id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.018 Rolnummer: A. 121394/VII-26696 Zaak: Arrest 143018 - - 13/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-26 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 10:22 Fiche Arrest nr 143.018 van 13 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing . RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.018 van 13 april 2005 in de zaak A. 121.394/VII-26.696 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 22 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 april 2002 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 april 2002; Gelet op de beschikking van 9 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memorie van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 21 februari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 maart 2005; VII-26.696-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 12 november 2001 en verklaarde zich op 13 november 2001 vluchteling. 1.
- Op 22 april 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissing luidt als volgt: "(...) België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag dat aan de Nederlandse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art.
- van de Conventie van Dublin van 15 juni
- Betrokkene heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend en de Nederlandse overheid heeft in datum van 30/01/2002 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Het feit dat de betrokkenen (beiden van verschillende nationaliteit!) ieder naar hun eigen herkomstland zouden gerepatrieerd worden is geen reden om in België de asielaanvraag te behandelen. Door de Nederlandse officiële instanties is ons bevestigd geweest dat het niet gangbaar is dat het gezin gescheiden zou worden. Ook de noodzakelijke medische behandeling kan in Nederland verder gezet worden. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen de 5 (vijf) dagen en dient hij (zij) zich aan te bieden bij de Immigratie en Naturalisatiedienst-Ettenseweg 97-4891 SX Rijsbergen (Nederland). (...).". Dit is de bestreden beslissing. VII-26.696-2/5
- Overwegende dat in een enig middel de verzoekende partij de schending inroept van artikel 9 van het verdrag van Dublin van 15 juni 1990, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat zij het volgende uiteenzet: "Schending van het artikel 9 van het Verdrag van Dublin van 15 juni 1990 en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Minister van Binnenlandse Zaken dd. 22.04.
- In de motivering stelt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken dat België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, gezien mijn verzoeker een voorgaande procedure heeft in Nederland. Deze vaststelling is verkeerd, gezien verzoeker gevraagd heeft aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken om op humanitaire redenen zijn asielvraag verder in behandeling te nemen (art. 9 Verdrag van Dublin), Mijn verzoeker heeft daaromtrent een gemotiveerd verzoek gestuurd. Mijn verzoekster heeft krachtens art. 36 van het Schengen-Verdrag gevraagd een afwijking te bekomen van de basisregeling krachtens art. 30 van het Schengen-Verdrag dat Nederland als verantwoordelijk land aanduidt voor behandeling van de asielaanvraag. Vooreerst vreest mijn verzoekster geen eerlijke behandeling in NEDERLAND. Mijn verzoekster heeft hierboven aangetoond dat in NEDERLAND geen correcte behandeling kreeg. Bovendien schendden zij haar recht op samenleving met haar gezin, gezien zij haar gezin uiteen haalden. Dit staat dus in schril contrast met de motivering dat "doorgaans" men niet een gezin scheidt. Bovendien gaat men totaal voorbij aan het medisch dossier van mijn verzoekster, die nog steeds begeleiding en monitoring nodig heeft voor haar ernstige psychische toestand. Dat de geneesheer die door de Dienst vreemdelingenzaken werd gestuurd mijn verzoekster onder, zocht, maar dat haar rapport nergens gevoegd of besproken werd. Tenendien is mijn verzoekster overtuigd dat de problemen die haar man heeft in ALGERIJE (waaronder doodsbedreigingen) en waardoor haar man zijn land ontvlucht is. Dat in de bestreden beslissing de argumenten niet werden weerlegd, noch besproken. Dat mijn verzoeker zelfs niet eens de kans kreeg zijn motieven uiteen te zetten. Dat haar man enkel de bewuste beslissing in zijn handen gestopt kreeg, samen met een laissez-passer Dat bovendien de vervolging tegen haar man in Algerije van die aard is, dat een terugsturen naar zijn land gelijkstaat met een zekere dood. Dat verzoeker al deze argumenten ter kennis bracht aan de Minister van Binnenlandse Zaken, maar dat deze die in zijn motivering niet besproken, noch eventueel weerlegd heeft. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991)."; Overwegende dat artikel 9 van de op dit geschil toepasselijke Conventie van Dublin bepaalt dat een lidstaat omwille van redenen van humanitaire aard, zoals familiebanden of culturele gronden, op verzoek van een andere lidstaat en op voorwaarde dat de asielzoeker ermee instemt, een asielverzoek kan behandelen; dat deze bepaling het VII-26.696-3/5 enkel heeft over een verzoek door een andere lidstaat en niet voorziet in een initiatiefmogelijkheid van de aanvrager; dat van een verzoek door een andere lidstaat te dezen geen sprake is; dat de formele motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat de bestreden beslissing zich enkel uitspreekt over een overname van de asielaanvraag door Nederland en dat zij niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij of haar echtgenoot zou worden gerepatrieerd naar haar land van herkomst. dat niet valt in te zien hoe het E.V.R.M. zou geschonden zijn; dat de verzoekende partij trouwens niet uiteen zet welk artikel van dit verdrag en op welke wijze zij het E.V.R.M. geschonden acht;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-26.696-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien april tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.696-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div