id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.917 Rolnummer: A. 102281/XIV-2847 Zaak: Arrest 142917 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 10:02 Fiche Arrest nr 142.917 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.917 van 11 april 2005 in de zaak A. 102.281/XIV-2.847 In zake : XXX, wonende te 1060 BRUSSEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 24 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 februari 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2004; XIV-2.847-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DERMAUX, die loco advocaat H. DOTREPPE, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 december 1998 en zich vluchteling verklaart op 30 december 1998; dat op 18 oktober 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 februari 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "Betrokkene werd verhoord op 9 december 1999 op de zetel van het commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Op De Beeck. Betrokkene, een Oekraïens staatsburger, zou in haar land van herkomst problemen hebben gehad omwille van haar lidmaatschap bij de Adventisten van de Zevende Dag. Betrokkene zou al vanaf haar jeugd problemen gehad hebben door haar geloof. Zo zou men in 1973 bij haar thuis huiszoekingen gedaan hebben. In februari 1989 zou betrokkenes echtgenoot, Lukashenko Sergei, gestorven zijn. In 1991 zou betrokkene diaken geworden zijn. Betrokkene legt hiervan een attest neer. Ze zou ook religieuze literatuur verkocht hebben. Betrokkene zou ook hulp verleend hebben in de voorhechtenis-gevangenis (SIZO) van Lvov. Volgens betrokkene zouden er in de gevangenis kinderen geslagen zijn. Toen Zabsaljoek Gennadi er directeur werd zou betrokkene niet meer in de gevangenis mogen werken hebben. Zabsaljoek Gennadi zou betrokkene daarna lastig gevallen hebben. Betrokkene maakt verder nog melding van enkele moorden op Adventisten van de Zevende Dag in Vannitsa en in Lvov (Lebedev), maar blijft daarover zeer vaag. In de lente van 1997 zou betrokkene, samen met nog vier andere geloofsgenoten, naar Sjeptitsji gegaan zijn om er een lezing te geven. Toen ze ter plaatse aankwamen zouden tegenstanders van hun religie (aanhangers van het Orthodoxe geloof) hen op straat opgewacht hebben. Na de lezing zou de ontmoetingsplaats overrompelt geweest zijn en zouden ze door een woedende massa zijn aangevallen. De twee mannen in hun groep zouden geslagen zijn. Betrokkene die hen ter hulp snelde, zou ook geslagen zijn. Betrokkene, noch iemand van de slachtoffers zouden nadien een klacht bij de politie ingediend hebben omdat ze toch niet zouden geholpen worden. Anderhalf jaar voor het interview op het commissariaat-generaal zou betrokkene door een agent zijn gearresteerd en naar het politiekantoor zijn gebracht. Ze zou er ondervraagd zijn over haar religieuze literatuur. Twee maanden voor haar vertrek naar België zouden er drie personen (waarvan één in politie- uniform) naar betrokkenes zoon gevraagd hebben en naar haar eigen activiteiten. Er zou in haar gebouw een man zijn vermoord door een bende die in haar buurt actief was. Betrokkene zou daarna nog een convocatie hebben gekregen van de politie. Toen betrokkene er zich aanbood zou de persoon, vermeld op de convocatie, niet aanwezig geweest zijn. Enkele dagen later zou deze zelf naar haar gekomen zijn en zou haar gevraagd hebben of er iets in haar huis of in haar datcha (buiten de stad) gestolen was. Betrokkene weet niet of de moord van de man in haar gebouw en het bezoek van deze politieman te maken hebben met haar lidmaatschap bij de Adventisten van de Zevende Dag. In december 1998 zou betrokkenes zoon (O. L.) haar verteld XIV-2.847-2/7 hebben dat hij problemen had en dat zij met zijn echtgenote (I. L.) moest vertrekken uit Oekraïne. Op 27 decernber 1998 zou betrokkene en haar schoondochter met een microbus uit Oekraine vertrokken zijn. Ze zouden' met geldige internationale paspoort gereisd hebben, die echter bij de passeurs achterbleven. Op 28 december 1998 is betrokkene, samen haar schoondochter, in het Rijk gearriveerd. Op 