← België

Arrest 142944 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.944 Rolnummer: A. 86545/IX-1998 Zaak: Arrest 142944 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 10:09 Fiche Arrest nr 142.944 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.944 van 11 april 2005 in de zaak A. 86.545/IX-

  1. In zake : Sylvain BECKERS, die woonplaats kiest bij advocaten F. COEL en R. COEL, kantoor houdende te MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van MECHELEN, dat woonplaats kiest bij advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te BONHEIDEN, Putsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sylvain BECKERS op 6 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 25 februari 1999 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Mechelen waarbij akte wordt genomen van verzoekers ambtshalve pensionering als gegradueerde verpleegkundige met ingang van 1 oktober 1999; Gelet op het arrest nr. 82.290 van 17 september 1999 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 8 oktober 1999 door verzoeker; IX-1998-1/14 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaten F. EN R. COEL verschijnen voor verzoeker, en van advocaat Th. DE COSTER, doe loco advocaat P. VAN RILLAER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker, die gegradueerde verpleegkundige is bij het OCMW van Mechelen, is op 21 februari 1992 het slachtoffer van een ongeval op de weg van het werk naar huis. IX-1998-2/14 1.
  5. Nadat hij is onderzocht door de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst deelt het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu met een aangetekende brief van 1 september 1998 aan verzoeker mede dat de hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheidsdienst op 17 juni 1998 heeft beslist dat hij momenteel op medische gronden de voorwaarden niet vervult om vroegtijdig te worden gepensioneerd, dat hij definitief ongeschikt is om zijn werkzaamheden op normale en regelmatige wijze te vervullen, doch wel geschikt blijft om tewerkgesteld te worden onder de volgende voorwaarden : rugsparend werk, en dat hij niet is aangetast door een ernstige en/of langdurige ziekte zoals vermeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het Rijkspersoneel. Verzoeker wordt er voorts op gewezen dat indien zijn wedertewerkstelling niet binnen de termijn van een jaar verwezenlijkt is, hem met toepassing van artikel 86, §2, 2/, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vanaf dan het pensioen wegens ongeschiktheid ambtshalve, dus zonder nieuw geneeskundig onderzoek, zal worden verleend. Verzoeker stelt tegen de beslissing van de hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheidsdienst geen beroep in. 1.
  6. Op 1 oktober 1998 stelt verzoeker zich kandidaat voor een deeltijdse betrekking van onthaalbediende in het Stedelijk Onze-Lieve- Vrouwziekenhuis te Mechelen dat onder het OCMW van Mechelen ressorteert. Op uitnodiging van het bestuur neemt hij deel aan de selectieproeven. Met een brief van 29 oktober 1998 wordt hij door de dienst personeelsorganisatie van het OCMW ervan in kennis gesteld dat hij “niet weerhouden werd”. Verzoeker stelt ook tegen deze laatste beslissing geen beroep in. IX-1998-3/14 1.4.. Op 22 oktober 1998 verwijst het Bijzonder Comité Rustoorden van het OCMW de zaak “BECKERS” naar het Bijzonder Comité Algemeen Beleid en Vast Bureau met het advies “dat er in het rustoord geen wedertewerkstelling met rugsparend werk mogelijk is”. 1.
  7. Op 16 november 1998 stelt het Bijzonder Comité Algemeen Beleid en Vast Bureau “op advies van de diensten” vast dat verzoeker wegens de voorgelegde attesten van de Administratieve Gezondheidsdienst niet wedertewerkgesteld kan worden. 1.
  8. Op 25 februari 1999 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn akte te nemen van de dienstbeëindiging van verzoeker met ingang van 1 oktober 1999 ingevolge vroegtijdig medisch pensioen. Dat is de bestreden beslissing. 1.
  9. Op 8 maart 1999 zenden de voorzitter en de secretaris van het OCMW de volgende brief naar verzoeker : “[...] Hierbij deelt de Raad u mede dat in zitting van 25.2.1999 akte werd genomen van uw ambtshalve pensionering als gegradueerde verpleegkundige in het Hof van Egmont met ingang van 1.10.
  10. Hij dankt U voor de goede diensten bewezen aan de instelling en wenst U nog vele jaren een ongestoorde rust. [...]”. 1.
