id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.943 Rolnummer: A. 87135/IX-2035 Zaak: Arrest 142943 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:09 Fiche Arrest nr 142.943 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.943 van 11 april 2005 in de zaak A. 87.135/IX-
- In zake :
- Rose-Marie VANHEMELRIJCK,
- Viviane BICKE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE, Karel van Manderstraat
- tussenkomende partij : Marina GIRARDIN, die woonplaats kiest bij advocaat H. DEMEESTER, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rose-Marie VANHEMELRIJCK en Viviane BICKE op 5 oktober 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 1 juli 1999 door de minister belast met de Volksgezondheid, waarbij aan Marina GIRARDIN een vergunning wordt verleend voor het openen van een voor het publiek opengestelde officina te Sint-Ulriks-Kapelle, in de Brusselsestraat, bouwgrond sectie B, nr. 225 b, tussen de woningen met nrs. 71 A en 71; IX-2035-1/26 Gelet op het arrest nr. 86.261 van 27 maart 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 mei 2000 door verzoeksters; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 juni 2000; Gelet op de beschikking van 22 juni 2000 die de tussenkomst van Marina GIRARDIN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van verzoeksters en de laatste memorie van de verwerende partij ; Gelet op de beschikking van 21 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor verzoeksters, van advocaat S. HINDERYCKX, die loco advocaten IX-2035-2/26 R. DEPLA en M. STUBBE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. DEMEESTER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 16 februari 2005; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op gunstig advies van de commissie van beroep, gemotiveerd doordat de geplande apotheek voldoet aan de afstandsvoorwaarde van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, en doordat zij niet enkel een beroep kan doen op 2.153 inwoners van Sint-Ulriks-Kapelle en delen van Asse, zoals aanvaard door de vestigingscommissie, maar ook op 379 inwoners van Sint-Martens-Bodegem, verkrijgt Marina GIRARDIN bij ministerieel besluit van 31 juli 1990 een vergunning voor het openen van een apotheek te Sint-Ulriks-Kapelle, in de Brusselsestraat, bouwgrond sectie B, nr. 225 b tussen de woningen nr. 71 A en nr.
- Voordien had de vestigingscommissie, op 20 maart 1989, een ongunstig advies verleend, in essentie omdat wel is voldaan aan de afstandsvoorwaarde maar de geplande vestiging in de meest gunstige omstandigheden slechts beroep zou kunnen doen op 2.153 inwoners. De adviezen van de Provinciale Geneeskundige Commissie, van de farmaceutische inspecteur en van de twee meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties, de Algemene IX-2035-3/26 Pharmaceutische Bond en Ophaco, waren ongunstig. Het advies van de gouverneur werd niet tijdig verleend zodat het geacht werd gunstig te zijn. Het advies van de Inspecteur-generaal van de apotheken was eveneens ongunstig. 1.
- Bij arrest nr. 69.899, van 1 december 1997, vernietigt de Raad van State op verzoek van de huidige verzoeksters die vergunning, in essentie omdat de beslissing en het advies van de commissie van beroep niet gemotiveerd zijn door de overweging dat door de vestiging wordt voorzien "in de noden van een afgelegen woonkern", aangezien dit een geografisch gegeven is met een duidelijke afscheiding ten aanzien van de bestaande woongebieden, waarvan in de bestreden beslissing geen sprake is en het bestaan niet is aangetoond. 1.
- Met een brief van 28 april 1999 aan de tussenkomende partij deelt de bevoegde minister mee dat hij de vestigingscommissie/de commissie van beroep gevraagd heeft zo spoedig mogelijk een nieuw advies uit te brengen gelet op de publicatie in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 1999 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september
- Tegelijk wordt benadrukt dat zij er alle belang bij heeft zo spoedig mogelijk aanvullende en geactualiseerde gegevens, met name een stratenplan op schaal met aanduiding van de voorgestelde invloedssfeer, de bestaande apotheken en de vestigingsplaats, officiële bevolkingsattesten anno 1999 met inwoners per straat en de afstanden tussen de geplande apotheek en de bestaande apotheek, te bezorgen aan de commissie, met afschrift voor de farmaceutisch inspecteur. Met een brief van dezelfde datum vraagt de minister de voorzitter van de vestigingscommissie om de aanvraag van de tussenkomende partij, gelet op het uitgesproken annulatie-arrest en rekening houdend met het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999, zo spoedig mogelijk opnieuw aan de vestigingscommissie voor te leggen en om zo spoedig mogelijk het advies van de vestigingscommis- sie/commissie van beroep mede te delen zodat over deze aanvraag een nieuwe beslissing zou kunnen worden genomen. IX-2035-4/26 1.
- Met een brief van 10 mei 1999 bezorgt de tussenkomende partij aan de minister een dossier bevattende een stratenplan met vermelding van de straatnamen en de invloedssfeer, een stafkaart van de omgeving, officiële attesten anno 1999 aangaande de bevolking in de invloedssfeer (inwoners per straat), de afstanden tussen de vestiging van de tussenkomende partij en de bestaande apotheken en de algemene informatie, dossier dat volgens de brief tegelijk werd overgemaakt aan het secretariaat van de commissie van beroep en aan de bevoegde farmaceutisch inspecteur. 1.
- Volgens het advies van de commissie van beroep van 23 juni 1999 werd de farmaceutisch inspecteur op de zitting van 26 mei 1999 gehoord in zijn verslag, alsmede de tussenkomende partij en haar raadsman die alsdan besluiten neerlegde. 1.
