← België

Arrest 142919 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.919 Rolnummer: A. 142906/XIV-17177 Zaak: Arrest 142919 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 10:02 Fiche Arrest nr 142.919 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.919 van 11 april 2005 in de zaak A. 142.906/XIV-17.177 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 20 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-17.177-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 juni 2003 en zich vluchteling verklaart op 2 juli 2003; dat op 4 juli 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 16 september 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U beweert de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten, tot de Beni-stam te behoren en afkomstig te zijn van Benin City. In 1996, toen u aan het Yaba College of Technology in Lagos studeerde, hoorde u toen u langs uw school liep, iemand om hulp roepen. U ging erop af en zag twee jongens die een meisje probeerden te verkrachten. U zei de twee jongens weg te gaan en riep zelf naar andere mensen om ter versterking te komen. De twee jongens gingen weg maar zeiden u dat ze u zouden leren om u met uw eigen zaken te bemoeien. Daarna ging u naar de klas om de lessen te volgen. In februari 1996, toen u zich onder de Jebow-brug in Lagos bevond, werd u aangevallen en geslagen door vier voor u onbekende jongens. Ze zeiden u dat dit nog maar het begin was en dat u zich met uw eigen zaken moest bemoeien. U vermoedde dat dit te maken had met het voorval van de verkrachting. Toen u op uw kamer op de campus aankwam, vroeg uw vriend, P. E. D., waar u die blauwe plekken had opgelopen. Aanvankelijk wilde u dat niet vertellen maar na aandringen vertelde u uw vriend wat er gebeurd was. Uw vriend had u reeds eerder gezegd lid te worden van een geheim broederschap, 'the Black Axe' die opkomt voor de onderdrukte student in en rond de campus en uw vriend raadde u aan lid te worden. Gezien uw vader u had gezegd geen lid te worden van gelijk welke organisatie weigerde u het lidmaatschap. In maart 1996, toen u naar de Yaba-markt ging, werd u door twee voor u onbekende jongens, waarvan er één gewapend was, naar hun auto gebracht. Ze brachten u naar de universiteit van Lagos waar u geblinddoekt werd en reden met uw verder. Toen ze uw blinddoek afdeden zag u dat ze u naar een woud gebracht hadden. Ze staken u in een ton met ijsblokjes en sloten deze ton af. U schreeuwde en ze deden de ton terug open. Toen zei één van de twee jongens dat ze reeds eerder hadden geprobeerd u te doden maar ze hadden geleerd dat u goed bruikbaar zou zijn in het broederschap omdat u goed kon lopen en vechten en ze zouden u laten gaan als u bereid was lid te worden. U weigerde lid te worden en weer werd u in de ton gestopt en ze sloten deze af. Gezien u niet meer kon ademen, stemde u toe toch lid te worden. Ze lieten u gaan en ze zeiden dat P. E. D. het brein hierachter was. De nacht dat u zou geïnitieerd worden in de sekte, in april 1996, rende u weg uit Lagos naar Benin City. Toen u in Benin City verbleef werd u geslagen door voor u onbekende personen voor een voor u onbekende reden. U vermoedde dat het om mensen van het geheime broederschap ging. U ging naar de politie om dit aan te geven en zeiden dat ze het incident zouden onderzoeken. In april 1996 ging u terug naar Lagos om uw nationaal diploma te behalen. Na uw examens, in augustus 1996, werd u opnieuw geslagen door de personen die u voordien hadden meegenomen naar het bos. Ze zeiden u dat als u geen lid zou worden, zouden ze uw leven ellendig maken. In 1997 moest u nog een aantal examens afleggen maar u deed dit niet omdat u bang was dat het geheim broederschap u zou opwachten. Gedurende het jaar 1997 verbleef XIV-17.177-2/6 u afwisselend in Benin City en in Lagos. In 1998 legde u de rest van uw examens af en studeerde u af. Voor de verkiezingen van maart, april 1999 ging u naar Benin City omdat u daar geld kon verdienen. U was in dienst van Obaseki, een man behorende tot de People Democratic Party in Nigeria (PDP). Hij gaf u de opdracht om op de verkiezingsdag voor de 'state governors' stembussen