id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.933 Rolnummer: A. 158285/IX-4725 Zaak: Arrest 142933 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 10:05 Fiche Arrest nr 142.933 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.933 van 11 april 2005 in de zaak A. 158.285/IX-
- In zake : Filip DE BAERE, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Filip DE BAERE op 10 december 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 8 oktober 2004 waarbij hij wordt afgezet uit zijn betrekking van postman; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor verzoeker, en van eerstaanwezend inspecteur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4725-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker was tewerkgesteld in het postkantoor Gent
- Op 29 juli 2003 wordt hij, op een ogenblik dat hij met ziekteverlof is, op een voertuig van De Lijn betrapt met een vervallen abonnement “stadsgebied Gent” van De Post. Hij beweert dat zijn werkgever reeds een nieuw abonnement voor hem heeft aangevraagd maar dat hij het nog niet heeft ontvangen. Op 4 augustus 2003 gaat hij naar de diensten van De Lijn en toont er een nieuwe “omnipass” die hij naar eigen zeggen in opdracht van zijn werkgever heeft aangekocht en die zijn werkgever hem zou vergoeden. Op 6 augustus 2003 vraagt De Lijn aan de postmeester van Gent 1 of verzoeker bij De Post werkzaam is en of zijn beweringen met de werkelijkheid overeenstemmen. 1.
- Op 19 augustus 2003 wordt verzoeker hierover door de personeelsverantwoordelijke van Gent 1 ondervraagd. Hij verklaart dat in de loop van het vorige jaar al zijn documenten werden gestolen, dat hij daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie, dat zijn brieventas werd teruggevonden maar zonder zijn identiteitskaart, zijn rijbewijs, zijn militair paspoort en zijn abonnement bij De Lijn en dat hij reeds een nieuwe identiteitskaart, rijbewijs en persoonlijk abonnement bij De Lijn heeft. Hij ontkent ook dat hij 29 juli 2003 op de bus zat en suggereert dat het iemand anders was met zijn gestolen papieren. IX-4725-2/9 1.
- Op 12 september 2003 verklaart hij aan de postmeester dat hij de diefstal van zijn abonnement had aangegeven bij zijn toenmalige dienstleider die inmiddels gepensioneerd is. 1.
- Bij nader onderzoek blijkt dat de identiteitskaart van verzoeker niet nieuw is en dat het nummer ervan overeenstemt met het nummer van de identiteits- kaart van de persoon die op de bus door de controleur werd genoteerd; dat De Post geen nieuw abonnement heeft aangevraagd en dat postabonnementen verbonden zijn aan diensten en niet aan personen en dat zij na het vervullen van de dienst opnieuw moeten worden afgegeven; dat De Post ook nooit opdracht heeft gegeven aan verzoeker om een nieuwe ‘omnipass’ te kopen; dat de op de bus gecontroleerde persoon, die volgens verzoeker niet hijzelf was maar iemand die zich van zijn gestolen papieren bediende, verklaarde naar Merelbeke te moeten wat ook de woonplaats van verzoeker is en dat die persoon ook blijkt te weten hoe een postabonnement werkt; dat verzoeker, in tegenstelling tot zijn verklaring aan de postmeester dat hij niet op de bus zat, aan De Lijn verklaarde dat hij nog steeds zijn oud abonnement bij zich had en die verklaring als Filip DE BAERE heeft onderte- kend en dat de toenmalige dienstleider van verzoeker formeel ontkent ooit weet te hebben gehad van een aangifte door verzoeker van verlies van een postabonnement. 1.
- Op grond van deze elementen stelt de postmeester voor verzoeker te straffen met de afzetting omwille van diefstal en oneigenlijk gebruik van een postabonnement en wegens het afleggen van leugenachtige verklaringen daarover. Als verweer tegen dat voorstel stelt verzoeker dat hij op het ogenblik van de controle in de autobus ziek was en op krukken liep; dat bij de confrontatie met de betrokken controleur van De Lijn dit een voor hem onbekende dame bleek te zijn en dat hij reeds ruim voor de feiten met baardgroei was begonnen terwijl de controleur beweerde dat de persoon die zij destijds voor zich had geen baard droeg. 1.
- De postmeester behoudt evenwel zijn standpunt en op 26 februari 2004 legt hij verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op. 1.
