← België

Arrest 142939 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.939 Rolnummer: A. 55116/IX-1207 Zaak: Arrest 142939 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 10:07 Fiche Arrest nr 142.939 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.939 van 11 april 2005 in de zaak A. 55.116/IX-

  1. In zake : Sonja VANDECASTEELE, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. verzoeker in tussenkomst : Axel JOURET, wonende te OOSTENDE, Stokkellaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sonja VANDECASTEELE op 13 december 1993 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het resultaat van het Selectiecomité van de Zeemacht dd 15 oktober 1993, haar bekend op 15 oktober 1993 waarbij verzoekster niet als eerste werd geselecteerd voor de overgang in ‘Sociale promotie’ van de categorie der beroepsonderofficieren naar de categorie der aanvullingsofficieren en de impliciete weigering haar tot de vorming van aanvullingsofficier 1993 toe te laten”; Gelet op het arrest nr. 46.722 van 29 maart 1994 waarbij het verzoek tot tussenkomst in het administratief kort geding van Axel JOURET wordt verworpen, de vordering tot schorsing van de bestreden beslissingen wordt verworpen en de vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen; IX-1207-1/5 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Axel JOURET; Gelet op de beschikking van 25 april 1994 die de tussenkomst van Axel JOURET afwijst; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 29 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-1207-2/5
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 46.722 van 29 maart 1994 waarbij de vordering tot schorsing van het bestreden besluit verworpen wordt;
  4. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat er in het korps waarvoor verzoekster gekandideerd heeft, voor de Nederlandstalige beroepsonderofficieren slechts één plaats opengesteld is voor de overgang naar het kader van de aanvullingsofficieren; dat krachtens de ter zake toepasselijke regelge- ving, alleen de beroepsonderofficieren die door het selectiecomité in batige orde gerangschikt zijn, door de minister van Landsverdediging als kandidaat-aanvullings- officier aanvaard kunnen worden en dat alleen zij toegelaten worden tot de desbetreffende vorming; dat, aangezien verzoekster door het selectiecomité slechts op de derde plaats gerangschikt werd, zij niet in aanmerking kon komen om aanvaard te worden en om de opleiding te volgen; dat in die zin de “impliciete weigering” om haar tot de opleiding toe te laten, het uitsluitend gevolg is van en vervat ligt in haar rangschikking; dat het belang bij het bestrijden van die impliciete beslissing afhangt van de gegrondheid van het beroep tegen die rangschikking; 3.
  5. Overwegende dat verzoekster de vernietiging vordert van de beslissing van 15 oktober 1993 van het selectiecomité in de mate dat zij niet als eerste gerangschikt werd; dat evenwel uit de door de auditeur-verslaggever inge-wonnen inlichtingen blijkt dat de enig batig gerangschikte, J. DEBRUYKER, bij koninklijk besluit van 26 september 1994 aangesteld is in de graad van vaandrig-ter-zee tweede klasse en dat hij bij koninklijk besluit van 24 april 1995 benoemd is in die graad en dat verzoekster die beslissingen niet met een annulatieberoep bestreden heeft; dat daaruit volgt dat de nietigverklaring van de door het selectiecomité opgestelde rangschikking, in de mate dat niet verzoekster maar J. DEBRUYKER als eerste en enig benoembare werd voorgesteld, aan verzoekster geen enkel voordeel meer kan opleveren, aangezien zij, na vernietiging van de rangschikking, onmogelijk nog in de enig vacantverklaarde betrekking benoemd zal kunnen worden; dat verzoekster dienvolgens het rechtens vereiste actueel belang ontbeert; IX-1207-3/5 3.2.
  6. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie betoogt dat zij nog wel belang heeft bij haar beroep om reden dat alleen een vernietiging haar “nog een kans biedt op de door haar nagestreefde promotie”, aangezien zij niet langer kan deelnemen aan een wedstrijd sociale promotie voor de overgang naar het officierenkader, aangezien de Raad van State -het arrest nr. 66.420 van 27 mei 1997- reeds besloten heeft dat na een vernietiging er retroactief een regularisatie van de loopbaan kan gebeuren en aangezien de verwerende partij voor een andere kandidaat, die wegens een foute berekening van de anciënniteit als tweede gerangschikt werd, een deugdelijke oplossing gevonden heeft; dat zij daar aan toevoegt dat zij in geval van vernietiging een vordering in schadevergoeding zal kunnen instellen en dat de situatie waarin zij zich bevindt duidelijk onderscheiden is van de situatie die de wetgever heeft bedoeld bij het invoeren van de voorwaarde van het belang; 3.2.
  7. Overwegende dat verzoekster, wegens de definitieve benoeming van J. DEBRUYKER in de enige betrekking die op basis van de bestreden rangschikking te begeven was, geen voordeel meer kan halen uit een vernietiging van de rangschikking opgemaakt door het selectiecomité; dat de verwijzing naar het arrest nr. 66.420 niet relevant is, aangezien in dat geval een andere reglementering gold, terwijl er in dat geval ook niet vastgesteld is moeten worden dat de nuttig gerangschikte laureaten van het examen reeds definitief benoemd waren; dat de omstandigheid dat het bestuur eigener initiatief aan een bepaalde kandidaat een voordeel toegekend heeft omdat zijn rangschikking niet correct was opgesteld, niet betekent dat in dit geval het bestuur, in geval van vernietiging, ten overstaan van verzoekster een gelijkaardig initiatief zal moeten nemen; dat tenslotte, zoals de Raad van State onder meer in het arrest VRANCKX, nr. 118.682 van 28 april 2003 heeft gewezen, het voordeel verbonden met het vergemakkelijken van de bewijsvoering in een vordering tot schadeloosstelling, een onrechtstreeks belang vormt dat niet volstaat om het vereiste actueel belang nog aanwezig te achten; dat verzoekster voor het overige niet aantoont waarom haar situatie niet deze zou zijn welke de wetgever bedoelde toen hij de voorwaarde van het actueel belang instelde; IX-1207-4/5 Overwegende dat het beroep bij gebrek aan actueel belang niet langer ontvankelijk is; dat, aangezien verzoekster niet verantwoordelijk is voor het teloorgaan van het belang, de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het verzoek tot tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de verzoeker in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-1207-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.