te stelen en ze te vervangen door stembussen, gevuld met stemmen voor de PDP. Toen u in de Virgina Primary School in Benin City stembrieven aan het vervalsen was, werd u door de politie geslagen en de politie wilde u meenemen naar het politiekantoor. Door tussenkomst van M. Enehizena, de tweede vice-voorzitter van de PDP van het Credo district, die de politie omkocht, werd u niet naar het politiekantoor meegenomen. Na de verkiezing werd u door de voorzitter van de 'ward' betaald voor uw bewezen diensten op de verkiezingsdag. Na de verkiezingen van maart/ april 1999 keerde u voor een tijdje terug naar Lagos, waar u leefde van bedelen, van kleine werkjes en van hetgeen vrienden u gaven. In 2000 keerde u terug naar Benin City waar u solliciteerde bij de Nigerian Botteling Company Coca Cola. U legde een aantal examens af, deed een interview, legde een medische test af. Ze zeiden u dat u daar aan de slag kon gaan. De dag dat u daadwerkelijk moest werken, zag men dat u niet goed te been was en u kreeg deze job toch niet. Gedurende 2000 en 2001 leefde u afwisselend bij uw moederin Benin City en in Lagos. In januari 2002 kreeg u problemen met een voor u onbekende groep mensen. U kende er één van, nl. L. die werkte voor de United Nigeria Democratic Party. L. zei u dat u dom was omdat u geld aanvaardde van personen die uw dood wilden. In september 2002 keerde u terug naar Lagos omdat uw moeder steeds huilde als ze u zag omwille van uw slechte gezondheid. U verbleef enkele weken in Lagos bij een vriend, Dan Owie. Deze vroeg u na enkele weken zijn huis te verlaten gezien de eigenaar van het huis van uw vriend tegen uw vriend had gezegd dat er mensen naar zijn huis waren gekomen die eruit zagen als criminelen en deze zouden naar u gevraagd hebben. Omdat de eigenaar van het huis van uw vriend geen crimineel in huis wilde hebben, vroeg uw vriend u zijn huis te verlaten. U keerde terug naar Benin City waar u met uw moeder leefde en geen problemen heeft gekend. Na enkele tijd keerde u terug naar Lagos waar u slechts enkele dagen heeft verbleven. In november, december 2002 keerde u terug naar Benin City omwille van de verkiezingen die gepland waren voor maart, april
  2. De voorzitter van uw 'ward', M. lgbinuba, vroeg u weer om fraude te plegen. Gedurende de registratieperiode kreeg u de opdracht om namen in te schrijven in het kiesregister van mensen die niet bestonden. Op de verkiezingsdag zelf stak u verschillende stembrieven, die u gekregen had van de voorzitter van de 'ward', M. lgbinuba, in de stembus in het kiesbureau van Eygenugie. Na de verkiezingen werd u door de voorzitter van de 'ward' M. lgbinuba betaald voor uw diensten. Na de verkiezingen kreeg u drie vreemde brieven met de boodschap " You think you smart". U wist niet wie de afzender van de brieven was. Vervolgens vond u op de drempel van uw huis een brief met een dode vis. In de brief stond vermeld "You death meat". U wist niet wie de afzender van de brief was. Gezien u uw familie niet in deze zaak wilde betrekken, trok u de eerste week van juni 2003 naar Lagos. Op een dag, toen u "geleidelijk aan het sterven was", liep u langs de Obuelegbe Road in Lagos toen u aangereden werd door een wagen. De bestuurder van de wagen, Adebola Ogunrin, wilde u naar het ziekenhuis brengen maar u zei dat u in orde was. De man ging samen met u naar een restaurant waar u hem over uw problemen in verband met uw gezondheid vertelde. De man zei dat hij u zou helpen. Na een verblijf van twee weken in zijn huis, nam u samen met hem in Lagos het vliegtuig naar België. U kwam op 28 juni 2003 in België aan. Op 2 juli 2003 vroeg u asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen niet blijkt dat u terecht een vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève inroept. In verband met het ontvangen van anonieme brieven, zijnde het laatste ‘vervolgingsfeit’ dat u aanhaalde tijdens het gehoor door het commissariaat-generaal, kan het volgende worden opgemerkt. U stelde na de verkiezingen van maart-april 2003 drie anonieme brieven te hebben gekregen met eenzelfde boodschap, nl. 