- Verzoeker tekent beroep aan bij de commissie van beroep die op 15 september 2004 unaniem van mening is dat de feiten bewezen zijn en met zes tegen één adviseert dat de afzetting een gepaste straf is. IX-4725-3/9 Zij motiveert haar advies als volgt : “Het oorspronkelijk vergrijp werd vastgesteld door een controleur van de lijnbus. Op zich was dit geen feit dat zware gevolgen zou kennen moest hij geen leugenachtige verklaring aan de controleur hebben afgelegd en geen tegen- strijdige rechtvaardiging op de formulieren 9 hebben geschreven. Nu lag de situatie anders. De verhalen die hij opdiste omtrent de diefstal van zijn portefeuille, het misbruiken van zijn gestolen paspoort, vervanging van het rijbewijs en het waarschijnlijk gebruik van het vervallen abonnement door de dief, bleken niet te kloppen. Nadat hij was betrapt schreef hij in de door hem ondertekende verklaring van DE LIJN dat hij zijn oude abonnement nog bij zich had ondanks hij bij zijn werkgever een nieuw had gevraagd. Op het formulier 9 werd geschreven dat uit de teruggevonden portefeuille zijn paspoort, rijbewijs, militair paspoort en het busabonnement waren verdwenen. Hij zou al een nieuwe identiteitskaart hebben ontvangen. Men stelde echter vast dat het oude nooit werd vervangen. Tegenover de Commissie verklaarde hij dat hij zich destijds vergiste en dat zijn paspoort niet verdwenen was maar zijn rijbewijs, geld en een lidkaart van een vereniging. Nu sprak hij niet meer over het abonnement terwijl hij in zijn eerste verklaring nooit vermeldde dat er geld verdwenen was. Hij probeerde met alle middelen zich uit de benarde situatie waarin hij zichzelf bracht te redden maar raakte verstrikt in een reeks van leugens. Na grondige overleg achten alle leden van de Commissie de feiten bewezen. Op de vraag of dergelijk element bij De Post nog thuishoort werd door de meerderheid ontkennend geantwoord”. 1.
- Op 8 oktober 2004 zet de postmeester verzoeker definitief af met ingang van diezelfde dag. Hij motiveert zijn beslissing door te verwijzen naar de feiten, zijn eigen motivering van 26 februari 2004 en naar het advies van de commissie van beroep wiens motivering hij integraal vermeldt. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt op 11 oktober 2004 aan verzoeker betekend.
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4725-4/9 2.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat de materiële motivering faalt aangezien de feiten waarop de straf steunt, met name het oneigenlijk gebruik van een postabonnement en het afleggen van leugenachtige verklaringen in dat verband, niet stroken met de realiteit; dat hij immers steeds verklaard heeft dat hij niet de persoon was die op de bus zat maar dat zijn portefeuille werd gestolen met daarin zijn postabonnement; dat er bijgevolg een derde op de bus is geweest met het gestolen postabonnement dat “op verzoekers naam stond”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met op- merkingen antwoordt dat de directe chef van verzoeker in zijn motivering alle argumenten van verzoeker heeft weerlegd en dat uit die motivering duidelijk blijkt dat het verhaal betreffende een derde persoon die gebruik zou maken van verzoekers abonnement een aantal tegenstrijdigheden bevat waarvoor deze nooit een verklaring heeft kunnen geven; dat de vaststellingen van De Post door verzoeker steeds genegeerd worden ook nog tijdens de zitting van de commissie van beroep en in zijn verzoekschrift; dat zijn verhaal over het gebruik van een gestolen abonnement door een derde, wordt tegengesproken door de identiteitskaart van de betrokkene die bij de controle werd getoond, door de uitgiftedatum van zijn zogenaamd nieuwe identiteitskaart en door het feit dat verzoeker zich na de bewuste controle heeft aangeboden bij De Lijn om zijn vervallen abonnement te rechtvaardigen; 2.