← België

Arrest 143005 - - 12/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.005 Rolnummer: A. 111126/XII-3304 Zaak: Arrest 143005 - - 12/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 10:18 Fiche Arrest nr 143.005 van 12 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.005 van 12 april 2005 in de zaak A. 111.126/XII-

  1. In zake : Lieve WATTEEUW, wonende te 1050 Brussel, Guldensporenlaan 1b4 tegen : de SCHOLENGROEP 8, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lieve Watteeuw op 4 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 augustus 2001 van de directeur van het RHoK - Instituut Beeldend Kunstonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, om haar niet opnieuw aan te stellen als lerares voor het schooljaar 2001-2002; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3304-1\7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is sedert 1 oktober 1997 tijdelijk aangesteld als lerares kunstacademie aan de Academie voor beeldende kunsten te Etterbeek. Op 15 januari 2001 stelt de directeur van de instelling het bij artikel 22, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeen- schapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) voorgeschreven beoordelingsverslag op, waarvan de eindconclusie luidt: “onvoldoende”. Ingevolge het bezwaar van verzoekster wordt J. Deblieck, directeur van de Academie te Anderlecht, met een onderzoek belast. In zijn beoordelingsverslag sluit hij zich aan bij de beoordeling “onvoldoende”. Met een brief van 26 maart 2001 deelt de directeur aan verzoekster mee : “Gelet op de eindconclusie van de Heer Jo Deblieck waarbij de beoordeling 'onvoldoende' wordt bevestigd; gelet op het art. 26 van het Decreet Rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs dd. 27-3-1991; beëindig ik hierbij uw tijdelijke aanstelling. Rekening houdende met een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen wil dit zeggen dat uw opdracht als leraar kunstgeschiedenis een einde neemt m.i.v. 10 april 2001”. Op 27 maart 2001 tekent verzoekster bezwaar aan bij de raad van beroep. XII-3304-2\7 Nadat verzoekster heeft gewezen op de in artikel 22, § 4, van het rechtspositiedecreet voorgeschreven opschortende werking van het beroep, wordt haar toegelaten dat schooljaar verder les te geven. Op 20 augustus 2001 neemt de directeur de thans bestreden beslissing, welke zij aan verzoekster meedeelt als volgt : “Ik heb beslist u voor het volgend schooljaar 2001-2002 niet opnieuw aan te stellen als lerares aan het Instituut Beeldend Kunstonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap te Brussel. Ik ben namelijk van oordeel dat U niet past in het project van onze school. In onze school heerst een creatieve werksfeer, wordt collegiaal gewerkt. Ik moet vaststellen dat uw profiel niet compatibel is met het project van de school. Sinds begin van het schooljaar 2000-2001 heb ik betreffende uw functioneren tal van opmerkingen moeten formuleren. Zowel uw functioneren als lesgever, uw handelen als opvoeder, uw optreden als teamlid worden in vraag gesteld. Zo stelde ik zelf als verantwoordelijke directie o.a. volgende feiten vast : - bij het begin van het schooljaar starten de lessen te laat - het uurrooster met het lesprogramma is te laat beschikbaar en dient talloze keren te worden aangepast - de kunstuitstap op 7 oktober was die naam onwaardig. De organisatie was beneden alle peil - bij een lesverplaatsing daagt u niet op - tal van administratieve nalatigheden en onvolkomenheden - omwille van de ondermaats georganiseerde studiereizen verdwijnt alle interesse van de leerlingen voor deze studiereizen - bij de studiereizen zelf wordt geen verklarende uitleg gegeven, de vakken Kunstgeschiedenis en Bijzondere Kunstgeschiedenis zouden terzake een meerwaarde moeten geven - een door mij bijgewoonde les maakte mij duidelijk dat u zich niet kan aanpassen aan het niveau van de leerlingen. De inspanningen die u leverde resulteerden nauwelijks in enig resultaat. U besteedde te veel tijd aan het voorlezen van een tekst. Het