'you think you smart' (p. 16). Later heeft u een vierde anonieme brief gevonden met de boodschap 'You death meat' samen met een dode vis (p. 17). Op de vraag van het commissariaat-generaal van wie deze brieven afkomstig zijn, stelde u aanvankelijk, tot driemaal toe, niet te weten wie u deze brieven heeft gestuurd (p. 16-17), noch gaf u aan waarom u dergelijke brieven heeft ontvangen. Vervolgens stelde u in uw gehoor in dringend beroep dat deze brieven misschien afkomstig zijn van het studentenbroederschap omdat u geen lid wilde worden (p. 19). Hieromtrent dient vooreerst opgemerkt te worden dat u zich in dit verband louter e.i alleen op uw vermoedens stoelt. Verder maakt u tijdens uw verhoor in dringend beroep geen melding van problemen met dit broederschap na augustus 1996, zodat het weinig waarschijnlijk is dat bijna 7 jaar later, wanneer u trouwens geen student meer was (cf. uw verklaring voor het commissariaat-generaal dat u in 1998 afstudeerde p. 2), het studentenbroederschap plots weer achter u aan zou zitten. Bovendien, als u werkelijk vermoedde dat het studentenbroederschap u deze brieven heeft toegestuurd, is het bijzonder opmerkelijk dat u, na het ontvangen van de brieven, vluchtte van Benin City naar Lagos, precies daar waar -volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal (p. 7)- het broederschap actief is en u de meeste problemen met hen heeft gekend. Verder blijkt uit uw verhoor in dringend beroep dat u -in verband met de ontvangst van de anonieme brieven- XIV-17.177-3/6 nagelaten heeft de bescherming in te roepen van de lokale autoriteiten (p. 17). Het feit dat u bang was, dat u geen bewijzen had en dat u niets wist over deze brieven (p. 17), zijn geen afdoende redenen om niet de bescherming van de politie in te roepen. Men zou immers verwachten dat u -vooraleer uw land te verlaten en internationale bescherming in te roepen- eerst alle mogelijkheden zou hebben uitgeput om in uw land van oorsprong bescherming te krijgen voor de 7e bedreigingen. Het feit dat u niet naar de politie kon gaan omdat het broederschap 'connecties heeft in de maatschappij' (p. 10), is evenmin afdoend. U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u dit gehoord heeft van uw vriend Prince Emmanuel Debia maar u gaf hiervoor geen verdere aanwijzingen (p. 10). Bovendien kunnen uw verklaringen, zowel met betrekking tot uw problemen met het studentenbroederschap, als uw verklaringen in verband met het ontvangen van deze anonieme brieven in vraag gesteld worden, aangezien u deze feiten geheel onvermeld liet tijdens uw verhoor voor de dienst Vreemdelingenzaken (zie gehoor dienst Vreemdelingenzaken dd. 2 juli 2003). In eik geval kan worden opgemerkt dat u -door uw vage verklaringen over uw de auteurs van de anonieme brieven- op geen enkele manier aantoont dat het sturen van dergelijke brieven geïnterpreteerd zou kunnen worden als zijnde ‘vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève en aldus verband zou houden met één van de criteria van deze Vluchtelingenconventie. Voor wat betreft uw problemen in verband met het feit dat u in opdracht van de PDP fraude zou hebben gepleegd bij de verkiezingen van 1999 en 2003 kan het volgende worden opgemerkt. U stelde voor het commissariaat-generaal dat u ter gelegenheid van de gouverneursverkiezingen van 1999 in opdracht en tegen betaling van Mr. Obaseki van de PDP fraude pleegde door stembrieven in te vullen voor de PDP (p. 1 l). U beweerde op heterdaad betrapt te zijn door de politie, die u wilde meenemen naar hun kantoor, maar volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal kon uw arrestatie worden verhinderd door tussenkomst van een PDP-leider, Mr. Enehizena (p. 12). Naast de vaststelling dat verkiezingsfraude (tegen betaling) een strafbaar feit is en dat de eventuele (gerechtelijke) vervolging in dit verband geenszins kan worden geïnterpreteerd worden als zijnde ‘vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève, blijkt uit uw verklaringen dat u niet eens (gerechtelijk) vervolgd werd, maar na tussenkomst van een PDP-prominent ongemoeid werd gelaten (p. 12). U verklaarde verder voor het commissariaat-generaal in januari 2002 problemen te hebben gehad met Lezo, die in 1999 