- In haar advies van 23 juni 1999 bevestigt de commissie van beroep het eerder ingenomen standpunt dat voldaan is aan de afstandsvoorwaarde van ongeveer 1 km, aangezien de dichtstbijgelegen apotheken zich op 1,4 km resp. 1,8 km bevinden en dat een totaal van 2.532 inwoners zonder twijfel aan te nemen is, zoals reeds aanvaard in het advies van 1990, aantal dat volgens de besluiten van aanvraagster thans 2.916 bedraagt, zodat aan de wettelijke voorwaarden om toegestaan te worden is voldaan. In het advies wordt verder verwezen naar het uitgesproken annulatie-arrest en het koninklijk besluit van 25 maart 1999, waardoor de criteria overconcentratie en afgelegen woonkern worden geschrapt. De terzake meest relevante overwegingen van het advies luiden verder als volgt : “In het advies van de Commissie van beroep van 20 maart 1990 werd onder meer reeds gesteld : ‘De volgende inwoners zijn op de geplande apotheek aangewezen : - 1.345 inwoners van de deelgemeente St. Ulriks-Kapelle, vestigingsplaats van de geplande apotheek; - 442 inwoners van de wijk Bekkerzeel, aanpalende gemeente Asse; IX-2035-5/26 - 366 inwoners van de straten Vrijhout-Hoogpoort en Petrus Ascanusstraat van de gemeente Asse, hetzij in totaal 2.153 inwoners. Verzoekster (apothekeres Marina Girardin) roept eveneens in dat het onmogelijk is aan te nemen dat geen enkele inwoner van de deelgemeente St. Martens-Bodegem zou aangewezen zijn op de geplande apotheek. Zij stelt dat minstens 379 inwoners van deze deelgemeente aangewezen zijn op de geplande apotheek en dat aldus het wettelijk quorum van 2.500 inwoners bereikt is. In verband met de invloedssfeer van de geplande apotheek in de deelgemeente St. Martens-Bodegem legt zij het verslag dienaangaande van expert Van Lancker voor. De expert heeft duidelijk rekening gehouden met de invloedssfeer van de twee dichtstbijgelegen apothekers, namelijk deze van apotheker Van Hemelrijck, gelegen in St. Martens-Bodegem en deze van apotheker Bické, gelegen in Groot-Bijgaarden, respectievelijk gelegen op 1,4 km en 1,8 km van de geplande vestiging. De expert stelt dat aldus uitsluitend in funktie van de twee dichtstbijgelegen apotheken een totaal aantal inwoners van 265 - wonende in de straten vermeld in zijn verslag - ongetwijfeld aangewezen zijn op de geplande officina. Apothekeres Marina Girardin beroept zich eveneens op : 26 inwoners van Smidse 41 inwoners van Hertbrempt 22 inwoners van Nieuwe Wolsemstraat 23 inwoners van een gedeelte van de Wolsemstraat 2 inwoners van de Schoolstraat. Deze straten met uitgesproken geheelvorming hebben een rechtstreekse verbinding met de geplande apotheek langs de Tenbroekstraat en is aldus gemakkelijker te bereiken dan de apotheek Van Hemelrijck. Deze 114 inwoners (26+41+22+23+2) dienen aldus terecht gerekend te worden tot de invloedssfeer van de geplande officina. Het totaal aantal inwoners dat is aangewezen op de geplande officina, bedraagt aldus : 1.345 inwoners van de deelgemeente St. Ulriks-Kapelle 442 inwoners van de wijk Bekkerzeel 366 inwoners van de voornoemde straten van de gemeente Asse 265 inwoners behorende tot de invloedszone bepaald door expert Van Lancker 114 inwoners behorend tot de invloedszone gesteld door meester De Meester ------- 2.532 inwoners (totaal). Een totaal van 2.532 inwoners zonder twijfel aan te nemen is. In de laatste besluiten van mevrouw Marina Girardin, neergelegd op de zitting van 26 mei 1999, wordt ook nog duidelijk aangetoond dat het voornoemd inwonersaantal van 2.532, thans 2.916 bedraagt. Overwegende dat de Commissie van beroep oordeelt dat de gevraagde vestiging voldoet aan de wettelijke voorwaarden om toegestaan te worden”. IX-2035-6/26 1.
- Bij het thans bestreden besluit van 1 juli 1999 verleent de bevoegde minister de bestreden vergunning, zich aansluitende bij het advies van de commissie van beroep en verwijzende naar het koninklijk besluit van 25 maart 1999;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1.
- Overwegende dat de verzoeksters in een eerste middel schending van de motiveringsplicht aanvoeren; dat zij stellen dat artikel 4, § 3, 2/, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, vereist dat de minister zijn gemotiveerde beslissing neemt binnen drie maanden volgend op het definitief advies van de vestigingscommissie of de beroepsinstantie, zodat de bestreden beslissing door een eigen motivering moet zijn gedragen, terwijl de minister in casu in die beslissing niet zegt om welke redenen hij zich bij het advies van de commissie van beroep aansluit; 2.1.1.
- Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen antwoorden dat de bestreden beslissing gemotiveerd is door verwijzing naar het annulatie-arrest nr. 69.899 en naar het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999 alsmede door verwijzing naar het aangehechte advies van de commissie van beroep waarbij de minister zich aansluit, zodat het doel van de motiveringsplicht is bereikt en aangenomen dient te worden dat de overheid de motivering van dat advies heeft overgenomen en deze integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing, zonder dat vereist is dat bijkomend uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom een advies wordt gevolgd; 2.1.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat louter een verwijzing naar het eerdere vernietigingsarrest, de geldende reglementering en het aan de grondslag van de beslissing liggende advies niet volstaat, ook niet wanneer de minister stelt zich erbij aan te sluiten en dat, aangezien de reglementering vereist dat de minister zelf beslist, dit impliceert dat uit zijn beslissing afdoende moet blijken welk zijn eigen oordeel is omtrent de feitelijke en juridische elementen van de zaak, minstens dat hij zegt waarom hij zich aansluit bij het advies van de beroepscommissie, IX-2035-7/26 wijl hij anders zijn beoordelingsbevoegdheid in feite onrechtmatig zou delegeren aan een commissie; 2.1.2.
- Overwegende dat binnen het raam van het administratief contentieux de formele motiveringsplicht, ten opzichte van degene ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen, onder meer tot doel heeft hem een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat aan die vereiste is voldaan wanneer de beslissing verwijst naar het advies van een adviserend orgaan, waarbij de tot beslissen bevoegde overheid zich aansluit, indien de belanghebbende ook kennis krijgt van de inhoud van dat advies en dat laatste zelf afdoende gemotiveerd is; dat alsdan niet bijkomend gemotiveerd dient te worden waarom het advies wordt gevolgd; dat met andere woorden, indien de beslissing zelf geen motivering bevat en inzonderheid de overheid het advies zonder enig voorbehoud volgt en niet naar andere gegevens verwijst, aangenomen moet worden dat de overheid de motieven van dat advies heeft overgenomen en ze tot de hare heeft gemaakt; 2.1.2.
- Overwegende dat ter zake aan al die voorwaarden voldaan is; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1.