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verwerende partij terecht geen geloof kon hechten aan de bewering van verzoeker dat niet hij maar wel een derde op de bus werd betrapt met het vervallen abonnement; dat zijn versie immers wordt tegengesproken door een aantal vaststellingen; dat het nummer van de identiteitskaart die werd getoond bij de controle overeenkomt met het nummer van de identiteitskaart die verzoeker in zijn bezit heeft; dat die identiteitskaart volgens een eerste verklaring gestolen zou zijn en dat de brieventas van verzoeker zou zijn teruggevonden zonder de identiteitskaart maar dat nadien verzoeker teruggekomen is op die verklaring en thans beweert dat zijn identiteitskaart zich wel nog in zijn teruggevonden brieventas bevond; dat indien het niet verzoeker was die op de bus werd gecontroleerd de vraag rijst waarom hij zich dan enkele dagen later bij De Lijn aanbood om zich te verantwoorden aangezien indien hijzelf niet was gecontroleerd hij niet op de hoogte kon zijn van die controle en in dat geval men er kan van uitgaan dat hij alles in het werk zou hebben gesteld om op dat ogenblik aan te tonen dat hij er niets mee te maken had; dat de argumenten die IX-4725-5/9 verzoeker ter zijner verdediging aanvoert hiertegen niet kunnen opwegen; dat het middel niet ernstig is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing strijdig is met de bepalingen van artikel 6, § 2, van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met het beginsel “nemo tenetur se ipsum prodere”; dat hij hierbij uiteenzet dat de bestreden beslissing is gesteund op het oneigenlijk gebruik van een postabonnement, feit waarvan wordt gezegd dat dit op zich niet zo*n zware gevolgen diende te hebben, het afleggen van leugenachtige verklaringen ten opzichte van de controleur van De Lijn en ten opzichte van de tuchtorganen van De Post; dat het liegen betreffende een misstap geen aanleiding kan geven tot bestraffing aangezien een verdachte niet kan worden gehouden zichzelf te beschuldigen; dat zelfs al zou verzoeker hebben gelogen tegen de controleur van De Lijn, dan nog is dit niet voor tuchtrechtelijke bestraffing vatbaar; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel stelt dat door het feit dat zijn leugenachtig gedrag tijdens de tuchtprocedure als tuchtfeit werd gestraft zijn rechten van verdediging werden geschonden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat niet de commissie van beroep maar wel de beslissing van de postmeester de motivering van de straf bevat; dat de leugenachtige verklaringen van verzoeker slechts één onderdeel zijn van de redenen waarom de onmiddellijke chef besluit tot de afzetting van verzoeker; dat een verdachte inderdaad geen elementen te zijnen nadele moet aanbrengen, doch dat dit niet betekent dat hij ongestraft onwaarheden kan vertellen; dat immers van zodra de leugens het imago van De Post kunnen beschadigen en van zodra ze door De Post als kwetsend worden ervaren waardoor het vertrouwen in de betrokkene verdwijnt die feiten wel kunnen dienen als basis om tot een uiteindelijke tuchtstraf te komen; dat het recht op verdediging niet betekent dat een werknemer het recht heeft om het imago van De Post te beschadigen met leugens ten aanzien van derden omtrent de interne werking van De Post; dat de wijze waarop een ambtenaar zich verdedigt en de inhoud van zijn verdediging wel een invloed kan hebben op de algemene appreciatie van de feiten, met name deze “verzwaren of verzachten”; dat verzoeker in casu “de naam van De Post misbruikt om zijn fout te rechtvaardigen ten aanzien van een derde en (...) hij het vertrouwen van De Post zwaar (heeft) aangetast door zijn flagrante leugens”; IX-4725-6/9 2.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat de motivering van de bestreden afzettingsbeslissing niet wordt gegeven door de commissie van beroep, die slechts een advies geeft, maar wel door de postmeester die het orgaan is dat de straf oplegt; dat de motieven voor diens beslissing in de eerste plaats weergegeven zijn in de nota waarmee hij zijn eerste beslissing van 26 februari 2004 staaft en waarnaar hij in zijn definitieve beslissing verwijst; dat, nadat hij eerst heeft gesteld dat het gebruik maken door verzoeker van een vervallen postabonnement tijdens zijn ziekteverlof feiten zijn die volgens hem als oplichting, huisdiefstal en misbruik van vertrouwen kunnen worden gekwalificeerd, hij in die nota besluit dat “het feit dat een werknemer zulkdanige houding heeft aangenomen dat er voldoende bezwaren bestaan om hem te verwijzen naar een correctionele rechtbank wegens misbruik van vertrouwen en andere misdrijven, (...) in casu een dringende reden tot ontslag uit(maakt)” en dat “uit het verslag (...) duidelijk