30 december 1998 vroeg betrokkene de status van vluchteling aan; ze was in het bezit van een geldig Oekraïns (intern) paspoort. Betrokkenes dochter, Daniela Lukashenko zou reeds vijf jaar in de Verenigde Staten wonen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de door betrokkene geschetste situatie van de Adventisten van de Zevende Dag in Oekraïne niet strookt met de op het commissariaat- generaal aanwezige informatie. De grondwet waarborgt de religieuze vrijheid in Oekraïne en de overheid respecteert deze rechten. De Oekraïnse autoriteiten staan religieuze organisaties toe om gebedshuizen in te richten en geestelijken op te leiden. In een amendement van 1993 worden de activiteiten, die aan ‘buitenlandse' religies toegestaan worden, omschreven. In 1999 waren er geen berichten over arrestaties en opsluitingen om religieuze redenen. Er zijn enkele tekenen van wantrouwen van de bevolking tegenover deze nieuwe religieuze bewegingen, maar dat heeft niet geleid tot belangrijke openbare kritiek of bepaalde acties tegen deze nieuwe religies, die trouwens meer en meer aanhangers kennen (bron: U.S. Department of State: Annual Report on International Religious Freedom for 1999: Oekraïne). Nergens op de website van de Adventisten van de Zevende Dag wordt melding gemaakt van problemen die deze denominatie zou ondervinden (bron: www.adventist.org). Tenslotte beweert M. Murga, van het Secretariaat van de Oekrainse Unie van de Kerk van de Adventisten van de Zevende Dag, dat gedurende de laatste tien jaren hun kerk in Oekraïne meer dan drie keer in omvang is toegenomen en dat hun activiteiten meer ontwikkeld werden. De kerk heeft een eigen uitgeverij, een drukkerij, een medisch centrum, tandartsencentra in verschillende steden en nabij Kiev werd het Ukranian Humanitarian Institute geopend. Er werden geen schendingen van de rechten van de gelovigen vastgesteld, noch discriminatie. Het gebeurd soms wel dat familie of gelovigen van andere religies intolerant zijn, maar dat zijn eerder uitzonderingen (zie antwoord van M. Murga op 3 augustus 2000). Gelet op bovenvermelde informatie, lijkt het onwaarschijnlijk dat betrokkene bij terugkeer nog problemen zou ondervinden omwille van haar lidmaatschap bij de Adventisten van de Zevende Dag. Daarnaast kan worden opgemerkt dat betrokkene steeds heeft nagelaten om, na de voorvallen, een klacht bij de bevoegde politiediensten in te dienen. Er kan dan ook gesteld worden dat betrokkene niet alle middelen tot het bekomen van hulp en bescherming in Oekraïne heeft uitgeput. Betrokkene heeft geen elementen aangebracht die erop wijzen dat de autoriteiten haar geen bescherming zouden bieden enlof dat het onderzoek van haar klacht' oneerlijk zou verlopen, omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Verder kan nog worden opgemerkt dat er geen duidelijke band is tussen de gepleegde moord, de gevoerde enquête door de politie en betrokkenes religieuze lidmaatschap. Tenslotte verliet betrokkene haar land op verzoek van haar zoon omdat deze in de problemen zat. Het feit dat betrokkenes problemen zich geruime tijd voor haar vertrek voordeden en het uiteindelijk haar zoon is die haar aanspoorde het land te verlaten, ondermijnt de ernst van de ingeroepen vrees voor vervolging. De door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde documenten (Oekraïns intern paspoort, rijbewijs, geboorteakte, huwelijksakte, overlijdensakte van haar moeder, overlijdensakte van haar vader, overlijdensakte van haar echtgenoot, Nederlandstalige prent van de Adventisten van de Zevende Dag, certificaat van diaken, artikel in Visnik Miroe april 1997, toelating om religieuze literatuur te verkopen, herziening van rehabilitatie van betrokkenes vader op 22 februari 1990, attest van lidmaatschap bij de Adventisten van de Zevende Dag, proces-verbaal van huiszoeking op 16 december 1973, dossier van haar vader van de KGB) wijzigen hetgeen hiervoor uiteengezet werd niet. Aan betrokkenes identiteit en haar lidmaatschap bij de Adventisten van de Zevende Dag wordt immers niet getwijfeld. Het artikel in de krant van de Adventisten van de Zevende Dag in Visnuk Miroe maakt wel melding van een incident in maart 1997 in Sjeptitsji maar verwijst niet naar betrokkenes aanwezigheid hierbij. De andere door betrokkene neergelegde documenten kunnen voorgaande vaststellingen ook niet in een ander daglicht stellen. Gelet op voorgaande kan er in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de XIV-2.847-3/7 verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 18 oktober
