← België

Arrest 142938 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.938 Rolnummer: A. 87455/IX-2057 Zaak: Arrest 142938 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 10:07 Fiche Arrest nr 142.938 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.938 van 11 april 2005 in de zaak A. 87.455/IX-

  1. In zake : Rudy AERTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy AERTS op 25 oktober 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 9 september 1999 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij zijn tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt tot uiterlijk vier maanden na afloop van de strafvordering; Gelet op het arrest nr. 85.870 van 13 maart 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 28 april 2000 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2057-1/4 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bestreden besluit kadert in de tuchtvordering die tegen verzoeker was ingesteld en die afgesloten is met het koninklijk besluit van 27 februari 2002 waarbij aan verzoeker met ingang van 1 mei 2002 de tuchtstraf van de ambtshalve op pensioenstelling opgelegd is; dat de Raad van State met het arrest nr. 111.508 van 15 oktober 2002 de schorsing van de tenuitvoerlegging van dat tuchtstrafbesluit bevolen heeft en dat hij vervolgens, met het arrest nr. 124.922 van 3 november 2003, de tuchtstraf ook vernietigd heeft, om reden dat de tuchtvordering IX-2057-2/4 ingesteld was met miskenning van de wettelijke bepalingen inzake de verjaring van de tuchtvordering; Overwegende dat, wegens de vernietiging van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf, toepassing gemaakt moet worden van artikel 29, zesde lid, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht -thans artikel 65, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten-, krachtens hetwelk de omstandigheid dat een tuchtprocedure geen aanleiding geeft tot een tuchtstraf die de ambtsontheffing tot gevolg heeft, met zich brengt dat de periode van schorsing omgezet wordt in een periode van werkelijke dienst; dat aldus, mede in acht genomen dat, gelet op het vernietigingsmotief, de verwerende partij de tuchtprocedure niet meer kan hernemen, definitief vastgesteld kan worden dat het onderhavige beroep geen voorwerp meer heeft; dat het beroep niet langer ontvankelijk is; Overwegende dat, gelet op de concrete gegevens van de zaak, het wel passend is de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2057-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-2057-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.938 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.