id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.947 Rolnummer: A. 156556/XII-5553 Zaak: Arrest 142947 - - 11/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 10:10 Fiche Arrest nr 142.947 van 11 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 142.947 van 11 april 2005 in de zaak A. 156.556/IX-
- In zake : Rita REEKMANS, wonende te RUMMEN, Ketelstraat 93 tegen :
- de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1,
- het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van SINT-TRUIDEN, dat woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rita REEKMANS op 3 december 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 oktober 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij het hoger beroep wordt ingewilligd dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW- van Sint-Truiden had ingesteld tegen het besluit van 16 juni 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tot niet-goedkeuring van het besluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden, houdende het ontslag van ambtswege van verzoekster bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003, en waarbij dat laatstgenoemde tuchtbesluit wordt goedgekeurd; Gelet op het arrest nr.136.824 van 28 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; IX-4680-1/13 Gelet op de beschikking van 21 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 maart 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, van advocaat N. DE CLERCK, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. DEDECKER, die loco advocaat K. GEELEN verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is vast benoemd maatschappelijk werkster bij het OCMW van Sint-Truiden. Zij is tewerkgesteld op de sociale dienst van het OCMW, waar zij vooral is belast met dossiers betreffende budgetbegeleiding en schuldbemiddeling ten behoeve van cliënten van het OCMW. 1.
- Op 24 februari 2003 dient Ludo GRESSENS, één van de cliënten van het OCMW wiens dossier door verzoekster wordt behartigd, tegen verzoekster een klacht in bij de voorzitter. In zijn klachtbrief voert hij aan dat hij nog steeds niet in het bezit is gesteld van de afrekening voor de jaren 2000, 2001 en 2002; dat hij door verzoekster wordt “gebruikt en misbruikt [...] om allerhande werkzaamheden bij haar privé-huis en verhuurwoningen op te knappen”; dat zijn leefgeld laattijdig wordt gestort, waardoor de domiciliëring van betalingen niet kan worden uitgevoerd, en dat verzoekster zijn diensten aanwendt om “persoonlijke familieconflicten op te volgen”. 1.
- De raad voor maatschappelijk welzijn neemt op 27 februari 2003 kennis van deze klacht en besluit dan verzoekster bij hoogdringendheid met ingang van 28 februari 2003 gedurende vier maanden preventief te schorsen. IX-4680-2/13 1.
- Bij arrest nr. 117.237 van 20 maart 2003 beveelt de Raad van State, op vordering van verzoekster, bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. Het middel waarin verzoekster de miskenning van de hoorplicht aanvoert, wordt ernstig bevonden. 1.
- Dezelfde dag nog neemt de raad voor maatschappelijk welzijn kennis van dit arrest en besluit hij zijn geschorste besluit in te trekken. 1.
- Met een aangetekende brief van 27 juni 2003 delen de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Sint-Truiden aan verzoekster onder meer mede dat het tuchtonderzoek tegen haar inmiddels is beëindigd, dat een tuchtbundel werd samengesteld en dat haar een aantal feiten worden verweten, die luiden als volgt : "
- Feiten betreffende Dhr. Ludo Gressens en Dhr. Robby Bamps A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld : - Laattijdig doorstorten van leefgeld aan Dhr. Gressens en laattijdig opmaken van jaarverslagen 2001 en 2002; - Gebruik van diensten van Dhr. Gressens en Dhr. Bamps om klussen op te knappen aan privé-woning en de benodigde materialen op te halen; - gebruik van de diensten van Dhr. Gressens om bij notaris informatie in te winnen omtrent familiale verkoop van onroerende goederen - betaling van Dhr. Gressens zonder fiscaliteit en niet op budgetbeheersrekening B. Schending van ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen - Het vermijden van handelwijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden ( art. 119 § 1 administratief statuut) - de natuurlijke persoon die de functie van schuld bemiddelaar voor OCMW uitoefent moet blijk geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996) - Aanvaarden van voordelen ten gevolge van de functie (art. 119 § 2 administratief statuut) - Zorgvuldig de toevertrouwde taken uitvoeren (art. 118 § 1 administratief statuut)
- Tewerkstelling bij Mr. Mieke Smeets A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld: - Geen voorafgaandelijke toelating om een andere taak op te nemen bij advocatenkantoor Smeets - Uitoefenen van een taak die niet nodig is om studieredenen op een advocatenkantoor dat eveneens optreedt als collectief schuldbemiddelaar B. Ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen : - Het vermijden van handelwijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden ( art. 119 § 1 administratief statuut) - Het beoefenen van een activiteit die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of die met de waardigheid van het ambt in strijd is (art. 122 § 1 administratief statuut) - Het uitvoeren van een activiteit zonder toelating van het vast bureau (art. 122 § 2 administratief statuut).
