← België

Arrest 142921 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.921 Rolnummer: A. 143915/XIV-17542 Zaak: Arrest 142921 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 10:03 Fiche Arrest nr 142.921 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.921 van 11 april 2005 in de zaak A. 143.915/XIV-17.542 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 13 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 14 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-17.542-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 7 januari 2003 en zich vluchteling verklaart op 8 januari 2003; dat op 22 januari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 13 oktober 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de XXX nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van K. U bent van T. origine. U was lid van de D.j (DVPA) van 1362 (XXX kalender; 1983-1984) tot 1371

(1992). In diezelfde periode werkte u als ontmijner bij het leger. Na de val van het communistische regime van N. kende u geen problemen met de nieuwe machthebbers, met name de M., omwille van uw politieke achtergrond. In 1374
(1995)kwam uw neef H. van de Verenigde Staten naar P. met de bedoeling zijn huis in XXX te verkopen. Uw andere neef, E., wilde deze verkoop afhandelen, maar hij werd ontvoerd door A., een neef van commandant F., omdat A. in de veronderstelling verkeerde dat E. was. U deed aangifte van deze ontvoering bij de politie. A. werd daarop gearresteerd en werd gedurende lange tijd opgesloten in de gevangenis. In de maand mizan van 1374 (september 1995) werd u door drie mannen in elkaar geslagen en ze beschuldigden u ervan A. verklikt te hebben. Hierna bent u in de wijk R. van K. gaan wonen. U begon te werken als geldwisselaar en kende geen problemen tot de maand qaus van 1380 (november-december 2001). Toen zag A. u terug in uw wisselkantoor. U werd door hem opgepakt en opgesloten in de P. vallei. U verklaarde dat dit geen officiële gevangenis was, maar deel uitmaakte van de persoonlijke basis van A. U zat daar elf maanden opgesloten in een kelder tot uw broer u kon helpen ontsnappen via het omkopen van een bewaker. Uw broer bracht u naar P. waar uw gezin reeds twee dagen was. Jullie reisden naar T. waarna u afzonderlijk verder naar België reisde. U kwam hier aan op 7 januari 2003 en vroeg hier dezelfde dag asiel aan. Uw vrouw S. (O.V.5.418.952) is op 5 mei 2003 aangekomen in Beigïe met uw vier kinderen en vroeg op 6 mei 2003 asiel aan. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u uw asielaanvraag steunt op motieven die kennelijk vreemd zijn aan asiel, aangezien ze geen verband houden met de criteria bepaald bij art. 1, par. A, lid 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Zo dient te worden vastgesteld dat u XXX verlaten hebt omwille van de problemen met één bepaalde persoon, namelijk A. Aan de basis van jullie conflict zou het feit hebben gelegen dat u, naar aanleiding van de ontvoering van uw neef E. zou hebben aangegeven bij de politie waarna hij een lange gevangenisstraf zou hebben uitgezeten. Hij zou zich om deze reden op u hebben willen wreken. U verklaarde daarenboven uitdrukkelijk dat u door A. niet officieel was gearresteerd en dat het louter een persoonlijke kwestie was (gehoorverslag CGVS dd. 13/02/2003, p. 1 l). U maakte bovendien niet aannemelijk dat uw neef ontvoerd zou zijn om één van de redenen die ressorteren onder de Vluchtelingenconventie. Immers volgens uw verklaringen werd uw neef ontvoerd omdat A. en zijn mannen dachten dat hij H. XIV-17.542-2/6 was en omdat ze in de veronderstelling verkeerden dat dit een rijk persoon was (gehoorverslag CGVS, p. 9). Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u nooit enig probleem kende met het regime van de M. of de T. omwille van uw politieke activiteiten tussen 1362
(1983)en 1371 (1992; gehoorverslag CGVS dd. 13/02/2003, pp. 11, 12). Wel bent u begin jaren 90 gearresteerd geweest door de M., maar deze arrestatie moet gezien worden in het kader van de toenmalige conflictueuze situatie tussen M. en Communisten en er kan niet gesteld worden dat u toen persoonlijk zou zijn geviseerd. Voorts dient te worden opgemerkt dat u niet altijd even consequent geweest bent in de loop van uw asielprocedure. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat u geen politieke activiteiten uitvoerde (gehoorverslag DVZ, p. 13). In Dringend Beroep (DB) daarentegen verklaarde u dat u sinds 1362
(1983)lid was van de 'D.' (gehoorverslag CGVS dd. 13/02/2003, pp. 2-3). Daarenboven is het bevreemdend dat u in DB verklaarde dat u aanvankelijk samen met uw echtgenote reisde (gehoorverslag CGVS dd.13/02/2003, p. 14), terwijl u voor DVZ nooit enige allusie heeft gemaakt op het feit dat u samen met uw echtgenote gereisd zou hebben. Deze opmerkingen doen enigszins afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument waardoor uw reisweg en identiteit niet kunnen worden gestaafd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; 2.1.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten niet zonder meer als “bedrieglijk” konden worden beschouwd, dat zij tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van haar politieke activiteiten en van het feit dat zij samen met haar gezin reisde, omdat zij dacht dat dit niet belangrijk was en uit schrik voor represailles vanuit haar land van herkomst; 2.1.
  2. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de XIV-17.542-3/6 bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van het Vluchtelingenverdrag zijn te brengen, kan worden besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij met haar betoog geen afbreuk doet aan de vastgestelde tegenstrijdigheden betreffende haar politieke activiteiten en het feit dat zij samen met haar gezin reisde; dat zij niet ingaat op de vaststellingen van de commissaris-generaal met betrekking tot haar vluchtmotieven, haar neef en het feit dat zij nooit problemen kende met het regime van de M. of de T.; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), dat de door haar aangebrachte feiten in die zin moeten worden gelezen, dat zij represailles vreest van A. aangezien A. door haar toedoen werd gearresteerd, dat zij vreest om te worden vervolgd door de overheid, gelet op de relatie van A. met de huidige minister van Defensie en dat de commissaris-generaal niet heeft aangeduid op basis waarvan hij heeft uitgemaakt dat de verzoekende partij niet beantwoordt aan de criteria van die Vluchtelingenconventie; 2.2.
  4. Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op duidelijke wijze in die beslissing kunnen worden gelezen zodat de verzoekende partij er kennis van heeft kunnen nemen en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt; dat uit de uiteenzetting XIV-17.542-4/6 van het middel blijkt dat de verzoekende partij die motieven kent en ze inhoudelijk aanvecht; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan, dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot een herhaling van haar standpunt dat zij aan de voorwaarden voldoet om als vluchteling te worden erkend; dat dient te worden herhaald dat de Raad van State niet bevoegd is om zich in de plaats te stellen van de overheid en de asielaanvraag opnieuw ten gronde te beoordelen; dat de verzoekende partij met de loutere herhaling van haar eigen standpunt de hierboven geciteerde vaststellingen van de commissaris-generaal niet weerlegt; dat zij daarmee niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat tweede middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-17.542-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.542-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.