  11. Met een aangetekende brief van 2 juni 1999 deelt de raadsman van verzoeker aan het OCMW mede dat zijn cliënt “verbijsterd” is over hetgeen hem met voormeld schrijven van 8 maart 1999 ter kennis is gebracht. Hij stelt het OCMW in gebreke voor zijn cliënt een functie ter beschikking te stellen die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand. 1.
  12. Met een brief van 7 juni 1999 antwoordt de bestuurssecretaris van de loonadministratie van het OCMW dat de datum van de ambtshalve pensionering van verzoeker behouden blijft op 1 oktober 1999 omdat betrokkene geen beroep heeft IX-1998-4/14 ingediend tegen de “eindbeslissing” van de Administratieve Gezondheidsdienst en ook het OCMW door deze beslissing gebonden is en omdat “de vraag om een wedertewerkstelling, rekening houdend met de AGD-eindbeslissing nl. ‘rugsparend werk’ door de diverse beheerscomités van het OCMW niet werd weerhouden”. 1.
  13. Met een brief van 29 juni 1999 informeert de raadsman van verzoeker bij het OCMW naar de “administratieve beslissing” die genomen zou zijn en waarbij de onmogelijkheid zou zijn vastgesteld om zijn cliënt rugsparend werk aan te bieden. Met een aangetekende brief van 2 juli 1999 informeert hij bovendien naar de beslissing over de “al dan niet benoeming” van verzoeker tot onthaalbediende van het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis. 1.
  14. Met een brief van 8 juli 1999 antwoordt de secretaris van het OCMW dat de administratieve beslissingen die genomen zijn, de eerder genoemde beslissingen van 22 oktober 1998 en 16 november 1998 van respectievelijk het Bijzonder Comité Rustoorden en het Bijzonder Comité Algemeen Beleid zijn. 1.
  15. Op 6 september 1999 dient verzoeker dan het onderhavige verzoekschrift tot nietigverklaring in. 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij twee excepties opwerpt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep; 2.1.
  17. Overwegende dat zij in een eerste exceptie laat gelden dat het beroep op 6 september 1999 laattijdig is ingediend, aangezien de bestreden beslissing reeds met een brief van 8 maart 1999 aan verzoeker was medegedeeld, zodat hij sinds 9 maart 1999 feitelijk kennis ervan had; dat zij daarbij betoogt dat het niet vereist is dat verzoeker kennis kreeg van de volledige tekst van de akte, maar dat het volstaat dat hij op de hoogte was van de voor hem belangrijke bepalingen en dat, indien er voor hem nog enige onduidelijkheid bestaan zou hebben, hij alleszins nagelaten heeft om binnen een redelijke termijn het nodige te doen teneinde kennis te krijgen van de IX-1998-5/14 integrale inhoud; dat volgens de verwerende partij verzoeker ten onrechte ervan uitgaat dat de bestreden beslissing hem pas met een brief van 8 juli 1999 werd medegedeeld : die mededeling is reeds op 8 maart 1999 gebeurd en met de brief van 8 juli 1999 werden slechts de adviezen van het Bijzonder Comité Rustoorden en het Bijzonder Comité Algemeen Beleid ter kennis van verzoeker gebracht; dat zij er ook op wijst dat in het arrest nr. 82.290, van 17 september 1999, over verzoekers vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, reeds werd overwogen dat de bestreden beslissing onmiskenbaar bleek uit de brief van 8 maart 1999 aan verzoeker en dat na de brief van 7 juni 1999 aan zijn adres, bij verzoeker zeker geen twijfel meer mocht bestaan over hetgeen beslist was; 2.1.
  18. Overwegende dat de verwerende partij voorts opwerpt dat de bestreden beslissing een loutere uitvoeringsmaatregel uitmaakt, welke op zich geen rechtsgevolgen teweegbrengt, doch slechts het gevolg is van de beslissing van 1 september 1998 van de minister van Sociale Zaken en dat een beroep bij de Raad van State tegen een dergelijke uitvoeringsmaatregel niet ontvankelijk is; 2.
  19. Overwegende dat verzoeker repliceert door te verwijzen naar zijn eerste annulatiemiddel, waarin hij de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker daarbij laat gelden dat de brief van 8 maart 1999 geen mededeling van een beslissing inhoudt en zelfs niet refereert aan het bestaan van een beslissing, noch aan haar inhoud en dat hij van de “gemotiveerde beslissing” van 25 februari 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn pas kennis heeft gekregen tijdens de onderhavige procedure voor de Raad van State; 2.3.
