id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.923 Rolnummer: A. 143823/XIV-17498 Zaak: Arrest 142923 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:03 Fiche Arrest nr 142.923 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.923 van 11 april 2005 in de zaak A. 143.823/XIV-17.498 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 12 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-17.498-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die, loco advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 4 mei 2003 en zich vluchteling verklaart op 6 mei 2003; dat op 6 mei 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 7 oktober 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart een Soedanees staatsburger te zijn, behorende tot de Jaäliya-stam en afkomstig van Khartoum. Op 2 april 2003 heeft u Soedan verlaten om op 4 mei 2003 in België aan te komen waar u op 6 mei 2003 asiel heeft aangevraagd. U bent in het bezit van een geldig Soedanees identiteitsdocument. Volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal op 30 juli 2003, heeft u in de periode eind 1994- begin 1995 gedurende zes maanden een militaire training gevolgd. Hierna keerde u terug naar huis en legde u de toegangsexamens voor de universiteit af Toen u niet geslaagd bleek te zijn, begon u in het atelier van uw vader te werken. Begin 2001 kregen de jongeren uit uw wijk het idee om een jongerenclub op te richten. Jullie vroegen om toestemming aan het volkscomité van jullie wijk, waarbij u als woordvoerder optrad. Jullie kregen echter geen toestemming, men was bang dat er onzedelijke dingen zouden gebeuren of gebruiken voor politieke doeleinden. Op 15 augustus 2002 kreeg u een convocatie van het volkscomité van uw wijk dat u zich moest gaan aanbieden op het bureau van de rekrutering. Daar werd u, op 16 augustus 2002, doorgestuurd naar het legerhoofdkwartier. U kreeg daar, samen met een veertigtal anderen, te horen dat jullie waren opgeroepen om in het zuiden te gaan vechten voor de Jihad. U merkte op dat u hiertegen was omdat de zuiderlingen ook Soedanezen waren en dat u niet tegen hen wou vechten. U werd hierin gesteund door H. a.-S., een oude kennis van u. Jullie twee werden vervolgens opgesloten in een bureau. Na een aantal uren werden jullie overgebracht naar een detentieplaats, waar u werd gescheiden van Hassan. U werd in een kamer ondervraagd en geslagen. Hierna werd u overgebracht naar een andere kamer, waar al zes á zeven mensen zaten, waaronder H. a.-S.. U zat daar drie dagen opgesloten, de vierde dag werd u opnieuw ondervraagd. U werd daarna overgebracht naar een individuele cel waar heel de tijd zeer sterk licht brandde. U zat gedurende 15 á 20 dagen in die kamer, toen werd u opnieuw ondervraagd, waarna u terugging naar uw cel. Na 20 á 25 dagen werd u overgebracht naar een klein kamertje waar u bleef tot de dag dat u bent gevlucht uit detentie. Na een tijdje sloot u vriendschap met de bewaker Abdelwahab. Uiteindelijk slaagde u erin om te ontsnappen met de hulp van Abdelwahab. Op 1 april 2003 ging Abdelwahab met u naar het ziekenhuis, vanwaar u kon vluchten naar zijn huis. Van daar bent u naar Port Soedan gegaan waar u de boot naar België heeft genomen. B. Motivering Er dienen enkele ernstige tegenstrijdigheden en omissies te worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat- generaal (CGVS). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo legde u volgende tegenstrijdige verklaringen af over uw detentieperiode, zijnde uw concrete vluchtaanleiding volgens uw verklaringen: Voor de DVZ verklaarde u immers dat de XIV-17.498-2/5 persoon die u verhoorde tijdens de tweede ondervraging niet dezelfde persoon was als tijdens de eerste ondervraging (zie gehoorverslag DVZ p g), terwijl u voor het CGVS stelde dat het wel dezelfde persoon was (zie gehoorverslag CGVS p 29). Verder beweerde u voor de DVZ dat de kamer waar u na uw tweede ondervraging werd opgesloten, volledig verduisterd was (zie gehoorverslag DVZ p 9). Echter, voor het CGVS stelde u dat er voortdurend erg sterk licht brandde in de kamer, dat nooit werd gedoofd (zie gehoorverslag CGVS p 30). U verklaarde eveneens voor de DVZ dat u slechts gedurende ongeveer één week zat opgesloten