verkiezingswaarnemer was geweest, en die u zou gezegd hebben dat u dom was om (in verband met de verkiezingsfraude die u had gepleegd) geld aan te nemen van mensen die u dood wilden (p. 13). Op de vraag van het commissariaat-generaal wie deze ‘mensen die u dood wilden’ waren, antwoordde u dat Lezo u probeerde duidelijk te maken dat de PDP u gebruikte voor fraude (p. 13), wat echter geen antwoord op de vraag is. In eik geval maakte u verder tijdens het interview door het commissariaat-generaal geen melding van het feit dat u door uw deelname aan fraude tijdens de verkiezingen van 1999 -buiten het feit dat u kortstondig opgepakt werd, maar even snel weer vrijgelaten- later nog problemen zou hebben gehad. U stelde zelfs uitdrukkelijk voor het commissariaat-generaal dat u na de verkiezingen van 1999 geen problemen meer kende met de PDP (p. 13). Voor wat de verkiezingen van 2003 betreft, stelde u voor het commissariaat- generaal in opdracht van de PDP onbestaande mensen in het verkiezingsregister te hebben bijgeschreven en vervalste stembiljetten in de stembus te hebben gedeponeerd (p. 15-16), maar u maakte geen melding van het feit dat u hierdoor problemen zou hebben gekregen, laat staan zou zijn vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Verder stelt u niet te kunnen terugkeren naar Nigeria omdat u daar niet de nodige medische verzorging kan krijgen. Telkens u naar het hospitaal ging in uw geboorteland, constateerde men dat u aan reuma leed, hoewel u voor dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u aan een spierziekte leed waarover u geen verdere informatie kan geven (gehoorverslag DVZ vraag 42), en in het hospitaal vertelden ze u dat ze voor reuma geen verdere behandeling hadden. Dit is echter een probleem van sociaal-economische aard dat echter niet ressorteert onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Uit al het voorgaande blijkt dat u tijdens uw gehoor in dringend beroep nergens concreet formuleert van welke instantie(s) of perso(o)n(en) u daadwerkelijk vervolging vreest en evenmin dat uw vervolging verband zou houden met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève. U blijkt verder niet in het bezit te zijn van enig document dat een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk zou kunnen maken. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. XIV-17.177-4/6 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1, (A), 2/ van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), dat de door haar aangebrachte feiten in die zin moeten worden gelezen, dat zij vreest om in haar land van herkomst te worden vervolgd omdat zij fraude heeft gepleegd tijdens de verkiezingen en dat de commissaris-generaal niet heeft aangeduid op basis waarvan hij heeft uitgemaakt dat de verzoekende partij niet beantwoordt aan de criteria van die Vluchtelingenconventie; 2.
  4. Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op duidelijke wijze in die beslissing kunnen worden gelezen zodat de verzoekende partij er kennis van heeft kunnen nemen en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt; dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij die motieven kent en ze inhoudelijk aanvecht; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot een herhaling van haar standpunt dat zij aan de voorwaarden voldoet om als vluchteling te worden erkend; dat dient te worden herhaald dat de Raad van State niet bevoegd is om zich in de plaats te stellen van de overheid en de asielaanvraag opnieuw ten gronde te beoordelen; dat de verzoekende partij met de loutere herhaling van haar eigen standpunt de hierboven geciteerde vaststellingen van de commissaris-generaal niet weerlegt; dat zij voorbijgaat aan de motieven dat zij tijdens het verhoor in dringend beroep nergens concreet formuleert van welke instanties of personen zij daadwerkelijk vervolging vreest, noch dat haar vervolging verband zou houden met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat zij daarmee niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het XIV-17.177-5/6 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.177-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.