League” gearresteerd wegens deelname an een demonstratie tegen de machtsovername van generaal Musharraf. Na een detentieperiode van tien à vijftien dagen werden uw partijgenoten en uzelf weer vrijgelaten. Op 10 januari 2000 bezochten vier “molvi’s” uw ouders en dreigden ermee u te vermoorden indien u uw omgang met aanhangers van het Ahmadi- geloof verderzette. Dezelfde avond bezocht u de koranschool waar deze religieuze oormannen verbleven in de hoop de zaak uit te praten. Deze "molvi’s" weigerden evenwel naar rede te luisteren en zetten u hardhandig aan de deur. De daaropvolgende maanden en jaren werd u verboden om de moskee van Harunabad nog te bezoeken en leed uw zaak onder de haatcampagne die tegen u gevoerd werd. Op 10 februari 2003 informeerde de klerk van een bevriende advocaat u dat tegen uw zakenpartner en uzelf een "FIR" (First Information Report) uitgevaardigd was wegens godslastering. Daarenboven was door de betreffende “molvi’s” een fatwa tegen u uitgevaardigd. Samen met uw zakenpartner vluchtte u meteen naar de woonst van een vriend en dook er gedurende twee dagen onder. Uw vriend contacteerde vervolgens een advocaat en deze raadde u aan om de stad te ontvluchten. U trok naar Karachi en verbleef er bij een vriend. Vanwege de fatwa die tegen u uitgevaardigd was, voelde u zich evenwel bedreigd en besloot Pakistan te ontvluchten. Op 14 mei 2003 vloog u via Karachi over naar Zürich en reisde door naar België, om hier op 15 mei 2003 asiel aan te vragen. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas op fundamentele wijze ondermijnd wordt door een cruciale tegenstrijdigheid in de verklaringen die u in de verschillende fasen van de asielprocedure aflegde. Zo verklaarde u in dringend beroep dat u op een nacht in 1995 in uw woonst door zes agenten gearresteerd werd omdat de borgsom die u na een eerdere gevangenneming in 1993 betaald had, afgewezen was. U verklaarde dat u bij deze arrestatie gehandboeid naar het politiekantoor van Harunabad overgebracht werd en er gedurende ongeveer twee maanden vastgehouden werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 4 + p. 9-10). In strijd hiermee verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de politie in 1995 wel degelijk bij nacht uw woonst binnenviel omdat uw borg ingetrokken was maar stelde u dat u bij deze gelegenheid aan een arrestatie wist te ontsnappen (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). Zo beweerde u dat u bij dit politiebezoek uw woonst ontvluchtte en naar het huis van uw medebeschuldigde Adilrafik trok om deze te waarschuwen dat de politie jullie opspoorde. U stelde dat u onderweg naar diens huis Adilrafik ontmoette en gezamenlijk besloot om naar Karachi te vluchten (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In dringend beroep daarentegen verklaarde u dat Adilrafik op het moment van deze feiten niet in de stad verbleef en daarom niet gearresteerd werd (zie gehoorverslag CGVS, p.10). Aangezien u op de Dienst Vreemdelingenzaken niet de minste melding maakte van een arrestatie en/of een detentieperiode van twee maanden in 1995 (zie gehoorverslag DVZ, nr.42 + nr.44), dient te worden geconcludeerd dat u ondanks de markante verschillen in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal bij uw beschrijving van bovenstaande feiten wel degelijk naar dezelfde politie-inval in uw woonst verwijst maar er een radicaal verschillende uitkomst aan verbindt. Tijdens het gehoor op het Commissariaat- generaal werd u gewezen op de eventuele tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop stelde u dat u deze verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken niet heeft afgelegd (zie gehoorverslag CGVS, p.10). Die verklaring kan niet als afdoende uitleg worden beschouwd omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend heeft en omdat u geen enkele element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Aangezien de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen over de politie-inval van 1995 in uw woonst en de gevolgen die eraan verbonden waren uitgebreid en gedetailleerd zijn (zie gehoorverslag DVZ, nr.42), is het niet aannemelijk dat XIV-16.735-3/8 bovenstaande inconsistenties in uw verklaringen aan een fout in de transcriptie te wijten zijn. Bovenstaande tegenstrijdigheid, betreffende een dusdanig belangrijk element van uw asielrelaas, is dermate fundamenteel dat verder geen geloof meer kan worden gehecht aan uw verklaringen. Verder is het bevreemdend te noemen dat u niet in staat bent om een begin van bewijs voor te leggen van uw voorgehouden moeilijkheden- en dit ondanks uw bewering dat de fatwa die tegen u afgekondigd zou zijn nationaal bekend gemaakt werd (zie gehoorverslag CGVS, p.13). Tenslotte was u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg noch uw identiteit kan worden nagegaan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR
  8. Dat het commissariaat generaal dan ook de plicht heeft om de feiten, waarop zij zich stoelt, te verzamelen op een zorgvuldige wijze.