- Overwegende dat de verzoeksters in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 4, § 3, 4/, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen en van de artikelen 101 en 103 van het Gerechtelijk Wetboek; dat zij uiteenzetten dat de commissie van beroep onregelmatig was samengesteld, aangezien deze krachtens het toenmalige artikel 4, § 3, 4/, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, bestaat uit drie magistraten die behoren tot een hof van beroep of een arbeidshof, terwijl uit het advies niet blijkt dat de drie leden lid zouden zijn van een hof van beroep, hof dat bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep, of van een arbeidshof, hof dat bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale IX-2035-8/26 zaken, terwijl bij weten van verzoeksters W. DE CROCK, voorzitter, advocaat- generaal is bij het Arbeidshof te Brussel en dus niet beschouwd kan worden als magistraat van een arbeidshof; dat zij betogen dat de leden van het openbaar ministerie immers hun ambtsplichten vervullen bij het hof of de rechtbank waarbij zij zijn aangesloten en waarbij zij worden benoemd (zie bv. de artikelen 143 en 145 van het Gerechtelijk Wetboek en dat tevens uit artikel 151 en 153 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat leden van het openbaar ministerie ambtenaren zijn waarvan, aangezien zij deels onder hiërarchisch gezag van de minister van Justitie staan, de door de wetgever vereiste onafhankelijkheid als leden van de vestigingscommissie en het beroepsorgaan volgens verzoeksters niet gewaarborgd is; 2.2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij stelt dat artikel 4, § 3, 4/, van het koninklijk besluit nr. 78 vereist dat de commissie van beroep is samengesteld uit magistraten die behoren tot een hof van beroep of een arbeidshof zonder als voorwaarde te stellen dat het gaat om een lid van de zittende magistratuur; dat het volgens haar volstaat dat het gaat om een magistraat, te meer daar zowel de raadsheren in het hof van beroep of arbeidshof (art. 101 en 103 Gerechtelijk Wetboek) als de advocaten-generaal bij zulk een hof (art. 144-145 Gerechtelijk Wetboek) behoren tot een hof van beroep of een arbeidshof; dat zulks volgens haar ook blijkt uit artikel 58 van het Gerechtelijk Wetboek, hetwelk stelt dat dit wetboek de organisatie regelt van de hoven van beroep en arbeidshoven; dat volgens de verwerende partij de verzoeksters een voorwaarde aan de wet toevoegen en het niet relevant is of W. DE CROCK al dan niet magistraat is van het openbaar ministerie; dat de verwerende partij tevens stelt dat het koninklijk besluit nr. 78 enkel tot doel had de commissie samen te stellen uit beroepsmagistraten en dat het openbaar ministerie steeds het algemeen belang voor ogen heeft; 2.2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij hetzelfde verweer formuleert; dat zij voorts opmerkt, zelfs al erkennend dat dit niet ter zake is, dat de vestigingscommissies en de commissie van beroep gedurende tientallen jaren zijn voorgezeten door leden van de staande magistratuur zonder dat de Raad van State daaromtrent enige opmerking maakte of daarin een vernietigingsgrond zag; IX-2035-9/26 2.2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord herhalen dat het wel kan zijn dat leden van het openbaar ministerie het algemeen belang nastreven, maar dat zij niet worden opgesomd in de artikelen 101 en 103 van het Gerechtelijk Wetboek die de samenstelling regelen van de hoven van beroep respectievelijk de arbeidshoven en dus niet behoren tot die hoven zoals vereist in artikel 4, § 3, 4/, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78; 2.2.2.
- Overwegende dat artikel 4, § 3, 4/, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78, zoals het gold toen de bestreden beslissing genomen werd als volgt luidde : “De vestigingscommissies en de commissie van beroep zijn ieder samengesteld uit drie magistraten, behorende enerzijds tot een rechtbank van eerste aanleg of tot een arbeidsrechtbank, en anderzijds tot een hof van beroep of een arbeidshof”; dat, daargelaten de vraag of de ambtenaren van het openbaar ministerie deel uitmaken van de rechterlijke macht, algemeen wordt aangenomen dat zij, zoals de zetelende magistratuur, behoren tot de rechterlijke orde en “magistraten” worden genoemd; dat dit ook de benaming is welke de ingeroepen wetsbepaling hanteert; dat dan enkel nog de vraag rijst of die bepaling met de woorden “behorende tot” speciaal bedoeld heeft dat de leden -hier van de commissie van beroep- zetelende magistraten moeten zijn een hof van beroep of een arbeidshof, dan wel dat het gaat om magistraten die in de ruimere zin hun functies uitoefenen in of bij een hof van beroep of een arbeidshof; dat voor die tweede mogelijkheid geopteerd dient te worden, ook al doordat de leden van het parket-generaal in artikel 311 Gerechtelijk Wetboek ook worden vernoemd in de ranglijst als "leden van het Hof"; 2.2.2.
- Overwegende dat het tegendeel ook niet blijkt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 4, § 3, 4/, in het koninklijk besluit nr. 78, hetwelk vervangen werd bij de wet van 17 december 1973; dat volgens de memorie van toelichting bij die laatste wet de vestigingscommissies en de commissies van beroep nog enkel uit “magistraten” zijn samengesteld, “ten einde een maximum garantie te bieden voor de rechten van de verdediging en het respect voor de verschillende belangen die door de vestiging van een nieuwe officina op het spel kunnen worden gezet”; dat ook in de Senaatscommissie de bevoegde minister, in een antwoord op IX-2035-10/26 de vraag waarom de minister een ongunstig advies moet volgen, verklaarde vertrouwen te hebben in de “magistraten welke de commissie samenstellen”; dat daarbij nergens blijkt dat de bedoeling was dat de commissies uitsluitend zouden bestaan uit magistraten van de zetel; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1.
