← België

Arrest 142934 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.934 Rolnummer: Zaak: Arrest 142934 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:06 Fiche Arrest nr 142.934 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.934 van 11 april 2005 in de zaken A. 157.626/IX-4711 157.933/IX-

  1. In zake : Godelieve SCHEPERS, die woonplaats kiest bij advocaat K. VANOPPEN, kantoor houdende te KERMT-HASSELT, Diestersteenweg 146 tegen : I. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE (SINT-KRUIS), Karel van Manderstraat 123, I I . DE POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Godelieve SCHEPERS op 18 november 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 17 september 2004 van de Administratieve Gezondheidsdienst, optredend als pensioencommissie, waarbij zij op medisch vlak definitief ongeschikt wordt verklaard voor elke functie en waarin wordt gesteld dat zij de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief voortijdig pensioen (zaak A. 157.626/IX-4711); Gezien eveneens het verzoekschrift dat Godelieve SCHEPERS op 26 november 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 27 september 2004 van de “Payroll and Procedures Manager” van DE POST waarbij haar eervol ontslag wordt verleend uit haar functie van postman met ingang van 1 september 2004 en haar aanspraak wordt verleend op een definitief vroegtijdig pensioen (zaak A. 157.933/IX-4717); Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; IX-4711-1/7 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 16 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. NIESEN die, loco advocaat K. VANOPPEN verschijnt voor verzoekster, van advocaat S. HINDERYCKX die, loco advocaten R. DEPLA en M. STUBBE verschijnt voor de minister van Volksgezondheid, en van eerstaanwezend inspecteur P. CLAES, die verschijnt voor De Post; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het met het oog op een goede rechtsbedeling past om de zaken samen te voegen;
  2. Over de gegevens van de zaak. 1.
  3. Verzoekster was statutair postman bij DE POST. Sinds 6 augustus 2001 is zij afwezig wegens psychische problematiek. Aangezien zij door veelvuldige afwezigheden wegens fysische letsels haar ziekteverlof reeds heeft opgebruikt, is zij vanaf die dag ook in disponibiliteit. Op 5 april 2004 vraagt DE POST aan de pensioencommissie verzoekster te onderzoeken teneinde na te gaan of zij niet de voorwaarden vervult om wegens medische redenen vroegtijdig op pensioen te worden gesteld. IX-4711-2/7 1.
  4. Op 6 augustus 2004 deelt de Administratieve Gezondheidsdienst aan verzoekster mee dat de pensioencommissie haar definitief ongeschikt heeft bevonden voor alle functies en oordeelt dat zij definitief vroegtijdig gepensioneerd moet worden. Op 19 augustus 2004 zendt haar raadsgeneesheer in het kader van de door haar ingestelde beroepsprocedure een medisch verslag aan de hoofdgeneesheer-directeur waarin hij de medische redenen aangeeft waarop het beroep steunt. Zij worden als volgt verwoord : “(Verzoekster) is in behandeling geweest voor een depressieve spannings- toestand (...). Thans is haar toestand in die mate geëvolueerd dat ze zich gemotiveerd voelt om terug aan het werk te gaan. (...) Volgende argumenten kunnen in aanmerking genomen worden om haar terug aan het werk te laten:
  5. Psychotische elementen zijn op dit ogenblik in haar klachtenpatroon niet meer aanwezig.
  6. De stemming heeft zich genormaliseerd.
  7. De familiale en sociale contacten hebben zich opnieuw genormaliseerd.
  8. Op professioneel vlak is patiënte vrij gesproken in 1996 van elke zware fout”. 1.
  9. Op 15 september 2004 wordt verzoekster opnieuw onderzocht door de pensioencommissie, ditmaal door de hoofdgeneesheer-directeur, die, na een bijkomend onderzoek van verzoekster, de eerste beslissing bevestigt. De zaak wordt vervolgens voor eindbeslissing overgemaakt aan de hoofdgeneesheer-adviseur-generaal die op 17 september 2004 besluit dat verzoekster wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. Dit is de eerste bestreden beslissing (zaak A. 157.626/IX-4711). Die beslissing wordt met een brief van 20 september 2004 aan verzoekster betekend. 1.
  10. Ingevolge die medische beslissing wordt aan verzoekster bij beslissing van de “Payroll and Procedures Manager” van DE POST van 27 september 2004 eervol ontslag verleend uit haar functie van postman met ingang van 1 IX-4711-3/7 september 2004 en wordt haar aanspraak verleend op een definitief vroegtijdig pensioen. Dit is de tweede bestreden beslissing (zaak A. 157.933/IX-4717).
  11. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.
  12. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de eerste voorwaarde in de zaak A.157.626/IX-4711 als eerste middel aanvoert dat de medische beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en steunt op ontoelaatbare motieven; dat zij slechts summier onderzocht werd door de pensioen- commissie en dat zij medisch ongeschikt werd verklaard omdat zij reeds drie jaar afwezig was terwijl een dergelijke beslissing slechts kan worden genomen op basis van een medisch gemotiveerde lichamelijke ongeschiktheid; dat zij in een tweede middel stelt dat de beslissing van 17 september 2004, haar ter kennis gebracht met een brief van 20 september 2004, alleen de melding bevat dat zij medisch ongeschikt wordt verklaard en dat zij derhalve aan de voorwaarden voldoet om vervroegd gepensioneerd te worden, dat dit evenwel niet toelaat de redenen te kennen voor die vroegtijdige pensionering, dat die beslissing ook geen melding maakt van de rechtsgrond, noch van de feitelijke gronden waarop zij berust, evenmin als een opgave van de elementen waarop de pensioencommissie zich steunt om een beslissing te nemen die ingaat tegen het advies van verzoeksters behandelende geneesheer; 2.1.