doorlichtingsrapport bevestigt mijn vaststellingen. Er is nauwelijks enige actieve deelname van de leerlingen in het lesgebeuren. Het doorlichtingsteam stelt ook het ontbreken van een syllabus en een gestructureerd leerplan vast. Ook de heer De Blieck, directeur van de Academie voor Beeldende Kunsten te Anderlecht, door het College van Directeurs van de Scholengroep belast met het onderzoek van de u toegekende beoordeling, stelde toen hij bij u een les bijwoonde vast dat u niet vertrekt van het werk van de leerlingen, dat uw lessen als saai, weinig motiverend moeten betiteld worden, dat U zich te veel als docent en te weinig als begeleider gedraagt. De heer De Blieck stelde in het kader van zijn onderzoek ter plaatse ook vast dat u geïsoleerd staat in het team. Deze vaststelling is identiek aan mijn eigen visie. De werksfeer is grondig verpest. Zowel de heer De Blieck als ikzelf achten u hiervoor verantwoordelijk. Ik ben van oordeel dat de minimale verstandhouding nodig voor de goede werking van de dienst ernstig verstoord is. Door uw handelen bent u totaal vervreemd van het schoolteam. U hebt zich de facto buiten het schoolteam geplaatst. Het schoolteam wenst op zijn beurt met u niet langer samen te werken. XII-3304-3\7 Eenzelfde houding kan worden vastgesteld t.o.v. mijn ambt. U weigert ieder gesprek met mij. U ontwijkt iedere confrontatie met mij en schrikt er niet voor terug uw ongenoegen te laten blijken door o.a. met de deuren te slaan. Mevrouw, een school is een plaats waar een team in het kader van een gezamenlijk project zich inzet voor een opvoeding en de opleiding van cursisten. Klaarblijkelijk wenst U zich niet in te schakelen in het project van het RhoK-instituut of wenst u dit project op een eigen manier in te vullen en wel op een wijze die aanfluiting is van het project zelf. Als U het project afwijst, wat o.a. blijkt uit het feit dat u ondanks alle pogingen uw docerende aanpak om te buigen tot een meer participatieve benaderingswijze blijft zweren bij uw zeer gedateerde manier van lesgeven, moet u consequent zijn en een school kiezen die de methode die u voorstaat hanteert. Als u niets wil te maken hebben met het team dat aan dit gezamenlijk project werkt moet u consequent zijn en dit team verlaten. Als u uw hiërarchische overste het recht ontzegt u omwille van uw gedateer- de pedagogische aanpak terecht te wijzen, of als u de terechte opmerkingen van deze hiërarchische overste welbewust negeert, als u dus de autoriteit van uw hiërarchische overste niet aanvaardt, waarbij uit diverse documenten blijkt dat de handelswijze van uw hiërarchische overste door de Gemeenschapsinspectie, het verslag van de heer De Blieck -directeur Academie Anderlecht- ondersteund wordt, blijkt verdere samenwerking onmogelijk. Mevrouw Watteeuw, ik ben ervan overtuigd dat in het belang van de school, in het belang van de leerlingen, van de collega's maar ook in uw belang het aangewezen is dat u niet langer diensten presteert in het Instituut Beeldend Kunstonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Uw didactische aanpak, uw visie op pedagogiek verschillen fundamenteel van de aanpak, de visie van de school. Gezien het team alle vertrouwen in u opzegde, ook mijn ambt de verdere samenwerking met u onmogelijk acht lijkt enkel de definitieve scheiding een oplossing te bieden. Ik heb daarom beslist u niet heraan te stellen met ingang van september
  3. Deze procedure schort de vorige procedure niet op.”