- Overwegende dat de verzoeksters in een derde middel de schending aanvoeren van de artikelen 6, § 1, en 7 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 september 1974, de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij daarbij uiteenzetten dat blijkens artikel 6, § 1, van elke aanvraag kennis gegeven moet worden aan de eigenaars van bestaande apotheken in de omgeving, de houders van voor dezelfde omgeving verleende vergunningen alsmede de andere personen die een aanvraag hebben ingediend voor dezelfde omgeving, zodat deze hun opmerkingen en bezwaren kunnen laten gelden en de overheid met kennis van zaken kan beslissen; dat de aanvraag, krachtens artikel 6, § 1, 2/, ook medegedeeld moet worden aan de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties die advies verlenen over de aanvraag (art. 7); dat aangezien blijkens het arrest nr. 58.195, BOSSUYT, van 19 februari 1996, dit oordelen met kennis van zaken impliceert dat men niet beslist op grond van verouderde adviezen aangezien deze, zoals erkend in het arrest nr. 39.554, SPRUYT, van 2 juni 1992, door tijdsverloop achterhaald kunnen zijn, volgens verzoeksters de in het middel geciteerde rechtsregels en beginselen geschonden zijn daar niet blijkt dat de belanghebbende omwonende apothekers, vooraleer de bestreden beslissing genomen werd, in kennis ervan werden gesteld dat de oorspronkelijke aanvraag opnieuw werd onderzocht en de kans kregen hun opmerkingen te geven, hoewel de aanvraag dateert van 1987, het vernietigingsarrest van 1 december 1997 en de procedure pas werd voortgezet in de loop van 1998 - lees 1999 - terwijl intussen het koninklijk besluit van 25 september 1974 was gewijzigd; dat de ingeroepen rechtsregels en - beginselen eveneens geschonden zouden zijn omdat ook niet blijkt dat de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties advies verleend hebben of in staat werden gesteld advies te geven binnen de in artikel 7 bepaalde termijn van zestig dagen; IX-2035-11/26 2.3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 6, § 1, enkel vereist dat van elke aanvraag kennis wordt gegeven aan de in artikel 6, § 1, bedoelde personen en beroepsorganisaties, hetgeen in casu geschied is bij het indienen van de aanvraag en dat, aangezien in casu er geen vergunning werd verleend op basis van een nieuwe aanvraag, geen verplichting bestond om tot nieuwe kennisgevingen over te gaan; dat de verwerende partij verwijst naar het arrest nr. 50.176, VERMAUT, van 21 november 1994, waarin de Raad van State geoordeeld heeft dat de vernietiging van een vergunningsbeslissing geldt erga omnes en met terugwerkende kracht tot de dag voor de beslissing en ook de vernietiging met zich brengt van het advies van de commissie van beroep, zodat de oorspronkelijke aanvraag terug hangende is geworden; dat zij voorts stelt dat de bestreden beslissing niet steunt op een verouderd advies maar op een hernieuwd advies van de commissie van beroep hetwelk verwijst naar het vernietigingsarrest nr. 68.899, van 1 december 1997, het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999, de geactualiseerde stukken van tussenkomende partij en het geactualiseerd verslag van de farmaceutisch inspecteur, zodat wel degelijk met kennis van zaken en op basis van actuele stukken, rekening houdend met alle mogelijke veranderingen van welke toestand ook, werd geadviseerd en beslist; dat volgens haar om dezelfde reden ook de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties geen nieuw advies meer dienden te geven; 2.3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in essentie hetzelfde verweer aanvoert, met de toevoeging dat alle werkelijk gegeven adviezen ongunstig waren en dat de verzoeksters bezwaarlijk kunnen aanvoeren dat zij thans andersluidende adviezen nastreven of verwachten; 2.3.1.
- Overwegende dat de verzoeksters repliceren dat de verwerende partij een zeer formalistisch standpunt inneemt en dat na de eerdere vernietiging de procedure misschien “enkel op het vlak van het advies en de beslissing werd overgedragen” maar dat men niet uit het oog mag verliezen dat de oorspronkelijke aanvraag dateert van 1987 terwijl een behoorlijke besluitvorming impliceert dat deze steunt op gegevens die recent genoeg zijn; dat volgens verzoeksters niets de overheid IX-2035-12/26 belette om opnieuw de adviezen te vragen van de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties en dat de eventuele opmerkingen van deze organisaties en van de belanghebbenden, zeker gelet op het tijdsverloop, van bijzonder nut hadden kunnen zijn; 2.3.2.
- Overwegende dat in dezen, na de nietigverklaring bij het arrest nr. 68.899, van de vergunning verleend op 31 juli 1990, het nieuwe thans bestreden vergunningsbesluit werd genomen na een nieuw advies van de commissie van beroep; dat de in het middel aan de orde gestelde vraag is of dit volstond en niet in feite opnieuw de hele adviesprocedure bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 moest worden overgedaan; 2.3.2.
- Overwegende dat in de regel, wanneer een administratieve rechtshandeling is nietig verklaard en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat zij wordt overgedaan, de administratieve procedure hernomen dient te worden vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan; dat te dezen het arrest nr. 68.899 van 1 december 1997 de eerste vergunning heeft vernietigd wegens verkeerde toepassing door de minister van artikel 1, § 1 en § 3 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in de mate dat hij, het advies van de commissie van beroep bijvallend, de vergunning had verleend zonder na te gaan of de geplande officina zou voorzien in de noden van een afgelegen woonkern; dat de door het arrest beteugelde onregelmatigheid zich aldus heeft voorgedaan in het stadium van de adviesverlening door de commissie van beroep; dat, om aan de wettelijke vereisten te voldoen, de administratieve procedure dan ook in principe vanaf dat punt hernomen moest worden, zonder dat het nodig was de hele vergunningsprocedure van voren af aan opnieuw te voeren; dat, immers, nog steeds beschikt diende te worden over de oorspronkelijke aanvraag; 2.3.2.
- Overwegende dat dan de vraag rijst of de vaststelling dat tussen enerzijds het tijdstip waarop de vergunningsaanvraag werd ingediend en de inspraak- en adviesprocedure -in 1987-1990- en, anderzijds, de thans bestreden vergunning, IX-2035-13/26 welke dateert van 1999, een grote tijdspanne ligt, tot een andere conclusie dient te leiden; 2.3.2.
- Overwegende dat aan de aanvraagster was medegedeeld dat het dossier opnieuw zou worden voorgelegd aan de commissie van beroep, met de raad een geactualiseerd dossier samen te stellen en dit tevens mede te delen aan de farmaceutisch inspecteur; dat uit de voorgelegde stukken, inzonderheid het advies van de commissie van beroep, blijkt dat op 26 mei 1999 de farmaceutisch inspecteur werd gehoord in zijn verslag, evenals de aanvraagster en haar raadslieden, die geactualiseerde stukken neerlegden waaronder recente bevolkingsattesten; dat die stukken vooraf ook aan de farmaceutisch inspecteur waren voorgelegd, zodat deze daarmee rekening kon houden in zijn -blijkbaar mondeling- verslag; dat derhalve kan worden vastgesteld dat het advies, en bijgevolg ook de bestreden beslissing die zich bij dat advies aansluit, steunen op geactualiseerde gegevens; dat zulks ook blijkt uit de verwijzing naar het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999 waarbij het criterium “afgelegen woonkern”, op basis waarvan de eerste vergunning is vernietigd, en het criterium “overconcentratie”, in artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 werden geschrapt; dat, ofschoon men zou kunnen aannemen dat een bestuur van oordeel kan zijn dat, gelet op het verstrijken van een lange termijn sedert de reacties en adviezen ingewonnen bij de verschillende betrokken partijen en overheden overeenkomstig artikelen 6 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, deze niet langer actueel zijn en dat zij met het oog op een behoorlijke voorlichting van de vergunningverlenende overheid opnieuw dienen te worden ingewonnen, verzoeksters te dezen niet concreet en specifiek aantonen waarom de commissie van beroep en desgevallend de minister niet op basis van dit geactualiseerd dossier zoals voorgelegd door de aanvrager en waarover de farmaceutisch inspecteur advies gaf, met kennis van zaken en aan de hand van actuele gegevens hebben kunnen oordelen of aan de voorwaarden om een bijkomende apotheek, op basis van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, te vergunnen voldaan was; dat inzonderheid zij niet aantonen dat gesteund werd op onvolledige of onjuiste gegevens over de plaatselijke toestand; dat zij in het vierde middel van het verzoekschrift enkel de beoordeling in feite daarvan betwisten; IX-2035-14/26 2.3.2.
