id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.940 Rolnummer: A. 81025/IX-1535 Zaak: Arrest 142940 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 10:08 Fiche Arrest nr 142.940 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.940 van 11 april 2005 in de zaak A. 81.025/IX-1535. In zake : Kristien DE WITTE, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand en Landbouw. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kristien DE WITTE op 9 november 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het besluit van de secretaris-generaal van het bestuur voor het Landbouwbeleid van het ministerie van Middenstand en Landbouw van 8 januari 1996 tot stopzetting vanaf 8 juli
(1986)van de LIF-tussenkomsten ten voordele van verzoekster”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; IX-1535-1/5 Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. VASTERSAVENDTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 12 april 1985 keurt het Landbouwinvesteringsfonds een voorstel goed waarbij een nationale en een communautaire tussenkomst en een waarborg wordt aanvaard in een krediet van 1 900 000 BEF dat verzoekster bij de CERA Bank aanging voor de ontwikkeling van een tuinbouwbedrijf. Tezelfdertijd wordt ook het bedrijfsontwikkelingsplan van verzoekster goedgekeurd. 1.
- Op 8 juli 1986 wordt de Coöperatieve Vennootschap ‘De Wassende Maan’ opgericht, met als doel “de productie en de verdeling van biologisch-dynamische land- en tuinbouwproducten”. Verzoekster is een van de medeoprichters. Zij wordt afgevaardigd-bestuurder van de vennootschap. 1.
- Op voorstel van de directeur-generaal van het bestuur voor het Landbouwbeleid, dienst Financiering landbouwbeleid, van het ministerie van Middenstand en Landbouw, beslist de secretaris-generaal van het ministerie van IX-1535-2/5 Middenstand en Landbouw op 8 januari 1996 met het thans bestreden besluit de toegekende steun stop te zetten vanaf 8 juli 1986, de dag van oprichting van de coöperatieve vennootschap. Hij bepaalt de terug te vragen rentetoelage op een bedrag van 690 206 BEF. 1.
- De beslissing van de secretaris-generaal wordt op 9 februari 1996 ter kennis gebracht van de CERA-bank, die op haar beurt op 29 april 1996 verzoekster verwittigt van de “intrekking van de rentesubsidie op haar krediet- rekening” met de mededeling dat zij 442 341 BEF verschuldigd is en haar op 17 september 1997 formeel ingebreke stelt om het bedrag te betalen. 1.
- Op 13 augustus 1998 deelt de raadsman van verzoekster aan de verwerende partij mee dat zijn cliënte “nooit kennis (heeft) kunnen nemen van (de beslissing van 8 januari 1996)" en dat hij een afschrift van het besluit zou willen ontvangen. Op 10 september 1998 verzendt de verwerende partij een kopie van het bestreden besluit. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat de Raad van State niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, aangezien de bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat verzoekster de door haar aangegane verbintenis om een bedrijfseconomische boekhouding te voeren niet nagekomen is, dat zij derhalve contractbreuk gepleegd heeft en zelf aan de basis ligt van het bestreden besluit; dat zij daar aan toevoegt dat de Raad van State niet bevoegd is om contractuele bepalingen te interpreteren en om de geldigheid en de schending ervan te beoordelen en dat de betwisting bovendien betrekking heeft op de omvang van een aan verzoekster toegekende toelage, waarvoor de burgerlijke rechtbanken bevoegd zijn; IX-1535-3/5 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord daar op antwoordt en in haar laatste memorie herhaalt wat volgt: van een con- tractuele situatie -en een burgerrechtelijke aangelegenheid- is te dezen geen sprake, aangezien er geen rechtstreekse band bestaat tussen de landbouwer die subsidies ontvangt en het Landbouwinvesteringsfonds; de toestand van verzoekster wordt beïnvloed door een eenzijdige beslissing van de overheid, die steun vindt in eenzijdig door de overheid opgelegde voorwaarden; 2.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat de verwerende partij op 12 april 1985, gebruik makend van haar discretionaire bevoegdheid waarover zij op grond van de reglementering betreffende het Landbouwinvesteringsfonds beschikt, aan verzoekster een rentetoelage toegekend heeft; dat de verwerende partij daarmee aan verzoekster een recht heeft toegekend, waarvan zij de naleving bij de hoven en rechtbanken kan afdwingen; Overwegende dat met het bestreden besluit de verwerende partij ingrijpt op de rechten die zij aan verzoekster heeft toegekend en dat verzoekster met het onderhavige beroep wil beletten dat de verwerende partij het recht dat zij haar heeft toegekend, teniet doet of vermindert; dat tussen de partijen aldus een betwisting bestaat over de omvang van het subjectief recht van verzoekster; dat niet blijkt dat de gewone rechter, wegens de discretionaire bevoegdheid van het bestuur ter zake, het geschil niet zal kunnen beslechten en dat verzoekster niet aantoont dat de wetgever de Raad van State bevoegd gemaakt heeft om kennis te nemen van een dergelijk geschil over een subjectief recht dat niet van burgerlijke aard is; dat de Raad van State niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-1535-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN IX-1535-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.940 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div