  20. Overwegende dat de raad voor maatschappelijk welzijn met zijn bestreden beslissing van 25 februari 1999, waarbij akte wordt genomen van de “dienstbeëindiging” van verzoeker met ingang van 1 oktober 1999 “ingevolge vroegtijdig medisch pensioen” weliswaar, doordat de wedertewerkstelling van verzoeker niet binnen het jaar kon worden gerealiseerd, verplicht was om hem conform de beslissing van de hoofdgeneesheer van de Administratieve IX-1998-6/14 Gezondheidsdienst welke op 1 september 1998 door het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu aan verzoeker werd medegedeeld, en bij toepassing van artikel 117, §3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel ambtshalve in ruste te stellen; dat die beslissing nochtans geen loutere uitvoering van de beslissing van die hoofdgeneesheer uitmaakt, maar rechtscheppend is, want noodzakelijk om verzoekers rechtstoestand dienovereenkomstig te wijzigen; dat zij derhalve met een annulatieberoep kan worden bestreden; 2.3.
  21. Overwegende dat de voormelde beslissing van 25 februari 1999 aan verzoeker betekend werd met een brief van 8 maart 1999; dat geen afschrift van de beslissing zelf was gevoegd bij die brief; dat daarbij ook niet werd medegedeeld dat tegen de beslissing binnen de zestig dagen een beroep kon worden ingesteld bij de Raad van State; dat aldus het voorschrift gold van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, luidens welk de verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, alleen een aanvang nemen op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt; dat aangezien ook in de latere briefwisseling geen melding wordt gemaakt van een mogelijkheid van beroep bij de Raad van State, het onderhavige beroep tot nietigverklaring ratione temporis ontvankelijk is; 3.1.
  22. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat door het ontbreken van de minste motivatie of de mededeling van de onderliggende argumentatie, de administratie de facto weigert haar argumenten mede te delen aan de rechter zodat de Raad van State in de onmogelijkheid verkeert om na te gaan of het besluit wordt gedragen door motieven; dat hij voorts stelt dat de feiten op zich onmogelijk konden leiden tot de getroffen beslissing aangezien er wel degelijk rugsparend werk voorhanden is in het OCMW, hij zelfs ervoor solliciteerde en IX-1998-7/14 deelnam aan de bekwaamheidsproeven; dat hij in zijn memorie van wederantwoord nog stelt dat ondanks herhaalde beloften verweerster zich evenmin actief heeft ingezet om voor hem rugsparend werk te vinden; 3.1.
  23. Overwegende dat zoals vermeld de bestreden beslissing constitutief van aard is, met name verzoekers rechtstoestand wijzigt, en zij derhalve onder het toepassingsgebied valt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat artikel 2 van die wet bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 daaraan toevoegt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij afdoende moet zijn; dat het doel van deze formele motiveringsplicht onder meer is, diegene ten opzichte van wie een beslissing is genomen, een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het vlak van de motieven te verweren met de middelen die het recht verschaft; dat zulks dan ook impliceert dat de motieven ter kennis van de betrokkene moeten worden gebracht; Overwegende dat in de onderhavige zaak aan verzoeker geen afschrift is bezorgd van de bestreden beslissing van 25 februari 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn, zodat hij langs die weg geen kennis heeft kunnen nemen van de motieven die in de aanhef van die beslissing worden vermeld; dat hem met een brief van 8 maart 1999 enkel kennis gegeven werd van het dispositief van de bestreden beslissing, namelijk de akteneming van verzoekers ambtshalve pensionering als gegradueerde verpleegkundige met ingang van 1 oktober 1999; dat gelet op hetgeen de hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheidsdienst op 17 juni 1998 met betrekking tot verzoekers vroegtijdige pensionering om medische redenen had beslist, het enige feitelijke motief van deze beslissing kon zijn dat, naar het oordeel van de raad voor maatschappelijk welzijn, geen weder-tewerkstelling van verzoeker in een betrekking met rugsparend werk mogelijk was en het enige juridische motief, het voorschrift van artikel 117, §3, derde lid, van de eerder genoemde wet van 14 februari 1961; dat na de kennisname van de brief van 8 maart IX-1998-8/14 1999 en zeker van de brief van 7 juni 1999 er bij verzoeker geen redelijke twijfel kon bestaan over die motieven, zodat hij in de mogelijkheid was zich in rechte ertegen te verweren, wat hij in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring ook doet; dat aldus het doel van de formele motiveringsplicht ten aanzien van verzoeker is bereikt; dat verzoeker er dan ook geen belang bij heeft de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren; dat verzoeker ook ten onrechte laat gelden dat de Raad van State in de onmogelijkheid zou zijn om na te gaan of het besluit gedragen wordt door motieven; dat, immers, een afschrift van de bestreden beslissing in het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier is opgenomen; Overwegende dat waar verzoeker stelt dat de verwerende partij niet de nodige inspanningen heeft gedaan om voor hem rugsparend werk te vinden, hij inhoudelijke kritiek op de bestreden beslissing levert; dat die kwestie bij de bespreking van de volgende middelen aan de orde is; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  24. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 86, §2, 2/, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en in een derde middel de schending aanvoert van artikel 179 van het personeelsstatuut van het OCMW van Mechelen; dat volgens hem de weigering van de verwerende partij om hem weder tewerk te stellen strijdig is met artikel 86, §2, 2/, van de voornoemde wet van 15 mei 1984 en ingaat tegen “de beslissing van het Ministerie van Sociale Zaken de dato 1 september 1998”, alsook tegen “haar wettelijke verplichting om ambtshalve te trachten vertoger weder tewerk te stellen”; dat hij meer bepaald er op wijst dat de verwerende partij reeds op 22 januari 1993 beloofde zich actief in te zetten om hem in een administratieve functie in te schakelen; dat hij eveneens artikel 179 van het personeelsstatuut geschonden acht, naar luid waarvan het personeelslid dat door de Administratieve Gezondheidsdienst definitief ongeschikt is bevonden voor de uitoefening van zijn functies, maar geschikt voor een aanstelling in andere functies die verenigbaar zijn met zijn gezondheidstoestand, gelijkgesteld wordt met het IX-1998-9/14 personeelslid dat wegens opheffing van zijn betrekking in aanmerking komt voor een wedertewerkstelling; 3.2.
  25. Overwegende dat de wetsbepaling waarvan verzoeker in zijn tweede middel de schending aanvoert, artikel 86, §2, 2/, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, de regeling van artikel 117, §3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, met betrekking tot de vroegtijdige inrustestelling van het personeel van de openbare sector wegens medische ongeschiktheid, aangevuld heeft met een derde lid; dat toen de thans bestreden beslissing werd genomen, die bepaling reeds was vervangen door de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector, en als volgt luidt : “Indien de betrokkene bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt doch geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een ander ambt bij wijze van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld werd, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de voormelde termijn.” Overwegende dat artikel 179, 2/, van het personeelsstatuut, waarvan verzoeker in zijn derde middel de schending aanvoert, bepaalt : “Het personeelslid dat door de administratieve gezondheidsdienst voor de uitoefening van zijn functies definitief ongeschikt wordt bevonden maar vatbaar is om verder aangesteld te worden in andere functies verenigbaar met zijn gezondheidstoestand, wordt gelijkgesteld met het personeelslid dat in aanmerking komt voor wedertewerkstelling. [...] Het personeelslid kan mits inachtneming van de bijzondere eisen voor het te bekleden ambt, bij voorrang wedertewerkgesteld worden in een graad die ten hoogste gelijkwaardig is aan de graad van het betrokken personeelslid. De betrekking waarin het personeelslid kan tewerkgesteld worden, moet vacant zijn. De wedertewerkstelling geschiedt ambtshalve in betrekkingen die overeenstemmen met de graad van het personeelslid. Zij gebeurt op aanvraag van het personeelslid in de andere gevallen.”; IX-1998-10/14 Overwegende dat verzoeker inzonderheid aan de verwerende partij verwijt dat zij weigert of niet de nodige inspanningen heeft gedaan om hem weder tewerk te stellen, niettegenstaande geschikt werk beschikbaar was; Overwegende dat de bestreden beslissing, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, als zodanig geen weigering inhoudt om verzoeker weder tewerk te stellen, doch slechts de vroegtijdige inrustestelling van verzoeker met ingang van 1 oktober 1999 uitspreekt; dat ze wel steunt op het motief dat er geen wedertewerkstelling van verzoeker onder de voorwaarden vastgesteld door de hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheidsdienst mogelijk is; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat dit motief niet deugdelijk zou zijn; dat, immers, verzoeker geen concrete aanwijzingen geeft dat er vóór 1 oktober 1999 een betrekking in een gelijkwaardige graad vacant was, waarin de verwerende partij hem verplicht had moeten aanstellen; dat men daarbij tevens moet bedenken dat hij definitief ongeschikt was om een functie van verpleegkundige waar te nemen en geen rug belastend werk kon uitvoeren, wat redelijkerwijze de mogelijkheden om hem in een gelijkwaardige betrekking tewerk te stellen beperkte; dat hij zelf, zoals de ingeroepen statuutsbepaling voorschrijft, éénmaal gesolliciteerd heeft voor wat kan vermoed worden een lagere graad te zijn, die van onthaalbediende in het Stedelijk Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis; dat hij daarvoor echter ook niet geschikt werd bevonden; dat hij overigens de afwijzing van zijn kandidatuur en de daaropvolgende benoeming van een andere kandidaat niet met een beroep tot nietigverklaring heeft aangevochten, zodat deze alleszins definitief zijn geworden; dat de hernieuwde sollicitatie van verzoeker op 7 september 1999 voor de functie van onthaalbediende evenmin tot verzoekers wedertewerkstelling kon leiden, aangezien volgens de verwerende partij -die daarin niet wordt tegengesproken door verzoeker- deze sollicitatie dezelfde betrekking betreft als die waarvoor verzoeker reeds op 1 oktober 1998 had gesolliciteerd en welke dienvolgens niet meer vacant was; dat het tweede en het derde middel niet gegrond zijn; IX-1998-11/14 3.3.
  26. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het fair play-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat hij betoogt dat de bestreden beslissing tot stand is gekomen met schending van het fair play-beginsel, doordat hij door de verwerende partij niet werd gehoord, noch over zijn ambtshalve pensionering, noch over de sollicitaties die hij voorheen heeft gedaan en die niet hebben geleid tot zijn benoeming; dat de verwerende partij volgens hem voorts de “materiële zorgvuldigheidsnorm” heeft overtreden, doordat zij weigerde in te gaan op zijn expliciete verzoeken tot wedertewerkstelling; dat zij de “procedurele zorgvuldigheidsnorm” zou hebben overtreden, doordat zij zich op 25 februari 1999 reeds voornam verzoeker niet meer weder tewerk te stellen, in welke functie ook; dat verzoeker ten slotte het redelijkheidsbeginsel geschonden acht, doordat naar genoegen van recht vaststaat dat hij samen met het OCMW gedurende een jaar diende te zoeken naar wedertewerkstelling, wat om onbegrijpelijke redenen werd geweigerd door de raad voor maatschappelijk welzijn, die in een niet medegedeelde beslissing verkoos hem meer dan zes maanden voor de ambtshalve pensionering reeds uit te sluiten van wedertewerkstelling; 3.3.
  27. Overwegende dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om op een nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen; Overwegende dat te dezen de bestreden beslissing niet gegrond is op het persoonlijk gedrag van verzoeker dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend; dat het recht zijn standpunt te doen kennen derhalve als zodanig niet gold; dat voorts, bij de behandeling van het tweede en het derde middel reeds werd uitgemaakt dat de bestreden beslissing gesteund is op het motief dat voor verzoeker geen wedertewerkstelling in een vacante betrekking met rugsparend werk mogelijk was; dat dit motief gestaafd wordt door adviezen van 22 oktober 1998 en 16 november 1998 van respectievelijk het Bijzonder Comité Rustoorden en het Bijzonder Comité Algemeen Beleid; dat verzoeker weliswaar beweert dat, in weerwil IX-1998-12/14 van die adviezen, op het tijdstip dat de bestreden beslissing werd genomen, er toch mogelijkheden voor wedertewerkstelling waren die zijn inrustestelling hadden kunnen voorkomen of dat te verwachten viel dat zulke mogelijkheid zich vóór 1 oktober 1999 nog zou voordoen; dat, zoals uiteengezet is bij de bespreking de voormelde middelen, hij dit echter niet aannemelijk maakt; dat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook niet kan worden aangenomen; dat ook geen schending van het redelijkheidsbeginsel kan worden ontwaard, wijl de raad voor maatschappelijk welzijn aan de vaststelling dat geen wedertewerkstelling van verzoeker mogelijk was, het gevolg heeft verbonden dat artikel 117, §3, derde lid, van de meergenoemde wet van 14 februari 1961 in dat geval voorschrijft; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-1998-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1998-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.944 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.