- Overwegende dat het door de verzoeksters geciteerde arrest nr. 85.195, BOSSUYT, van 19 februari 1996 niet tot de tegengestelde conclusie leidt, aangezien niet blijkt dat aldaar op basis van geactualiseerde gegevens anders kon worden geoordeeld; dat het eveneens geciteerde arrest nr. 39.554, SPRUYT, van 2 juni 1992 enkel stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat, bij een benoeming van een parketsecretaris, een nieuw advies werd gegeven over de benoemde kandidaat zonder dat blijkt dat dergelijke nieuw advies ook gevraagd werd voor of gegeven werd terzake van de verzoeker aldaar en evenmin blijkt dat een essentieel nieuw gegeven, namelijk de wijze waarop deze gedurende één jaar de functie van parketsecretaris heeft uitgeoefend, aan de voordragende ministers ter kennis werd gebracht; dat te dezen echter, zoals gezegd, blijkt dat zowel de commissie van beroep als de minister op de hoogte waren van de nieuwe gegevens in het dossier, in essentie de geactualiseerde stukken voorgelegd door tussenkomende partij en het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999; dat overigens niet kan worden ingezien waarom inzonderheid de versoepeling van de vestigingscriteria tot het inwinnen van nieuwe adviezen en/of raadplegingen aanleiding zou moeten geven, nu de destijds ingewonnen adviezen ook al ongunstig waren toen de oude criteria nog golden; 2.3.2.
- Overwegende dat, in zoverre de schending van de hoorplicht wordt aangevoerd, reglementair bepaald is dat de aanvraag voor opmerkingen respectievelijk advies wordt meegedeeld aan de in de artikelen 6 en 7 bedoelde personen en instanties, en dat die procedure ter zake is nageleefd; dat verzoeksters niet aantonen waarom de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur aan die reglementaire bepalingen een verdergaande inhoud zou geven dan hoger beschreven, afgezien van de vaststelling dat die hoorplicht enkel geldt wanneer tegen een bepaald persoon een ernstige maatregel wordt overwogen gesteund op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, wat niet het geval is bij het vergunnen voor een concurrerende apotheek; dat de ingeroepen hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur ter zake dan ook niet geldt; IX-2035-15/26 2.3.2.
- Overwegende dat het eveneens ingeroepen zorgvuldigheids- beginsel onder meer inhoudt dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en dient te steunen op een correcte feitenvinding; dat niet blijkt dat de verzoeksters de beweerde schending van dit beginsel van behoorlijk bestuur daarbij een andere inhoud geven dan de beweerde schending van de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zodat de bespreking ter zake hier dienovereenkomstig kan gelden; 2.3.2.
- Overwegende dat het derde middel onder al zijn aspecten niet gegrond is; 2.4.1.
- Overwegende dat de verzoeksters in een vierde middel de schending aanvoeren van artikel 1, § 3, a, van het meergenoemde koninklijk besluit van 25 september 1974; dat zij betogen dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat de vergunde vestiging de behoeften dekt van 2.500 inwoners, aangezien de ligging van de bestaande apotheken bij de beoordeling dient te worden betrokken omdat anders steeds de inwoners die woonachtig zijn binnen de helft van de afstand tot de invloedssfeer van de apotheek die wordt ingeplant zouden behoren; dat volgens hen aldus ten onrechte werd aangenomen dat 1.345 inwoners van Sint-Ulriks-Kapelle behoren tot de invloedssfeer van de geplande apotheek, wijl dat cijfer niet beantwoordt aan de realiteit en dus niet aanvaard kan worden als wettige redelijke motivering; dat bij de vergunning van de apotheek van eerste verzoekster, die gelegen is op de grens van Sint-Ulriks-Kapelle en Sint-Martens-Bodegem en op 800 meter van de kerk van Sint-Ulriks-Kapelle, de bevolking van die deelgemeente immers beschouwd zou zijn als behorende tot haar invloedssfeer of, op zijn minst, de inwoners die wonen tussen de Driehofveldlaan en de kerk en voorbij de kerk op de Brusselsestraat tot de invloedssfeer van die apotheek zouden behoren; dat de verzoeksters daarbij stellen dat uit het door hen voorgelegde plan blijkt dat minstens de straten die dichter bij de apotheek van eerste verzoekster liggen, met 324 inwoners, behoren tot de invloedssfeer van die apotheek; dat tevens een deel van Sint-Ulriks-Kapelle, gelegen aan de kant van Groot-Bijgaarden, volgens hen behoort tot de invloedszone van de apotheek van tweede verzoekster, gelegen op 500 m van IX-2035-16/26 de grens van Sint-Ulriks-Kapelle; dat volgens verzoeksters evenmin rekening gehouden mag worden met de 442 inwoners van de wijk Bekkerzeel in Asse, aangezien louter het feit dat deze inwoners dichter wonen niet bewijst dat zij tot de normale invloedssfeer van de vergunde apotheek behoren, te meer daar die wijk van de vestiging is afgesloten door de autostrade Brussel-Oostende waarbij de enige verbindingsweg tussen die wijk en Sint-Ulriks-Kapelle een smalle weg is waar twee auto’s elkaar niet kunnen kruisen; dat om dezelfde reden volgens hen ook de 366 inwoners van de wijk Vrijhout, Hoogpoort en Ascanusstraat in Asse niet in aanmerking komen, te meer daar er in Asse voldoende apotheken zijn; dat de verzoeksters voorts betwisten dat 265 inwoners van Sint-Martens-Bodegem aangewezen zijn op de geplande apotheek, aangezien dit niet afgeleid kan worden louter uit de dichtere afstand: daar het landmetersverslag waarop deze conclusie steunt, niet is voorgelegd, zou dit feitelijk echter niet verder kunnen worden weerlegd; dat verzoeksters tenslotte aanvoeren dat de door de commissie van beroep bijkomend aangenomen 114 inwoners van de straten Smidse, Hertbrempt, Nieuwe Wolsemstraat, Wolsemstraat en Schoolstraat in Sint-Martens-Bodegem ten onrechte in aanmerking zijn genomen, aangezien deze in het centrum van Sint-Martens-Bodegem liggen, dicht bij de kerk, zodat de apotheek van eerste verzoekster niet enkel dichterbij is (2 km i.p.v. 3 km) maar ook gemakkelijker bereikbaar via de Sint-Martinusstraat en Schoolstraat, terwijl de geplande vestiging slechts bereikbaar is via veldwegen waar twee auto’s elkaar niet kunnen kruisen; 2.4.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de commissie bij haar oordeel steunde op de voorgelegde stukken, met name de geactualiseerde stavingsstukken van de tussenkomende partij, het verslag van expert VAN LANCKER, het mondeling verslag van de farmaceutisch inspecteur, de uiteenzetting van de tussenkomende partij en haar raadslieden, alsook op het vernietigingsarrest nr. 68.899 en het wijzigend koninklijk besluit van 25 maart 1999, en concludeerde dat het aantal van 2.532 inwoners, zoals vroeger, zonder twijfel in aanmerking te nemen was, welk aantal dat thans 2.916 bedraagt, en dat de verzoeksters niet aantonen dat dit oordeel kennelijk onredelijk is, terwijl de Raad van State zich bij het bepalen van de invloedssfeer niet in de plaats van de IX-2035-17/26 vergunningverlenende overheid mag stellen tenzij deze kennelijk onredelijk heeft geoordeeld; 2.4.1.