- Volmacht over rekening IX-4680-3/13 A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld : - Mevr. Reekmans beschikte over een persoonlijke volmacht van een spaarrekening van de familie Mossoux - Lengeles die niet de budgetbeheerrekening was en waarvan het bestaan niet bekend was in dossier B. Ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen : - Het vermijden van handelwijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden (art. 119 § 1) - de natuurlijke persoon die de functie van schuldbemiddelaar voor OCMW uitoefent moet blijk geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996) - Zorgvuldig de toevertrouwde taken uitvoeren (art. 118 § 1 )". 1.
- Op 8 oktober 2003 worden de getuigen Ludo GRESSENS en Robby BAMPS door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Verzoekster, die zelf ook is opgeroepen om te worden gehoord, is wegens ziekte op de hoorzitting niet aanwezig, noch is zij er vertegenwoordigd door haar raadsman. 1.
- Op 15 oktober 2003 oordeelt de raad voor maatschappelijk welzijn dat alle aan verzoekster ten laste gelegde feiten bewezen zijn en dat ze een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken, alsook de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen. De raad besluit verzoekster op grond van die feiten bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen brengt op 24 oktober 2003 een gunstig advies uit over het tuchtbesluit. 1.
- De Raad van State verwerpt bij arrest nr. 125.101 van 5 november 2003 de vordering van verzoekster tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dit tuchtbesluit. De vordering wordt onontvankelijk bevonden, omdat het goedkeuringstoezicht met hoger beroep, bedoeld in artikel 53, § 1 en § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, nog niet is uitgeput. 1.
- Op 19 november 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg goedkeuring aan het bedoelde tuchtbesluit. 1.
- Op 9 maart 2004 besluit de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het beroep van verzoekster tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie in te willigen en het IX-4680-4/13 tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn niet goed te keuren. Deze niet-goedkeuring is gesteund op het ontbreken van een tuchtverslag van de secretaris van het OCMW, de onmogelijkheid voor verzoekster om de getuigenverklaringen van 8 oktober 2003 tegen te spreken en, ten slotte, de niet-afdoende motivering van de kwalificatie van sommige ten laste gelegde feiten als tuchtfeiten. 1.
- Op 31 maart 2004 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de beslissing van de minister en besluit hij “de zaak terug te verwijzen naar de secretaris en de beslissing te hernemen” . 1.
- Op 6 april 2004 stelt de secretaris van het OCMW een tuchtverslag op ten laste van verzoekster waarin hij de aan verzoekster ten laste gelegde feiten herneemt en voorts uiteenzet waarom naar zijn oordeel die feiten tuchtrechtelijk moeten worden vervolgd. Hij stelt voor verzoekster voor die feiten bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
- Met een aangetekende brief van 8 april 2004 roepen de voorzitter en de secretaris van het OCMW verzoekster op om op 6 mei 2004 over de tuchtfeiten door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord . 1.
- Verzoekster antwoordt met een aangetekende brief van 3 mei 2004 dat zij na overleg met haar raadsman opteert voor een schriftelijke verdediging. Zij refereert vooreerst aan de verdedigingsbundel die zij ter gelegenheid van haar eerder beroep bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken heeft ingediend. Voorts legt zij een verdedigingsnota neer. 1.
- Op 6 mei 2004 worden Ludo GRESSENS en Robby BAMPS door de raad voor maatschappelijk welzijn als getuigen gehoord. Er wordt een proces- verbaal van dat verhoor opgesteld. Tevens wordt een proces-verbaal opgesteld betreffende de niet-verschijning van verzoekster. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt wel kennis van de brief van 3 mei 2004 van verzoekster en de daarbij gevoegde verdedigingsnota. IX-4680-5/13 De raad voor maatschappelijk welzijn besluit dezelfde dag nog verzoekster op grond van de haar ten laste gelegde feiten bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003 van ambtswege te ontslaan. 1.
- Op 14 mei 2004 brengt het college van burgemeester en schepenen een gunstig advies uit over dit tuchtbesluit. 1.