  14. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoekster tot driemaal toe grondig werd onderzocht en dat verzoekster ter ondersteuning van haar bewering dat de beslissing haar niet op de hoogte bracht van de motieven, alleen maar wijst op de brief van 20 september 2004 maar dat zij vergeet te vermelden dat er nog een tweede brief van dezelfde datum is die wel de motieven van de beslissing bevat en die motieven meedeelt aan verzoekster, dat deze IX-4711-4/7 motieven afdoende zijn en geen standaardformuleringen zijn maar wel de medische redenen die tot de beslissing hebben geleid, dat die medische redenen trouwens door verzoekster zelf grotendeels zijn bevestigd in haar gesprekken met de behandelende geneesheren aan wie zij heeft toegegeven psychische problemen te hebben gehad en aan wie zij verklaard heeft dat zij haar twijfels heeft omtrent een eventuele werkher- vatting; 2.1.
  15. Overwegende dat met betrekking tot het aangevoerde eerste middel verzoekster niet uiteenzet waarom zij van oordeel is dat zij slechts summier werd onderzocht omdat haar bewering in tegenspraak lijkt met de stukken van het administratief dossier waaruit immers blijkt dat haar toestand terdege werd onder- zocht en dat hierbij rekening gehouden is met haar medische achtergrond en geschiedenis; dat zij bij het eerste onderzoek is onderworpen aan een fysisch medisch onderzoek in verband met de fysische problemen die zij voorheen heeft gehad; dat vervolgens bij het tweede onderzoek uitvoerig aandacht is besteed aan haar psychische toestand; dat derhalve niet wordt ingezien waarin het onderzoek summier of onzorgvuldig zou zijn geweest; dat uit de motieven van de eindbeslissing ook blijkt dat verzoekster medisch ongeschikt wordt geacht omdat zij blijkbaar nog steeds psychische problemen heeft als haar werkgever ter sprake komt, dat zij sinds drie jaar geen enkel contact meer heeft met haar werkomgeving, dat zij zelf twijfelt aan haar slaagkansen van een werkhervatting, dat zij geen ziekte-inzicht heeft, geen regelmatige medische opvolging en dat zij in het verleden psychotische opstoten heeft gehad; dat die redenen de pensioencommissie ertoe gebracht hebben te oordelen dat voor haar de kans op een stabiele werkhervatting bij DE POST zeer klein is; dat derhalve verzoeksters langdurige afwezigheid slechts één element is geweest in een geheel waaruit de pensioencommissie een medische lichamelijke ongeschiktheid afleidt; dat het woord “lichamelijk” dat in de reglementaire formule voorkomt ook niet terecht kan worden beperkt tot “fysisch” en dat ook psychische redenen lichamelijke redenen zijn; dat het eerste middel niet ernstig is; 2.1.
  16. Overwegende dat wat het tweede middel betreft verzoekster over het hoofd ziet dat een tweede blad van het door haar neergelegde stuk 15 de medische motieven bevat en dat dit stuk ook aan haar is gericht; dat ten slotte het niet vermelden van de juridische grondslag alleen tot nietigverklaring kan leiden indien dit verzoekster zou hebben geschaad, wat te dezen niet het geval is; dat het middel niet ernstig is; IX-4711-5/7 2.2.
  17. Overwegende dat verzoekster in de zaak A.157.933/IX-4717 als middel aanvoert dat de bestreden beslissing steunt op een beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst die niet bewezen en onbestaande feitelijke elementen inroept en dat zij, doordat zij naar die onregelmatige beslissing verwijst, ook niet afdoende is gemotiveerd; 2.2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat zij over geen enkele autonome bevoegdheid beschikt inzake de vroegtijdige pensionering van verzoekster en dat zij niets anders kan dan de beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst uitvoeren die als enige dienst overeenkomstig de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, over de medische expertise beschikt om de medische geschiktheid van een werknemer vast te stellen; 2.2.
  19. Overwegende dat artikel 2 van het administratief statuut van de postambtenaren als volgt luidt : “Verliest van rechtswege en zonder opzegging de hoedanigheid van ambtenaar : 1/ (...) 2/ de ambtenaar (...) wiens lichamelijke ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld”; dat de verwerende partij bijgevolg terecht opwerpt dat zij ter zake over een gebonden bevoegdheid beschikt en dat zij verplicht is, indien de Administratieve Gezondheids- dienst, optredend als pensioencommissie, oordeelt dat een werknemer de voorwaar- den vervult om vervroegd op pensioen te worden gesteld, om deze effectief op pensioen te stellen; dat ten slotte hiervoor reeds is aangetoond dat de medische beslissing niet behept lijkt te zijn met gebreken; dat het middel niet ernstig is; 2.
  20. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, IX-4711-6/7 BESLUIT: Artikel
  21. De zaken nrs. A. 157.626/IX-4711 en A. 157.933/IX-4717 worden gevoegd. Artikel
  22. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4711-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.