in die kamer, en dat u na één week werd overgebracht naar een andere cel (zie gehoorverslag DVZ p g). Voor het CGVS beweerde u echter dat u er 15 á 20 dagen was opgesloten, nog eens werd ondervraagd, en opnieuw in die kamer opgesloten voor 20 à 25 dagen (zie gehoorverslag CGVS p 30-31). Daarnaast stelde u voor de DVZ dat uw familie op de hoogte was van uw detentie doordat Abdelwahab hen had bezocht (zie gehoorverslag DVZ p 9), maar voor het CGVS verklaarde u dat u dacht dat het hoofdkwartier hen misschien op de hoogte had gebracht en dat Abdelwahab ook uw familie bezocht, maar dat u feitelijk niet meer wist hoe uw familie juist op de hoogte was (zie gehoorverslag CGVS p 32-33). Met betrekking tot de periode dat u uw militaire training heeft gevolgd, beweerde u voor de DVZ dat het van april 1994 tot november 1994 was (zie gehoorverslag DVZ p 8), terwijl u voor het CGVS stelde dat u dacht dat u ergens op het einde van 1994 begon met uw militaire training die zes maanden duurde, u dacht tot begin 1995 (zie gehoorverslag CGVS p 6). Verder verklaarde u voor de DVZ, betreffende de plaats waar u opgesloten zat, dat u niet kon volgen waar de auto jullie naartoe bracht, omdat jullie gebogen zaten, maar dat u in de loop van uw detentie te weten was gekomen dat u zat opgesloten in een gebouw in Omdurman (zie gehoorverslag DVZ p 9). Echter, voor het CGVS beweerde u dat u had gevoeld dat jullie in Omdurman zaten, omdat u aan het geluid van de wagen had gehoord dat jullie over een brug waren gereden (zie gehoorverslag CGVS p 27). Tenslotte verklaarde u voor het CGVS, toen u gevraagd werd naar de reden dat u opgesloten zat, dat dit kwam doordat de jongeren van uw wijk toestemming hadden gevraagd aan het volkscomité om een jongerenclub te openen (waarbij u de woordvoerder was), wat werd geweigerd en dat deze aanvraag de feitelijke reden was dat u werd geconvoceerd om te gaan vechten in het zuiden van Soedan (zie gehoorverslag CGVS p 19-20, 24). Voor de DVZ heeft u echter geen gewag gemaakt van deze aanvraag voor een jongerenclub, wat uiterst merkwaardig is, gezien u voor het CGVS beweerde dat het de aanleiding was van uw problemen die uw concrete vluchtaanleiding vormen. Toen u voor het CGVS werd geconfronteerd met deze omissie, antwoordde u dat u het niet goed wist maar dat het snel moest gaan, dat u voor de DVZ over veel zaken niet hebt gesproken en dat u bang was en niet goed wist wat te zeggen (zie gehoorverslag CGVS p 37). Dit is echter geen afdoende verklaring, aangezien u in het begin van het interview voor het CGVS uitdrukkelijk heeft verklaard dat u geen opmerkingen had over het interview voor DVZ en dat het goed was verlopen (zie gehoorverslag CGVS p l). Bovendien blijkt uit het verslag van het gehoor op de DVZ dat u uw verhaal wel degelijk uitgebreid /kon vertellen. Dergelijke opeenvolgende tegenstrijdigheden en omissies doen grondig afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Het door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde document, namelijk uw nationaliteitscertificaat, is niet van die aard om bovenstaande argumentatie te wijzigen, aangezien het een document betreft dat identiteitsgegevens bevat, waar hier niet aan wordt getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen do 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2 al 2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen XIV-17.498-3/5 (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten niet zonder meer als “bedrieglijk” konden worden beschouwd en dat de tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de psychische weerslag van de detentieperiode in haar land van herkomst, gedurende dewelke zij diverse malen werd gefolterd; 2.
- Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van het Vluchtelingenverdrag zijn te brengen, kan worden besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij, door op louter algemene wijze te beweren dat de tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de psychische weerslag van de detentieperiode in haar land van herkomst, niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is; XIV-17.498-4/5
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-17.498-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div