  9. Dat bovendien de feiten moeten volledig zijn.
  10. Dat de feiten ook juist moeten worden beoordeeld. Wat de argumenten betreft.
  11. Dat de argumenten juist moeten zijn.
  12. Dat de argumenten bovendien volledig moeten zijn
  13. Dat ook de argumenten juist moeten worden beoordeeld. Bovendien moet de motivatie ook voldoen aan het beginsel van behoorlijk bestuur (e)en meer bepaald aan het redelijkheidsbeginsel. Eerste onderdeel: Het commissariaat generaal steunt haar beslissing op het feit dat in de diverse interviews er tegenstrijdigheden weerhouden werden. Verzoeker heeft het relaas van zijn problemen weergegeven startend van 1989 tot heden
  14. Uit het verslag dat werd opgemaakt door de dienst vreemdelingenzaken en het verslag dat werd opgemaakt door het commissariaat generaal blijkt geen eenduidigheid te bestaan over een feit dat heeft plaatsgevonden in
  15. Het commissariaat is niet uitgegaan van alle gegevens bij de beoordeling van het dossier. Minstens is hier een schending van het zorgvuldigheidsprincipe. Het commissariaat heeft als administratieve overheid de taak om zorgvuldig alle gegevens te verzamelen dienstig om een dergelijke beslissing te nemen. Alvorens het commissariaat een tegenstrijdigheid weerhoud moet men kijken of geen andere verklaring kan gegeven worden. Hierbij moet rekening gehouden worden met de aard van de feiten en eveneens het tijdstip dat deze feiten zich voordeden. XIV-16.735-4/8 Verzoeker is effectief in 1995 aangehouden geweest en verbleef twee maanden in detentie. Nadien werd hij vrijgelaten. Later in 1995, zijnde na zijn vrijlating, werd verzoeker opnieuw gezocht maar hij wist ditmaal aan een arrestatie te ontsnappen omdat hij was ontvlucht. Er is derhalve geen tegenstrijdigheid tussen het relaas voor de dienst vreemdelingenzaken en voor het commissariaat generaal. Het is evenwel zo dat de detentie van 2 maanden niet zijn opgenomen in het schriftelijk relaas. Verzoeker wenst hier op aan te merken dat heel wat feiten niet zijn neergeschreven in het schriftelijk relaas van het interview op de dienst Vreemdelingenzaken. De intensiteit en de duur van beide interviews kunnen niet vergeleken worden. Aan verzoeker, evenals aan alle kandidaat asielzoekers wordt nu eenmaal meer gelegenheid gegeven om hun relaas te geven bij het commissariaat generaal dan bij de dienst vreemdelingenzaken. Men moet kijken naar het tijdsverloop dat dergelijke ondervraging in beslag neemt. Verzoeker blijft erbij dat hij zijn detentie wel heeft vermeld, maar aanvaard dat dit niet werd weerhouden in het verslag. Echter is het feit dat het over twee aparte evenementen gaat, perfect congruent met het verhaal van verzoeker. Het is dan ook onzorgvuldig om niet verder te denken en er automatisch van uit te gaan dat een kandidaat asielzoeker liegt. Tweede onderdeel Zoals reeds gesteld was het relaas over de feiten van 1995 slechts een detail in het volledige relaas van verzoeker. Verzoeker merkt echter op dat alle andere naar voor gebrachten feiten niet werden onderzocht, noch op interne tegenstrijdigheden, noch getoetst aan objectieve gegevens. Het commissariaat generaal beschikt over gegevens uit Pakistan. Niet enkel via andere dossiers, doch ook via interne nota's, en publieke gegevens. Het commissariaat generaal heeft niets van het verhaal van verzoeker, zowel zijn wedervaren in Karachi als de Fatwa onderzocht. Dat verzoeker zelf de bewijzen moet aanbrengen is een zaak, dat het commissariaat generaal als administratie het dossier zorgvuldig moet onderzoeken is eveneens een feit. Het commissariaat generaal moet ook rekening houden dat verzoeker verblijft in een asielcentrum en dat zijn contact met de buitenwereld beperkt is. Ook is er geen mogelijkheid vrienden, kennissen uit het thuisland te contacteren om bepaalde gegevens over te maken. Als aan de asielzoeker deze mogelijkheid wordt ontnomen is het nog meer de taak van het commissariaat generaal, binnen haar zorgvuldigheidsplicht, om t(d)e gegevens van het dossier verder te onderzoeken. Het commissariaat Generaal heeft niet de moeite genomen om de situatie te evalueren op grond van de gegevens via de internationale pers.”; 2.1.2.
  16. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de schending van het zorgvuldigheids- en van het redelijkheidsbeginsel aanvoert; 2.1.2.