. Op 14 november 2002 verklaart de raad van beroep het beroep van verzoekster tegen de haar toegekende beoordeling, “ontvankelijk en gegrond”; De gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoekster in een enig middel onder meer de schending aanvoert van artikel 23, § 2, van het rechtspositiedecreet naar luid waarvan de beslissing tot niet-heraanstelling gemotiveerd dient te zijn, en van de materiële motiveringsplicht; dat zij toelicht dat de beslissing gemotiveerd wordt door te verwijzen naar feiten die deel uitmaken van de beoordeling onvoldoende waartegen tijdig beroep is ingediend dat nog niet is behandeld; dat zij de aangehaalde motieven “inhoudelijk niet draagkrachtig voor de bestreden beslissing” noemt en ze ook concreet van kritiek voorziet; XII-3304-4\7 Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord op dit onderdeel van het middel repliceert, na de hiervoor overgeschreven brief van 20 augustus 2001 in extenso te citeren, dat de beslissing niet is gemotiveerd op de beoordeling “onvoldoende” maar op “een eigen deugdelijke motivering”, dat verzoeksters kritiek voorts slechts enkele punten betreft maar dat zij het overgrote deel van de motivering onbesproken laat; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord tegenspreekt dat de beslissing op eigen motieven steunt; dat zij handhaaft dat de beslissing gesteund is op de beoordeling onvoldoende waarover de raad van beroep nog steeds geen definitieve uitspraak heeft gedaan; dat het volgens haar volstaat de vergelijking te maken tussen de bestreden beslissing tot niet-heraanstelling en het beoordelingsverslag van de directeur om vast te stellen dat de feiten aangehaald in de bestreden beslissing “identiek dezelfde feiten zijn die deel uitmaken van de beoordeling onvoldoende”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie staande houdt dat de motivering niet identiek is “hoewel een aantal elementen in beide beslissingen terug te vinden zijn”, want het “gaat om dezelfde persoon en het gaat voor een deel tevens over een aantal feiten die de directeur zelf heeft vastgesteld”, er wordt bovendien verwezen naar het onderzoek van J. De Blieck en ook aan de plaats van verzoekster in het schoolteam wordt veel aandacht besteed; Overwegende dat het auditoraat de uitnodiging van verzoekster om het beoordelingsverslag te vergelijken met de motieven van de bestreden beslissing ter harte heeft genomen; dat het auditoraatsverslag concludeert uit die vergelijking, na een opsomming van concrete voorbeelden, “dat wat [de directeur] verzoekster in haar schrijven van 20 augustus 2001 aanwrijft, vrijwel woordelijk uit haar beoordelingsverslag van 15 januari 2001 werd geplukt”; dat de Raad van State die analyse bijvalt; Overwegende dat de raad van beroep het bezwaar van verzoekster tegen de beoordeling gegrond heeft verklaard omdat “talrijke feiten waarop de beoordeling ‘onvoldoende’ is gesteund niet worden gestaafd door aan [verzoekster] ter kennis gebrachte en/of voor ontvangst ondertekende persoonlijke nota’s” en “de in de beoordelingen aangehaalde disfuncties onvoldoende zijn bewezen, zodat het niet vaststaat dat het functioneren van [verzoekster] als ‘onvoldoende” kon worden XII-3304-5\7 beoordeeld”; dat het administratief dossier overgelegd in de voorliggende zaak geen gegevens bevat die op de zaak een nieuw licht werpen of die deze conclusie zouden kunnen tegenspreken; dat de Raad van State ze ook bijvalt; dat bijgevolg de in de beide beoordelingsverslagen voor de “onvoldoende” in aanmerking genomen feiten ook niet een voldoende feitelijke grondslag opleveren om de thans bestreden beslissing te rechtvaardigen; dat, zelfs indien de motivering daarnaast nog andere tekortkomingen betreft, verwerende partij andermaal niet het bewijs voorlegt dat ze op genoegzame wijze werden vastgesteld; dat zij met hetzelfde gebrek zijn behept welk het onmogelijk maakt om hun bewijskracht te beoordelen; dat derhalve in zijn geheel genomen wat verzoekster ter ondersteuning van de bestreden beslissing wordt aangewreven die beslissing noch in feite noch in rechte kan verantwoorden; dat het besproken middelonderdeel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Vernietigd wordt de beslissing van 20 augustus 2001 van de directeur van het RHoK - Instituut Beeldend Kunstonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, om Lieve Watteeuw niet opnieuw aan te stellen als lerares voor het schooljaar 2001-
  5. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3304-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3304-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.