- Overwegende dat ook de tussenkomende partij benadrukt dat het bepalen van de invloedssfeer een feitenkwestie is en dat, om aangenomen te worden als een middel, de beoordeling ervan een kennelijke onredelijkheid dient te vertonen; dat zij er verder op wijst dat de verzoeksters een aantal fouten begaan in hun schattingen; dat aldus zij uit het oog zouden verliezen dat zowel Bekkerzeel als Sint-Ulriks-Kapelle vóór de fusie zelfstandige gemeenten vormden en dat Bekkerzeel volstrekt geen gehucht is, dat de nieuwe vergunning werd toegekend op basis van een geactualiseerde evaluatie van de bevolkingstoestand van de omgeving en rekening houdend met de invloedssfeer van verzoeksters, die voor zichzelf niet spreken van Ternat en andere aanpalende wijken, aanvoeren dat het dichter liggen niet noodzakelijk invloedssfeer betekent maar dit voor zichzelf wel toepassen en kaarten voorleggen die een zeer oppervlakkige, onvolledige en misleidende blik geven van de plaatselijke toestand, terwijl de commissie steunde op een volledige kaart en volledige geografische beschrijving; dat de tussenkomende partij vervolgens het verweer van de verwerende partij herneemt, met de toevoeging dat blijkens het arrest nr. 22.332, CARDOEN, van 10 juni 1982, wanneer wordt gesteld dat de commissie en de minister redelijkerwijze tot het besluit komen dat er 2.500 inwoners zullen zijn aangewezen op een geplande apotheek, dit niet voor kritiek vatbaar is indien althans de geneesmiddelenbevoorrading wordt afgewogen rekening houdend met de bestaande apotheken zonder dat de leefbaarheid ervan een doorslaggevend criterium kan zijn wanneer aan het uitzonderingscriterium is voldaan; 2.4.1.
- Overwegende dat de verzoeksters in hun memorie van wederantwoord enkel verwijzen naar hun verzoekschrift; 2.4.2.
- Overwegende dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het van toepassing was toen de bestreden beslissing genomen werd, als volgt luidde : IX-2035-18/26 “§
- De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn :
- het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen ; §
- Naargelang het bevolkingscijfer van de gemeente : - meer dan 30.000 inwoners - 7.500 tot 30.000 inwoners - minder dan 7.500 inwoners bedraagt, mag het aantal voor het publiek opengestelde apotheken niet hoger zijn dan het quotiënt van de deling van het totaal aantal inwoners door respectievelijk : - 3.000 - 2.500 - 2.000 (....) b) (...). §
- In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan : a) indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.500 inwoners; b) ... c) ...” dat het koninklijk besluit van 25 maart 1999 de criteria overconcentratie en afgelegen woonkern, in artikel 1, § 1, 2/ en 3/ van het koninklijk besluit van 25 september 1974, welke nog bestonden toen de door het arrest nr. 68.899 nietig verklaarde vergunning werd verleend, heeft geschrapt; 2.4.2.
- Overwegende dat niet wordt betwist dat in Sint-Ulriks-Kapelle, gemeente Dilbeek, geen nieuwe apotheek kon worden vergund op basis van het algemeen demografisch criterium van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zodat de nieuwe apotheek enkel vergund kon worden op basis van artikel 1, § 3, a, van het koninklijk besluit van 25 september 1974; 2.4.2.
- Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen terecht stellen dat het in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de daartoe aangestelde bestuursoverheid behoort om in elk geval dat haar wordt voorgelegd te oordelen of de door de aanvrager geplande apotheek voldoet aan de opgelegde criteria en dat de Raad van State dat oordeel niet in de plaats van die overheid kan IX-2035-19/26 overdoen; dat de Raad, belast met de wettelijkheidscontrole, evenwel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld; dat in dezen de Raad van State enkel kan nagaan of het bestuur voormeld artikel 1, § 3, juist heeft toegepast en het op grond van de vastgestelde feiten redelijkerwijze kon oordelen dat de geplande officina op ongeveer 1 km ligt van de dichtstbijgelegen apotheek en de behoeften dekt van minstens 2.500 inwoners; 2.4.2.
- Overwegende dat wat betreft de afstandvoorwaarde in artikel 1, § 3, kan worden volstaan met de vaststelling dat niet wordt betwist dat in casu aan de voorwaarde van een afstand van ongeveer 1 km is voldaan; 2.4.2.
- Overwegende dat de verzoeksters daartegen wel concreet betwisten dat de geplande apotheek de behoeften dekt van 2.500 inwoners; 2.4.2.
