← België

Arrest 142946 - - 11/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.946 Rolnummer: A. 147429/IX-4058 Zaak: Arrest 142946 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 10:10 Fiche Arrest nr 142.946 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.946 van 11 april 2005 in de zaak A. 147.429/IX-

  1. In zake : Jacques TURFKRUYER, wonende te GOUDA (NEDERLAND), Hortensiasingel 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, die woonplaats kiest bij advocaat D. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacques TURFKRUYER op 3 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 21 november 2003 door de commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 maart 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-4058-1/4 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat N. STOESSEL, die loco advocaat D. LAGASSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 16 februari 2005; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker Jacques TURFKRUYER verklaart dat hij professioneel muzikant was bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Ingevolge de bezetting werden plezier- en danslokalen gesloten. Hij probeerde in zijn levensonderhoud te voorzien door met het geld dat hij van zijn grootvader geërfd had juwelen te kopen en die nadien in clandestiene bordelen te verkopen. Tijdens een afspraak met zijn oom aan de deur van de diamantbeurs in Antwerpen om de aangekochte juwelen over te dragen, werd hij door de Gestapo gearresteerd. Na twee of drie dagen gevangen- schap werd hij vrijgelaten. Hij heeft toen zijn boekentas teruggekregen, maar niet het sigarenkistje waarin hij de juwelen had verstopt. Hij heeft deze juwelen nooit meer terug gezien. 1.
  5. Verzoeker heeft overeenkomstig de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, bij de commissie voor schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België een verzoek tot schadeloosstelling ingediend voor het verlies van de inhoud van dat sigarenkistje, aldus beschreven : "Alles in goud : ringen met brijanten en gekleurde stenen, armbanden, dameshorloges met gouden bandje, herenchronometers met leren bandje". Hij schat de waarde van dat kistje op 40.000 toenmalige frank (heden 8.000 Euro). Hij kon daarvan echter geen bewijs voorleg- gen. IX-4058-2/4 1.
  6. Op basis van artikel 8, § 2, van de voornoemde wet van 20 december 2001 heeft de commissie besloten om aan Jacques TURFKRUYER een schadeloosstelling toe te kennen van 400 euro voor de bij zijn aanhouding afgenomen juwelen. Het is die beslissing wordt welke verzoeker voor de Raad van State betwist.
  7. Overwegende dat de in deze relevante bepalingen van de wet van 20 december 2001 als volgt luiden : “Art.
  8. §
  9. Kan een aanvraag tot schadeloosstelling indienen, elke persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet : 1°/ (...) 2°/ in België beroofd zijn van goederen waarvan hij eigenaar was of ze hebben moeten achterlaten ten gevolge van een anti-Joodse maatregel van de Duitse bezettende overheid of ten gevolge van daden van antisemitische aard begaan door dezelfde overheid tijdens dezelfde periode. §
  10. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder goederen die werden geplunderd of die de personen bedoeld in § 1 hebben moeten achterlaten, financiële tegoeden en goederen waarvan die personen eigenaar waren en: 1°/ (...) 2°/ en die geïdentificeerd geweest zijn (...), of die geïdentificeerd worden in het kader van het onderzoek van de aanvraag door de Commissie. (...) Art.
  11. (....) §
  12. De Commissie kan in bijzondere gevallen tegemoet komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van de Commissie bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.”; 3.
  13. Overwegende dat de beslissing welke verzoeker bestrijdt : 1/ geen schadeloosstelling toekent voor goederen zoals bedoeld in artikel 6, § 2, 2/, hierboven, dat wil zeggen voor goederen die de commissie heeft kunnen identificeren, 2/ wel een schadeloosstelling toekent op grond van artikel 8, § 2, dat wil zeggen om billijkheidsredenen, 3/ geen schadeloosstelling toekent voor de goederen vermeld in verzoekers aanvraag; 3.
  14. Overwegende, enerzijds, dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring niet aangeeft welke onwettigheid de voornoemde commissie heeft begaan door hem niet de gevraagde schadeloosstelling toe te kennen, anderzijds, dat het de Raad van State niet toegelaten is om die beslissing te herzien, met andere IX-4058-3/4 woorden om zelf, in de plaats van die commissie, te onderzoeken of verzoeker de nodige bewijzen levert voor het verlies van de juwelen zoals beschreven in zijn aanvraag en of die juwelen een waarde van 8.000 euro hadden; 3.
  15. Overwegende bijgevolg dat de Raad van State kennelijk niet bevoegd is of de vordering kennelijk niet-ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van middelen, zoals voorgeschreven door artikel 2, § 1, 2/, van het procedure- reglement; dat er grond is om artikel 93 van het procedurereglement toe te passen, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door : de H J . DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4058-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.