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren."; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 62 van de wet van
- 12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling. Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te nemen. Dat in feite de motivering van de bestreden beslissing manifest tegenstrijdig en onwaar is en geenszins verwijst naar de persoonlijke motieven die verzoekster leidden tot haar vlucht naar België. Dat dient te worden vastgesteld dat noch de nationaliteit van verzoekster, noch haar hoedanigheid van lid en diaker van de Adventisten van de Zevende dag in twijfel worden getrokken. De beslissing verwijst evenmin naar tegenstrijdigheden in het relaas van verzoekster, die constant bleef in haar verklaringen. Het commissariaat beperkt zich te stellen dat de globale situatie van alle leden van de kerk ‘adventisten van de Zevende dag’ zoals die situatie hem gekend is door eigen informatie, niet strookt met de persoonlijke situatie van verzoekster zoals door haar geschetst werd; Cfr Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de door betrokkene geschetste situatie van de Adventisten van de Zevende Dag niet strookt met de op het commissariaat-generaal aanwezige informatie Verzoekster heeft niet ‘de situatie’ van de adventisten geschetst, doch haar situatie, met die omstandigheid dat zij actief lid is van de adventisten; De persoonlijke situatie van verzoekster werd niet onderzocht, vermits het commissariaat enkel naar een algemene situatie verwijst; De op het commissariaat-generaal aanwezige informatie is zeker en vast niet exhaustief. Bovendien dient te worden gesteld dat informatie op websites gewonnen, weinig of geen zekerheid biedt wat betreft de kwaliteit van de informatie die verspreid wordt : objectiviteit en realiteit van de gegevens, manier waarop de informatie gewonnen werd en controle van de informatie, mogelijkheid om een tegen informatie te publiceren; Eenieder kan en mag een website inrichten en ‘voeden' met de informatie die de webmaster subjectief selecteert naargelang de eigen doeleinden, die voor de lezer niet gekend zijn. Terzake dient te worden gesteld dat de beslissing van het commissariaat essentieel steun vindt in de informatie gewonnen op de eigen, uitgebreide, website van de adventisten. Die website is van verscheidene links voorzien en biedt lectuur aan voor meerdere dagen; De beslissing laat niet toe te kunnen bepalen of alle websites bezocht werden en nog minder welke websites juist bezocht werden en welke documenten weergehouden werden. De bronnen waarop de beslissing steunt kunnen bijgevolg niet worden nagegaan; Bovendien dient te worden gesteld dat de door het commissariaat als bron van informatie uitgekozen website, nl. deze van de adventisten zelf, de laatste bron is waaruit objectieve gegevens kunnen worden verwacht! De ‘impuls’ van de site wordt gegeven vanuit de Verenigde Staten waar de adventisten heel talrijk en actief zijn en kennelijk geen problemen beleven. Een bezoek van de website maakt meteen duidelijk dat de site ingericht is om het geloof te verspreiden en voornamelijk nieuwe leden aan te kweken: de informatie die hierop voorkomt is dan ook resoluut positief en optimistisch, bijzonder i.v.m. het stijgende aantal leden doorheen de hele wereld. Hier gaat men in geen geval de mensen afschrikken door hun aandacht te trekken op het feit dat het lidmaatschap problemen of discriminatie kan verwekken in sommige landen. De bronnen waarop het commissariaat zich steunt om verzoekers asielaanvraag te weigeren zijn bijgevolg niet ernstig. Het commissariaat begaat derhalve een fout in de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid; XIV-2.847-4/7 Deze fout beïnvloedt eveneens het al te summier onderzoek van de persoonlijke situatie van verzoekster in zulke mate, dat de andere grieven van het commissariaat niet in aanmerking dienen te worden genomen.”; 2.