- Overwegende dat de commissie van beroep adviseerde dat de geplande apotheek zonder twijfel de behoeften dekt van 2.532 inwoners in de invloedzone zoals reeds in 1990 aangenomen, zijnde : a. - 1.345 inwoners van de deelgemeente St.-Ulriks-Kapelle - vestigingsplaats van de geplande apotheek; b. - 442 inwoners van de wijk Bekkerzeel, aanpalende gemeente Asse; c. - 366 inwoners woonachtig in de ‘Vrijthout-Hoogpoort en de Petrus Ascanusstraat’ in de gemeente Asse; dit alles volgens het eerste advies, gezien de centrale ligging van de geplande officina in de deelgemeente Sint-Ulriks-Kapelle, waar nog steeds geen apotheek gevestigd is; dat voorts uit dat advies blijkt dat de wijk Bekkerzeel met zijn 442 inwoners en de 366 inwoners van de ‘Vrijthout, -de Hoogpoort en de Petrus Ascanusstraat van de gemeente Asse worden aangenomen omdat zij dichter bij de geplande apotheek gelegen zijn dan bij de apotheek DE COCK gelegen op de Gentsesteenweg te Asse en bovendien met de geplande apotheek, langs de kortste weg, verbonden zijn; d. - 265 inwoners van de Tenbroekstraat, de Cuypersstraat, de Vaartstraat, de Wolsemstraat, de Bruekantstraat, de IX-2035-20/26 Sint-Niklaasstraat, de Neestraat, de Solleveldstraat (vroeger Schollstraat) en de Lange Veldstraat in de deelgemeente Sint-Martens-Bodegem ; dit alles op grond van het verslag van expert VAN LANCKER, die rekening hield met de invloedssfeer van de twee dichtstbijgelegen apotheken, namelijk die van apotheker VAN HEMELRIJCK gelegen in St-Martens-Bodegem en die van apotheker BICKE, gelegen in Groot-Bijgaarden, respectievelijk gelegen op 1,4 km en 1,8 km van de geplande vestiging ; e. - bijkomend 26 inwoners van Smidse, 41 inwoners van Hertbrempt, 22 inwoners van Nieuwe Wolsemstraat, 2 inwoners van de Schoolstraat in Sint-Martens-Bodegem, hetzij 114 inwoners ; omdat het geheel dezer straten met uitgesproken geheelvorming een rechtstreekse verbinding heeft met de geplande apotheek langs de Tenbroekstraat en aldus gemakkelijker te bereiken is dan de Apotheek VAN HEMELRIJCK; dat die cijfers toen de thans bestreden vergunning werd verleend blijkbaar als volgt zijn geëvolueerd: a- 1.640 b- 475 c- 376 d+e- 425 hetzij in totaal 2.
- 2.4.2.
- Overwegende dat in zover de verzoeksters stellen dat ten onrechte met heel Sint-Ulriks-Kapelle is rekening gehouden en minstens 324 inwoners daarvan behoren tot de invloedssfeer van de apotheek van eerste verzoekster omdat deze wonen in de straten Brusselstraat (helft), Eksterveld, Kapelleveld, Krekelendries, Molenstraat, Molenkouter, Kwaadbunderweg en Vliet die dichter aansluiten bij die apotheek, vastgesteld dient te worden dat de straten Vliet, Molenstraat, Eksterveld en Molenkouter door die tussenkomende partij toen zij de vergunning voor haar apotheek aanvroeg zelf op het aan de commissie voorgelegde plan niet werden aangeduid als behorende tot haar invloedssfeer; dat de straten Molenkouter en Eksterveld wel in rekening werden gebracht in het bevolkingsattest van Sint-Ulriks- IX-2035-21/26 Kapelle (1.640); dat wat betreft de straat Eksterveld, evenals de Brusselsestraat, Kapelleveld, Krekelendries en Kwaadbunderweg, verzoeksters niet aantonen dat het kennelijk onredelijk is deze te rekenen tot de invloedssfeer van de geplande apotheek, mede gelet op de meer excentrische ligging van de apotheek van eerste verzoekster en de meer centrale ligging van de geplande apotheek; dat de omstandigheid dat bij de vergunning van de apotheek van eerste verzoekster, in 1974, ook rekening zou zijn gehouden met de inwoners van Sint-Ulriks-Kapelle, niet tot een andere conclusie leidt omdat toen, blijkens het door de verzoeksters zelf voorgelegde advies van de commissie van beroep, weliswaar werd gewezen op de afwezigheid van apotheken in Sint-Martens-Bodegem of Sint-Ulriks-Kapelle, maar vervolgens hoofdzakelijk werd verwezen naar de ligging op 600 m van het station van Sint-Martens-Bodegem waar ook de bebouwde kom begint, terwijl Sint-Martens-Bodegem toen trouwens nog een afzonderlijke gemeente was; dat in dat advies vervolgens wordt geconcludeerd dat de demografische toestand voor de gevraagde vestiging gunstig is zonder dat uitdrukkelijk bepaalde inwoners van Sint-Ulriks-Kapelle aan eerste verzoekster werden toegewezen; dat in het gunstig advies voor de op 29 november 1976 aan tweede verzoekster verleende vergunning de commissie van beroep weliswaar overweegt dat met de inwoners van de nabijgelegen gemeente Sint-Ulriks- Kapelle reeds rekening werd gehouden bij het uitreiken van een vergunning voor de vestiging van een bijkomende officina te Sint-Martens-Bodegem, doch de vraag is of hiermee wel de apotheek van eerste verzoekster is bedoeld aangezien, volgens het eerste advies, er toen geen apotheek in Sint-Martens-Bodegem was gevestigd; dat er dan ook niet aangetoond is dat voorheen reeds met de thans voor de vestiging van de apotheek van de tussenkomende partij aangenomen inwoners van Sint-Ulriks-Kapelle rekening werd gehouden om de apotheek van eerste verzoekster te vergunnen; dat men bovendien rekening ermee dient te houden dat, bij de vergunning van de apotheek van eerste verzoekster op 18 maart 1974, het koninklijk besluit van 25 september 1974 nog niet bestond, zodat a fortiori geen toepassing kon zijn gemaakt van de daarin opgenomen criteria, inzonderheid niet van het afwijkingscriterium van artikel 1, § 3; dat zelfs indien toch een deel van de bevolking aan eerste verzoekster zou zijn toegewezen, nog de vraag rijst of die bevolking dan definitief verworven is; dat, immers, zo weliswaar in het verleden is aangenomen dat IX-2035-22/26 een bepaald bevolkingsonderdeel slechts eenmaal in aanmerking genomen kan worden voor vaststelling van de invloedssfeer van een te openen officina, het rekening houden in het verleden met aan vroeger vergunde apotheken toegewezen gebieden op grond van artikel 1, § 3, niet ten eeuwigen dage aan die apotheken voorbehouden kan blijven, met andere woorden dat zij niet blijvend van die toestand mogen en kunnen genieten in het nadeel van andere aanvragers waarvan vast is komen te staan dat zij op grond van die criteria ook in aanmerking komen voor een vergunning; dat overigens, zelfs indien dit wel het geval zou zijn en ook met de voormelde 324 inwoners geen rekening gehouden had kunnen worden, de apotheek van de tussenkomende partij volgens de bestreden beslissing toch nog de behoeften zou dekken van meer dan 2.500 inwoners; 2.4.2.
