id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.941 Rolnummer: A. 64499/IX-3129 Zaak: Arrest 142941 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 10:08 Fiche Arrest nr 142.941 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.941 van 11 april 2005 in de zaak A. 64.499/IX-
- In zake : Antonia WELLENS, die woonplaats kiest bij advocaat Z. MISKOVIC, kantoor houdende te LANAKEN, Koning Albertlaan 73 tegen : het VLAAMS COMMISSARIAAT-GENERAAL VOOR TOERISME, thans TOERISME VLAANDEREN, dat woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antonia WELLENS op 13 juli 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 mei 1995 van het Vlaams Commissariaat-Generaal voor Toerisme waarbij haar aanvraag tot het verkrijgen van een kampeerpremie wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 120.624 van 16 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend; Gezien de regelmatig gewisselde bijkomende memories; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; IX-3129-1/7 Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het bijkomend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 120.624 van 16 juni 2003 waarbij de debatten heropend werden met het oog op het onderzoek van het belang van verzoekster, nu uit de overgelegde stukken betreffende haar inschrijving in het handelsregister gebleken was dat zij haar handelsactiviteit op 31 december 1994 overgedragen heeft aan de NV RECREATIEOORD WILHELM TELL, hetgeen de vraag oproept of verzoekster op het ogenblik van het indienen van het beroep wel over het vereiste persoonlijk belang beschikte;
- Overwegende dat verzoekster in de memorie die zij in het kader van het bijkomend onderzoek heeft ingediend, laat gelden dat haar belang beoordeeld moet worden met inachtneming van haar situatie op de datum dat zij de premie IX-3129-2/7 aanvroeg -31 januari 1991-, dat haar niet ten kwade kan worden geduid dat de administratieve procedure meer dan vier jaar aangesleept heeft en dat haar belang ook nu nog bestaat, aangezien zij zelf kosten heeft gemaakt voor de moderniserings- werken waarop het bestreden besluit betrekking heeft en zij met de premie een tegemoetkoming wenst te ontvangen voor de inspanningen die zij indertijd geleverd heeft; dat zij daar aan toevoegt dat, aangezien de werken die zij gedaan heeft wel degelijk moderniseringswerken zijn, zij “gerechtigd is op de premie”, dat daaruit haar geïndividualiseerd belang kan worden afgeleid terwijl de overdracht van haar handelszaak geen weerslag heeft op “het principe van het recht op toekennen van de premie zoals deze door verzoekster reeds verworven was”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat uit artikel 41 van de wetten betreffende het handelsregister, gecoördineerd op 20 juli 1964 (hierna: de gecoördineerde wetten op het handelsregister) blijkt dat verzoekster op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep ingeschreven moest zijn in het handelsregister, terwijl niet blijkt dat verzoekster op 13 juli 1995 dergelijke inschrijving bezat, aangezien zij op 31 december 1994 haar handelsactiviteit gestaakt heeft en overgedragen aan de NV RECREATIEOORD WILHELM TELL; dat zij betoogt dat de omstandigheid dat de doorhaling van de inschrijving slechts op 28 november 1995 aangevraagd is, ter zake geen rol kan spelen omdat die aanvraag krachtens artikel 13 van de wetten op het handelsregister -een bepaling van openbare orde aangezien de wetgever straffen heeft ingesteld voor de overtreding ervan- uiterlijk op 31 januari 1995 had moeten gebeuren; dat zij dan besluit dat het annulatieberoep zijn grondslag vindt in een activiteit waarvoor verzoekster op het ogenblik van de indiening ervan geen inschrijving bezat; dat zij daar, subsidiair, aan toevoegt dat verzoekster, die bij de overdracht van haar zaak de mogelijkheid had om de kosten die zij had gemaakt te recupereren, niet aantoont dat zij een subjectief recht heeft op de terugbetaling van die kosten -in welk geval de Raad van State overigens niet bevoegd zou zijn om kennis te nemen van het geschil- en dat het enkele belang om een beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het indienen van een burgerlijke vordering tot schadeloosstelling een onrechtstreeks belang vormt; IX-3129-3/7 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij de onontvankelijkheid van het beroep bepleit om reden dat verzoekster op 13 juli 1995 niet in het handels- register ingeschreven was voor de handelsactiviteit, waarin het beroep zijn grondslag vindt; dat overeenkomstig artikel 42 van de gecoördineerde wetten op het handelsregister -bepaling die ten tijde van het indienen van het beroep gelding had- dergelijke onontvankelijkheid gedekt is zo zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld; dat te dezen de verwerende partij in haar memorie van antwoord wel gewezen heeft op het niet-vermelden in het verzoekschrift van het inschrijvingsnummer in het handelsregister -een ontvankelijkheidsvoorwaarde die steunt op artikel 41 van dezelfde gecoördineerde wetten- maar dat zij daar niet vermeld heeft dat toepassing diende gemaakt te worden van artikel 42; dat de exceptie van de