de zwaarwichtigheid van de feiten (blijkt)” zodat er hem “niets anders (rest) dan zijn afzetting te vragen, wat niet meer dan proportioneel zou zijn gezien de hem ten laste gelegde feiten”; dat hieruit kan worden afgeleid dat volgens de postmeester de feiten zelf, zonder het gedrag van verzoeker tijdens de tuchtprocedure in rekening te brengen, al volstaan om de afzetting te verantwoorden en dat indien er ook zwaar werd getild aan verzoekers houding tijdens de tuchtprocedure dan kan dit op het eerste gezicht voor de postmeester geen determinerend element zijn bij het bepalen van de strafmaat; dat de houding van verzoeker tegenover de personeelsleden van De Lijn zich buiten elke straf- of tuchtprocedure situeert en niettemin vragen doet rijzen nopens zijn moraliteit en een smet op De Post als diens werkgever heeft gelegd, zodat dit gedrag van verzoeker tegenover De Lijn mee in de tuchtprocedure kon worden betrokken; dat zijn houding tijdens de tuchtprocedure evenwel geen doorslaggevend element is geweest bij het bepalen van de straf; dat aldus de rechten van verdediging niet geschonden lijken; dat het tweede en derde middel niet ernstig zijn; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij hierbij uiteenzet dat, gesteld dat hij zich inderdaad met een vervallen postabonnement op de bus had begeven, de straf volkomen onevenredig is; dat hij ook verwijst naar de mening hierover van de commissie van beroep; dat hij hieraan toevoegt dat het feit dat hij zich niet op een eerlijke manier zou hebben verdedigd niet tot strafverzwaring kon leiden; IX-4725-7/9 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de commissie van beroep weliswaar van mening is dat de leugenachtige verklaringen de doorslag geven voor een zware bestraffing maar dat dit niet wil zeggen dat ook de postmeester die mening deelde; dat de postmeester van oordeel was dat de verschil- lende feiten tezamen de straf hebben bepaald en dat gelet op al die feiten het in redelijkheid niet ondenkbaar is dat de tuchtoverheid de samenwerking met verzoeker wenst te beëindigen wegens een definitieve vertrouwensbreuk en dat de afzetting dan de enige straf die “de werkrelatie (...) definitief beëindigt”; 2.
- Overwegende dat de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt bij het beoordelen van de redelijkheid van de strafmaat; dat dit betekent dat zij alleen die straf als strijdig met het evenredigheids- beginsel kan bevinden die dermate buiten verhouding staat tot de zwaarte van de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de overheid bij de bepaling van de strafmaat niet alleen rekening dient te houden met de persoonlijke situatie van de betrokken ambtenaar, maar ook en vooral, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat de verwerende partij te dezen terecht opwerpt dat niet blijkt dat, zoals de commissie van beroep, ook de postmeester van mening was dat het gebruik van een vervallen postabonnement op zich geen zware straf verantwoordde; dat de postmeester integendeel van mening was dat dit feit moet worden gekwalificeerd als “oplichting, huisdiefstal en misbruik van vertrouwen” die volgens hem de verwijzing van verzoeker naar een correctionele rechtbank verantwoorden; dat er voldoende aanwijzingen zijn dat verzoeker, wetens en willens, tijdens zijn ziekteverlof en derhalve voor verplaatsingen die niets met de uitoefening van zijn taak te maken hadden, gebruik heeft gemaakt van een abonnement dat ter beschikking gesteld wordt door zijn werkgever en dat enkel mocht gebruikt worden voor dienstverplaatsingen en dat hij blijkbaar dat abonnement bij het beëindigen van zijn dienst niet had ingeleverd zoals was voorgeschreven; dat hij ter verantwoording van het feit dat de geldigheidsduur ervan vervallen was aan derden verklaard heeft dat er reeds een nieuw abonnement was aangevraagd maar dat hij het nog niet had gekregen; dat hij daarmee de goede werking van zijn werkgever in diskrediet heeft gebracht; dat in die omstandigheden de straf van de afzetting niet als kennelijk onredelijk wordt beschouwd; dat het vierde middel niet ernstig is, BESLUIT: IX-4725-8/9 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4725-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.933 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.