- Op 16 juni 2004 besluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg echter om het tuchtbesluit niet goed te keuren. De bestendige deputatie overweegt dat de rechten van verdediging van verzoekster zijn miskend, doordat zij vooraleer het tuchtbesluit werd genomen niet in kennis is gesteld van de aanvullende getuigenverklaringen van Ludo GRESSENS en Robby BAMPS, zodat zij er ook niet heeft kunnen op reageren. 1.
- Met een aangetekend schrijven van 2 juli 2004 stelt het OCMW tegen deze niet-goedkeuring hoger beroep in bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken. 1.
- Nadat verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, en een vertegenwoordiger van het OCMW van Sint-Truiden, bijgestaan door een raadsman, op 21 september 2004 door een gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd gehoord, neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering op 5 oktober 2004 het thans bestreden besluit om het beroep van het OCMW in te willigen en het tuchtbesluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn goed te keuren. Met betrekking tot het bezwaar van de bestendige deputatie dat verzoekster, vooraleer de tuchtmaatregel van het ontslag werd opgelegd, geen kennis heeft gekregen van de aanvullende getuigenverklaringen van Ludo GRESSENS en Robby BAMPS, zodat haar rechten van verdediging zijn miskend, overweegt de minister dat niet valt in te zien dat de kennis van de aanvullende getuigenverklaringen van voornoemden voor verzoekster enige nuttige en relevante waarde kan hebben. 1.
- Verzoekster stelt op 15 oktober 2004 tegen het besluit van de minister alsmede tegen het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn een IX-4680-6/13 vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State. 1.
- Bij arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 verwerpt de Raad van State die vordering, omdat geen van de door verzoekster aangevoerde middelen ernstig wordt bevonden. 1.
- Op 3 december 2004 stelt verzoekster dan de onderhavige vordering tot schorsing in.
- Overwegende dat verzoekster niet uitdrukkelijk de schorsing vordert van de tenuitvoerlegging van het besluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden, waarbij zij bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003 van ambtswege wordt ontslagen; dat, in tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij in haar nota met opmerkingen opwerpt, elk van de door verzoekster aangevoerde middelen op het voormelde besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn kan worden betrokken, zodat de vordering geacht moet worden ook dat besluit als voorwerp te hebben; 3.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is omdat verzoekster er reeds heeft voor geopteerd een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen met het zelfde voorwerp en die vordering reeds werd verworpen bij arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 en dat zelfs, indien de ontvankelijkheid van de thans voorliggende vordering tot schorsing moet worden beoordeeld in functie van het dictum en de onverbrekelijk daarmee verbonden motieven van het voormelde arrest, dan nog de onderhavige vordering tot schorsing niet ontvankelijk is, aangezien het voormelde arrest geen enkel van de door verzoekster aangevoerde middelen ernstig heeft bevonden; dat zij daarbij vaststelt dat zeker vier van de vijf aangevoerde middelen niet meer zijn dan een herneming van middelen die verzoekster reeds in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid had aangevoerd; dat de eerste verwerende partij met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde middel laat gelden dat verzoekster die middelen reeds heeft aangevoerd in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zodat ze niet ontvankelijk zijn; IX-4680-7/13 3.
- Overwegende dat het feit dat verzoekster reeds een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld, haar in principe niet belet nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure in te stellen, althans voorzover niets in het dictum of in de onverbrekelijk met dat dictum verbonden motieven van het arrest waarbij de eerdere vordering werd verworpen, de ontvankelijkheid van de tweede vordering in de weg staat; dat dit laatste betekent dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen bij gebrek aan ernstige middelen, de daaropvolgende vordering tot schorsing volgens de gewone procedure slechts ontvankelijk is indien nieuwe middelen worden aangevoerd, dat zijn andere middelen dan die welke aangevoerd werden in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat derhalve elk middel dat verzoekster in het onderhavige verzoekschrift tot schorsing aanvoert moet worden getoetst aan het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending van het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur "patere legem quam ipse fecisti” aanvoert; dat zij uiteenzet : “Het is algemeen bekend dat er meer klusjeswerk gedaan wordt door cliënten bij het personeel van het OCMW van Sint-Truiden. Hiervoor werd en wordt, want deze situatie bestaat nog steeds, geen tuchtsanctie voorzien. Bewijzen hiervan worden aangevoerd o.m. zelfs bij de vorige secretaris, bij collega’s maatschappelijk assistenten en bij ander personeel. Ook wordt aangevoerd dat er personeelsleden andere nevenactiviteiten uitoefenen, waarbij geen toestemming werd gevraagd; het betreft hierbij zelfs winstgevende activiteiten. Het feit dat het OCMW zelfs geen moeite deed om de aangehaalde getuigen- bewijzen te onderzoeken bewijst in deze dat het bestuur op de hoogte is van bestaand klusjeswerk, doch uitzonderlijk, selectief optreedt als het in hun kader past. Verzoekende partij verwijst hierbij eveneens uitdrukkelijk naar de aangehaalde gemaakte - ernstige - beroepsfouten, gemaakt door collega A. Leenen in het dossier Bamps, fouten gekend door de secretaris en eveneens aangehaald door cliënten t.a.v. de secretaris, doch waarbij niet opgetreden werd..”; IX-4680-8/13 4.1.