verwerende partij om die reden niet ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat, in zoverre verzoekster, teneinde haar persoonlijk belang bij het annulatieberoep te onderbouwen, verwijst naar het bestaan van een recht op de premie, opgemerkt kan worden dat de ter zake toepasselijke reglementering de toekenning van een premie koppelt aan het bestaan van voldoende kredieten op de begroting; dat er dus, behoudens een constitutieve beslissing te dien aanzien, geen sprake kan zijn van een subjectief recht, in welk geval overigens de Raad van State niet meer bevoegd zou zijn om van het geschil kennis te nemen; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster de handelsactiviteit waarop het bestreden besluit betrekking heeft, op 31 december 1994 overgedragen heeft; dat zij haar belang bij het onderhavige beroep legt in de omstandigheid dat zij de premie aangevraagd heeft toen zij de camping nog persoonlijk uitbaatte, dat zij toen persoonlijk kosten heeft gemaakt voor de inrichting van haar eigendom en dat zij die kosten wil recupereren; Overwegende dat het belang, dat door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist is om ontvankelijk een annulatieberoep in te dienen, moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het beroep en dat de verzoeker zijn belang moet behouden tot op het ogenblik van de IX-3129-4/7 uitspraak; dat in dit geval de vraag rijst of verzoekster, wegens de overdracht van haar handelszaak vooraleer het annulatieberoep werd ingesteld en zelfs vooraleer het bestreden besluit getroffen is, wel over een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang beschikte om de beslissing tot weigering van de premie te bestrijden; 2.2.3.
- Overwegende dat verzoekster de door de auditeur-verslaggever in zijn aanvullend verslag gemaakte vaststelling, dat zij niet alleen de uitbating van haar handelszaak maar ook de eigendom van de camping aan de NV RECREATIEOORD WILHELM TELL overgedragen heeft, niet tegenspreekt; dat verzoekster ook niet aantoont dat zij, in het kader van die overdracht, voor- behoud heeft gemaakt voor de verdere persoonlijke uitoefening van de aanspraken die zij kon doen gelden in het kader van haar premieaanvraag, welke op dat ogenblik door het bestuur onderzocht werd; dat, door die overdracht, verzoekster de band met de camping waarop het bestreden besluit betrekking heeft en die haar een persoonlijk belang had kunnen verschaffen, verbroken heeft; 2.2.3.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn aanvullend verslag eveneens vastgesteld heeft dat de verwerende partij, op het ogenblik dat zij het bestreden besluit trof, rekening moest houden met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder premies kunnen worden toegekend aan kampeerterreinen of kampeer- verblijfparken en dat artikel 8 van dat besluit voorschrijft aan wie de premie “uitbetaald” moet worden, met name aan de persoon die de premie heeft aangevraagd en die hetzij de eigenaar-vergunninghouder van het kampeerterrein is, hetzij de eigenaar die de werken op eigen kosten heeft uitgevoerd en die aantoont dat het kampeerterrein nog voor negen jaar verhuurd is, hetzij de vergunninghouder die de werken op eigen kosten heeft uitgevoerd en die aantoont dat de eigenaar instemt met de uitvoering der werken en verzaakt aan zijn recht van natrekking; dat in hetzelfde verslag vastgesteld is dat uit de libellering van voornoemd artikel 8 opgemaakt kan worden dat de vermelde hoedanigheden moeten bestaan op het ogenblik van de aanvraag én op het ogenblik van de uitbetaling en dat die interpretatie bevestigd wordt door andere bepalingen van het besluit, waaruit blijkt dat de premie niet zozeer IX-3129-5/7 gekoppeld is aan de persoon van de aanvrager dan wel aan de uitbating -zo bepaalt artikel 4, b), dat de aanvrager de verbintenis moet aangaan de premie terug te betalen in geval aan de inrichting een andere bestemming wordt gegeven; zo stelt artikel 7 een globaal maximumbedrag vast voor de premies per kampeerterrein of kampeerverblijfpark-; dat de auditeur-verslaggever daar dan de conclusie aan verbindt dat, aangezien verzoekster op 18 mei 1995 geen eigenaar of huurder meer was van het betrokken kampeerterrein, zij op dat ogenblik geen premie meer uitbetaald kon krijgen, wat insluit dat de verwerende partij geen gunstig besluit over haar aanvraag kon treffen zodat verzoekster het vereiste persoonlijk belang ontbeert om het getroffen weigeringsbesluit met een annulatieberoep te bestrijden; 2.2.3.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie de door de auditeur-verslaggever ingenomen stelling niet betwist; dat de Raad van State er in die omstandigheden mee kan volstaan de redenering uit het auditoraatsverslag, zoals hiervoor weergegeven, bij te vallen en vast te stellen dat verzoekster op 13 juli 1995 het wettelijk vereiste persoonlijk belang ontbeerde om het onderhavige annulatie- beroep in te dienen; dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. IX-3129-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-3129-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.941 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.