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de algemene stellingen dat informatie afkomstig van het internet weinig of geen zekerheid biedt op het kwalitatieve vlak, dat de bestreden beslissing niet toelaat te achterhalen welke websites werden onderzocht en dat de webstek van de adventisten de laatste plaats is waar objectieve informatie kan verwacht worden aangezien deze voornamelijk gericht is op het verspreiden van het geloof; dat zij op dergelijke algemene wijze niet de juistheid van de informatie van de commissaris-generaal, die op tal van concreet vermelde informatiebronnen is gesteund, weerlegt; dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element die beslissing op zichzelf moet kunnen dragen; dat de verzoekende partij niet ingaat op de vaststellingen van de commissaris-generaal met betrekking tot het indienen van een klacht bij de bevoegde politiediensten, het inroepen van de bescherming van de autoriteiten, het bestaan van een verband tussen de moord, het politie-onderzoek en haar geloofsovertuiging en het verloop van een ruime tijd tussen haar problemen en haar vertrek; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-2.847-5/7 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de al gemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces; Dat deze principes de administratie een voorzichtigheid en zorgvuldigheid opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd; De Commissaris-generaal baseert tevens zijn beslissing op onvolledige, approximatieve gegevens en informaties die hij arbitrair selecteert en voor waarheid tracht op te leggen om zijn beslissing te rechtvaardigen; Verzoekster verwijst naar de argumentatie onder het eerste middel; De rechtspraak van de Raad van State is in dit kader zeer duidelijk ( arrest nr. 51.170 dd. 17.01.1995, arrest nr. 53.194 dd. 10.05.1992 en arrest nr. 49.995 dd. 28.10.1994) De beslissing van de Commissaris-generaal getuigt van een uitzonderlijke achteloosheid waarmee hij het dossier van verzoeker heeft behandeld, gezien de snelle en summiere behandeling hoewel er voldoende aanwijzingen bestaan om te besluiten dat er een reële vrees bestaat voor haar leven en haar fysieke integriteit in geval verzoeker zou terugkeren naar zijn land; De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak;”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet verduidelijkt waarin de machtsoverschrijding zou bestaan; dat zij evenmin aangeeft op welke wijze de bestreden beslissing de overige door haar ingeroepen beginselen schendt; dat, wat haar betoog met betrekking tot de informatie van de commissaris-generaal betreft, kan verwezen worden naar de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikels 52, 57 en 63 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling alsmede de verdedigingsrechten. De motivatie van de aangevochten beslissing hoort tot het onderzoek ten gronde toe, daar waar de beslissing genomen werd in het kader van de ontvankelijkheid, alwaar enkel de waarschijnlijkheid van het relaas dient te worden onderzocht.”; 2.3.
- Overwegende, wat de aangevoerde schending van de artikelen 52 en 63 van de Vreemdelingenwet betreft, dat dient te worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat artikel 57 van de Vreemdelingenwet verwijst naar een vreemdeling die niet is gevestigd in België en wiens hoedanigheid van vluchteling door de commissaris-generaal werd ingetrokken; dat in casu de bestreden beslissing slaat op de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, zodat de verzoekende partij niet op ontvankelijke wijze de schending van artikel 57 van de Vreemdelingenwet kan inroepen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van XIV-2.847-6/7 artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2.847-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div