- Overwegende dat zowel de eerste als de tweede verwerende partij terecht opwerpen dat verzoekster erg vaag en algemeen blijft in de uiteenzetting van het middel, waardoor een verweer zo niet onmogelijk is, dan toch wordt bemoeilijkt; dat verzoekster weliswaar vermeldt dat het “algemeen bekend” is dat er bij personeelsleden van het OCMW wel meer klusjeswerk wordt gedaan door cliënten van het OCMW en dat bewijzen hiervan worden aangevoerd, doch die bewijzen niet preciseert in haar verzoekschrift tot schorsing; dat voor zover verzoekster aanvoert dat andere personeelsleden zonder toestemming nevenactiviteiten uitoefenen, zelfs winstgevende, zij ook in het ongewisse laat over welke personeelsleden en nevenactiviteiten het zou gaan; dat waar ten slotte verzoekster verklaart dat haar collega A. LEENEN in “het dossier Bamps” ernstige beroepsfouten zou hebben gemaakt, zij niet uiteenzet waaruit die beroepsfouten zouden hebben bestaan; Overwegende dat het niet de taak van de Raad van State is om onder de talrijke stukken die verzoekster bij haar verzoekschrift heeft gevoegd, zelf die stukken op te diepen welke desgevallend op het middel kunnen worden betrokken; dat zij aanbiedt die bewijzen te leveren aan de hand van een bijkomende nota en daarover mondeling ter zitting een uiteenzetting houdt, doch de Raad van State geen rekening kan houden met gegevens en argumenten welke ertoe strekken een niet- ontvankelijk wegens te vaag geformuleerd middel achteraf te verbeteren; dat aldus immers de andere partijen belet wordt een deugdelijk verweer te voeren en het strijdt met het spoedeisend karakter van een administratief kort geding om deze laatste nog eens de kans te bieden daarop te reageren; dat de tweede verwerende partij er dienaangaande terecht op wijst dat de verzoekende partij krachtens artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 8, tweede lid, 4/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, in haar verzoekschrift de feiten en de middelen uiteen dient te zetten die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat hoe dan ook uit de stukken 87 tot en met 93 die bij het verzoekschrift tot schorsing zijn gevoegd en waarop verzoekster mogelijk doelt, geenszins blijkt dat andere personeelsleden van het OCMW zich thans in dezelfde situatie bevinden als verzoekster, aan wie drie uiteenlopende feiten ten laste worden gelegd, en dat de tuchtoverheid, niettegenstaande ze daarvan kennis heeft, die andere personeelsleden ongemoeid laat; dat overigens de omstandigheid dat in het verleden beroepsfouten van sommige personeelsleden ongestraft zouden zijn gebleven, als IX-4680-9/13 zodanig er niet aan in de weg staat dat de tuchtoverheid vandaag wel haar tuchtbevoegdheid uitoefent; dat het eerste middel niet ernstig is; 4.2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending van het proportionaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat zij blijkbaar vooreerst wil laten gelden dat de bestreden tuchtmaatregel niet evenredig is met de tuchtfeiten die haar ten laste worden gelegd, maar die zij ten stelligste heeft betwist of alleszins in de juiste context heeft geplaatst en voorts, dat de tweede verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door, vooraleer de maatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen, haar geen kennis te geven van de inhoud van het getuigenverhoor van 6 mei 2004 en haar niet te verwittigen van het feit dat haar verdedigingsbundel met aanvullende stukken, die voorheen was neergelegd bij de toezichthoudende overheid, niet in het bezit van het OCMW was; 4.2.
- Overwegende dat verzoekster aldus het tweede en het derde middel welke zij in haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangevoerd had en die in het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 niet ernstig werden bevonden, verwerkt tot één middel; dat geen van de twee onderdelen van het thans voorliggende tweede middel een wezenlijk nieuwe grondslag blijkt te hebben gekregen, waardoor dat middel als een “nieuw” middel zou kunnen worden opgevat; dat bijgevolg dat middel, zoals de beide verwerende partijen terecht opwerpen, niet ontvankelijk is; 4.3.