  17. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte uitgaat van een tegenstrijdigheid inzake de aanhouding van verzoeker in 1995; dat verzoeker hieromtrent een verwarde uitleg geeft; dat verzoekers uitleg in feite uit twee componenten lijkt te bestaan; dat hij, enerzijds, stelt dat de op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen betrekking hebben op andere feiten (namelijk feiten die zich later voordeden) dan die waarover hij verklaringen heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat, anderzijds, verzoeker er ook op wijst dat hij de XIV-16.735-5/8 aanhouding en de twee maanden durende detentie, waarvan sprake in het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, wel degelijk heeft vermeld tijdens het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken, doch dat deze verklaringen niet zijn opgenomen in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker daarbij wijst op het verschil in “intensiteit en (...) duur” tussen beide interviews; dat, wat verzoekers eerste argument betreft, uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker “ondanks de markante verschillen in (zijn) verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij (zijn) beschrijving van bovenstaande feiten wel degelijk naar dezelfde politie- inval in (zijn) woonst verwijst maar er een radicaal verschillende uitkomst aan verbindt”; dat deze overweging niet alleen steun vindt in de stukken van het administratief dossier, doch tevens wordt ondersteund door het feit dat verzoeker tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd geconfronteerd met deze “eventuele tegenstrijdigheid”, waarbij verzoeker als enige uitleg gaf dat hij de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde verklaring niet voor de Dienst Vreemdelingenzaken had afgelegd; dat verzoekers uitleg dat de op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen betrekking hebben op andere feiten (namelijk feiten die zich later voordeden) dan die waarover hij verklaringen heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, niet kan worden aangenomen, aangezien redelijkerwijze mag worden aangenomen dat verzoeker anders deze uitleg reeds zou hebben gegeven op het ogenblik waarop hij met de tegenstrijdigheid werd geconfronteerd; dat, wat verzoekers tweede argument betreft, dient dan weer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te worden bijgevallen, waar deze terecht opmerkt dat verzoeker het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken voor akkoord heeft ondertekend, en dit nadat het verhoorverslag hem was voorgelezen; dat verzoeker bijgevolg niet aantoont dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheid onjuist zou zijn, noch aantoont dat de hierbij horende overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zouden zijn; 2.1.2.
  18. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker aanvoert dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheid betrekking heeft op een detail; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat de tegenstrijdigheid immers betrekking heeft op een aanhouding en op een daaropvolgende detentie die twee maanden zou hebben geduurd; dat, gezien het ongetwijfeld traumatisch karakter van een dergelijke ervaring, deze gebeurtenis moeilijk kan worden afgedaan als een detail; dat van een kandidaat-vluchteling dan ook redelijkerwijze mag worden verwacht dat hij omtrent dergelijke feiten eensluidende verklaringen zou afleggen; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt de door hem aangebrachte feiten niet zorgvuldig te hebben onderzocht; dat hij deze bewering met geen enkel concreet element ondersteunt; dat nergens uit de stukken van het administratief XIV-16.735-6/8 dossier enig onzorgvuldig handelen vanwege de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt; dat, overeenkomstig artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), dat verwijst naar artikel 52, § 1, 2/, a) van dezelfde wet, de vreemdeling niet kan toegelaten worden tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vluchteling wanneer zijn aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat er in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker een “cruciale tegenstrijdigheid” werd vastgesteld; dat op basis hiervan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kon besluiten tot de bedrieglijkheid van de aanvraag en bijgevolg de onontvankelijkheid; dat verzoeker ten slotte nog ingaat op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het “bevreemdend (is) (...) dat (verzoeker) niet in staat (is) om een begin van bewijs voor te leggen van (zijn) voorgehouden moeilijkheden- en dit ondanks (verzoekers) bewering dat de fatwa die tegen (hem) afgekondigd zou zijn nationaal bekend gemaakt werd”, doch zich beperkt tot een vage en algemene kritiek; dat verzoeker erop wijst dat hij in een asielcentrum verblijft en niet over de mogelijkheid beschikt om “kennissen uit het thuisland te contacteren om bepaalde gegevens over te maken”; dat verzoeker er niet in slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de bestreden beslissing voldoende feitelijk en rechtens relevante elementen bevat opdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker; dat verzoeker de schending van het zorgvuldigheids- en van het redelijkheidsbeginsel geenszins aannemelijk maakt; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  19. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: GEBREK AAN MOTIVERING: SCHENDING VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN BESTUURSHANDELINGEN De Wet inzake de Uitdrukkelijke Motivering van Bestuurshandelingen schrijft voor dat de juridische en feitelijke motivering waarop men een beslissing steunt "afdoende" dient te zijn. Hieronder dient te worden verstaan dat de aangegeven reden in evenredigheid dient te staan met de genomen beslissing. 2.1 Het commissariaat generaal moet uitgaan van correcte gegevens. Gezien wat hierboven onder het eerste middel werd aangehaald kan men sterk twijfelen dat het commissariaat uitgegaan is van correcte gegevens. Dit is niet voldoende. 2.
  20. De argumenten zijn dan ook niet juist beoordeeld. 2.
  21. Besluit Het niet of niet voldoende motiveren, evenals het niet correct motiveren, levert zonder meer de illegaliteit van de bestreden bestuurshandeling op wegens schending van een substantiële vormvereiste. Het volstaat voor de vernietiging van de rechtshandeling. 2.
  22. Bovendien zijn de argumenten niet in evenredigheid met de genomen beslissing.”; XIV-16.735-7/8 2.2.
  23. Overwegende dat blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent; dat het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; dat, wat de materiële motivering betreft, verwezen kan worden naar de bespreking van het eerste middel, waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid tot zijn beslissing is gekomen; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.735-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.822 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.