- Overwegende dat het ook niet kennelijk onredelijk lijkt geen deel van de betrokken bevolking toe te wijzen aan de apotheek van tweede verzoekster, gelegen in Groot-Bijgaarden, aangezien bij de vergunning van die apotheek in 1975 toepassing werd gemaakt van het algemeen demografisch criterium van de bevolking van Groot-Bijgaarden alleen en de apotheek toen de westelijke wijk van Groot- Bijgaarden beoogde; dat de commissie van beroep toen uitdrukkelijk stelde dat het te betwijfelen valt dat de invloedssfeer van de nieuwe apotheek zich zou uitstrekken tot de nabijgelegen gemeente Sint-Ulriks-Kapelle waarmee -althans volgens dat advies- reeds rekening werd gehouden bij de vergunning van een bijkomende apotheek te Sint-Martens-Bodegem; 2.4.2.
- Overwegende wat betreft de 265 in aanmerking genomen inwoners van Sint-Martens-Bodegem, waarvan de verzoeksters betwisten dat zij aangewezen zijn op de geplande apotheek, dat in zoverre de door de commissie van beroep bijkomend aangenomen 114 inwoners van de straten Smidse, Hertbrempt, Nieuwe Wolsemstraat, Wolsemstraat en Schoolstraat in Sint-Martens-Bodegem ten onrechte in aanmerking zouden zijn genomen, ofschoon minstens een aantal van de in Sint-Martens-Bodegem in aanmerking genomen straten, via de Molenstraat en/of Sint Martinusstraat, verbonden zijn met de apotheek van eerste verzoekster, het niet kennelijk onredelijk kan worden geacht deze toe te rekenen aan de geplande IX-2035-23/26 vestiging, gelet op de verbinding via de Tenbroekstraat, welke verbinding soms niet alleen korter, maar ook gemakkelijker is aangezien via die straat de spoorweg gepasseerd wordt over een brug terwijl via de Molenstraat, volgens de stukken in het administratief dossier, men de spoorweg over dient te steken via een bewaakte overweg met slagbomen; dat wat betreft de straten Smidse, Hertbrempt, Nieuwe Wolsemstraat, Wolsemstraat en Schoolstraat, verzoeksters voorts stellen dat vandaar de geplande vestiging slechts bereikbaar is via veldwegen waar twee auto’s elkaar niet kunnen kruisen; dat echter uit geen der voorgelegde plattegronden blijkt dat de verbindingen naar de geplande apotheek smaller zijn dan de verbindingswegen naar de apotheek van eerste verzoekster; dat uit de voorgelegde stafkaart weliswaar blijkt dat deze weg, hoofdzakelijk rond de spoorweg, gedeeltelijk minder bebouwd is dan de Molenstraat, doch hieruit niet zonder meer volgt dat deze weg niet berijdbaar is of bruikbaar als verbindingsweg, noch dat dit een “veldweg” is zoals verzoeksters stellen; 2.4.2.
- Overwegende wat betreft de wijk Bekkerzeel en de Vrijhout, Hoogpoort en Peter Ascanusstraat te Asse, dat met de verzoeksters dient te worden vastgesteld dat deze van de geplande vestiging zijn afgescheiden door de auto- snelweg Brussel-Oostende; dat de straten van de wijk Bekkerzeel echter, via de Bekerzeelstraat-Cyriel Krappestraat (tunnel onder de autostrade) en de Kortemansstraat (brug over de autostrade) toegang hebben tot groot-Dilbeek; dat gelet op de kortere afstand tot Dilbeek het dan ook niet kennelijk onredelijk is te oordelen dat de geplande apotheek, die aan de Brusselsestraat ligt, iets voorbij het kruispunt met de Bekerzeelstraat, de behoeften kan dekken van de inwoners van die wijk, zij het dat zij misschien niet allemaal aangewezen zijn op de geplande apotheek aangezien de Kortemansstraat via de Draaiberg in de Brusselsestraat uitkomt dichter bij de vestiging van tweede verzoekster; dat die straat 29 inwoners telt; dat de aanpalende Kleistraat 28 inwoners telt maar eerst uitkomt in de Cyriel Krabbestraat; dat de Schutstraat 48 inwoners telt maar eveneens uitkomt in die laatste straat, zodat de discussie hoogstens over een vijftigtal inwoners blijkt te kunnen gaan; dat de verzoeksters trouwens de stelling niet betwisten van de commissie van beroep, opgenomen in het advies van 1990 en in 1999 impliciet hernomen, dat deze wijk IX-2035-24/26 dichter ligt bij de geplande apotheek dan bij de apotheek DE COCK in Asse, maar enkel stellen dat de verbinding met Sint-Ulriks-Kapelle een smalle weg is waar geen twee auto’s kunnen passeren; dat dit laatste echter niet concreet wordt aangetoond; dat uit het door de verzoeksters voorgelegde stratenplan bijvoorbeeld niet blijkt dat de Bekkerzeelstraat/Cyriel Krappestraat en Kortemansstraat smaller zijn dan de straten richting Asse; dat zulks ook niet blijkt uit de plattegronden in het administratief dossier; 2.4.2.
- Overwegende dat die conclusie ook kan gelden voor de Vrijhout Hoogpoort en Peter Ascanusstraat, die via de Assestraat (brug over de autostrade) gemakkelijk toegang hebben tot de Brusselsestraat dicht bij de geplande vestiging; dat, hoewel ook hier de vraag rijst of inderdaad alle inwoners van die straten aangewezen zullen zijn op deze apotheek, wijl op basis van het door verzoeksters voorgelegde stratenplan zeker voor de Ascanusstraat de apotheek DE COCK te Asse dichter ligt en even vlot bereikbaar lijkt, opnieuw dient te worden opgemerkt dat verzoekster de conclusie van de commissie van beroep, in het advies van 1990 en in 1999 impliciet hernomen, niet betwist, volgens welke die straten via de kortste weg verbonden zijn met de geplande apotheek; dat zij opnieuw louter stellen dat de verbinding een smalle weg is doch het voorgelegde stratenplan ook nu echter niet aantoont dat bijvoorbeeld de Assestraat (brug over de autostrade), die deze straten verbindt met de Brusselstraat, smaller is dan de verbinding naar Asse; dat, zelfs aangenomen dat alle 325 inwoners van de Peter Ascanusstraat niet in aanmerking zouden kunnen komen, evenals de voornoemde 50 inwoners rond de Kortemansstraat, dan nog echter aan het vereiste van 2.500 inwoners voldaan blijft; 2.4.2.
- Overwegende dat niet is aangetoond dat de beoordeling van de invloedszone kennelijk onredelijk is; dat ook het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- IX-2035-25/26 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoeksters, ieder voor een bedrag van 347,06 euro. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2035-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.943 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.261 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.