- Overwegende dat verzoekster in een derde middel de redelijke termijn ter uitvoering van een tuchtsanctie geschonden acht; dat zij aanvoert dat de redelijke termijn waarbinnen de tuchtoverheid haar een tuchtstraf kon opleggen, niet werd gerespecteerd; 4.3.
- Overwegende dat dit middel overeenstemt met het zesde middel dat verzoekster heeft aangevoerd in haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dat in het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 niet ernstig werd bevonden; dat ook het derde middel derhalve, zoals de beide verwerende partijen terecht opwerpen, niet ontvankelijk is; 4.4.
- Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de artikelen 299 en 303, 304 van de Nieuwe IX-4680-10/13 Gemeentewet en van artikel 169, 1, van het administratief statuut van het OCMW van Sint-Truiden, alsmede van het beginsel van de rechten van verdediging; dat uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat verzoekster haar rechten van verdediging geschonden acht, doordat: - het proces-verbaal van haar niet-verschijning op de hoorzitting van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn en de processen-verbaal van het aanvullend verhoor van de getuigen Ludo GRESSENS en Robby BAMPS haar niet ter kennis werden gebracht vooraleer het tuchtbesluit werd genomen; - zij door het OCMW, vooraleer het tuchtbesluit werd genomen, niet in kennis is gesteld van het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet in het bezit was van de stukken die zij eerder in het kader van haar beroep tegen de goedkeuring door de bestendige deputatie van het tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn had ingesteld bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken en waarnaar zij uitdrukkelijk had verwezen in haar aangetekende brief van 3 mei 2004 aan het OCMW aangaande haar verdediging in de hernomen tuchtprocedure; - het OCMW moedwillig gegevens heeft achtergehouden en door het maken van “diverse procedure en andere fouten” verzoekster financieel heeft genoodzaakt haar verdediging zelf te voeren, waardoor “haar verdedigingskansen [werden] gereduceerd” en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) werd geschonden. 4.4.
- Overwegende dat het eerste en het tweede onderdeel van het thans aangevoerde vierde middel ook reeds aangevoerd werden in het eerste middel van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dat in het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 niet ernstig werd bevonden; dat het thans aangevoerde vierde middel in zoverre niet ontvankelijk is: Overwegende dat met betrekking tot het voormelde tweede onderdeel, verzoekster als een “nieuw ernstig en relevant feit” vermeldt dat zij op 19 november 2004 van ene VANDER PEYPEN van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft vernomen dat het OCMW, in tegenstelling tot wat in het tuchtbesluit staat geschreven, niet heeft geïnformeerd naar het dossier waarnaar verzoekster verwees in haar verdediging; dat, daargelaten de vraag of dit zogenaamd nieuw feit afbreuk zou vermogen te doen aan de overwegingen van het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 met betrekking tot het toenmalige eerste middel, hoe dan ook moet worden vastgesteld dat het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van IX-4680-11/13 de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, niet voorziet in een procedure tot herziening van een arrest over een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het voormelde derde onderdeel van het thans aangevoerde vierde middel daarentegen wel een nieuwe grondslag lijkt te geven aan de reeds in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangevoerde schending van de rechten van verdediging; dat het bovendien gewaagt van een schending van artikel 6 van het EVRM, zodat het als een nieuw middel kan worden opgevat; dat het echter niet ernstig is, aangezien verzoekster vooreerst niet vermeldt welke gegevens het OCMW zou hebben achtergehouden en zij voorts niet aannemelijk maakt dat het OCMW doelbewust, door het begaan van onrechtmatigheden in de tuchtprocedure, deze heeft willen rekken teneinde verzoekster financieel of anderszins uit te putten in haar mogelijkheden van verdediging; dat wat dat betreft het middel derhalve niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel machtsafwending en schending van het fair-play beginsel aanvoert; dat zij letterlijk herhaalt wat zij reeds heeft aangevoerd in het vierde middel van haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetwelk niet ernstig werd bevonden in het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004; dat de verwerende partijen dan ook terecht opwerpen dat het middel niet ontvankelijk is; 4.
- Overwegende dat de vaststelling dat geen der aangevoerde middelen ernstig is volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, IX-4680-12/13 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4680-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.947 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.824 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.