id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.023 Rolnummer: A. 114622/VII-25336 Zaak: Arrest 143023 - - 13/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-26 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 10:22 Fiche Arrest nr 143.023 van 13 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.023 van 13 april 2005 in de zaak A. 114.622/VII-25.336 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN LEDE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 24 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 129.995 van 31 maart 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 10 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-25.336-1/4 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 21 februari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN LEDE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 5 januari 2000 en verklaarde zich op 7 januari 2000 vluchteling. 1.
- Op 12 oktober 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 december 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister. Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij stelt dat het middel niet voldoet aan de vereisten van een voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel en de wijze waarop, volgens de verzoekende partij deze rechtsregel of het beginsel wordt geschonden; VII-25.336-2/4 Overwegende dat in de verzoekende partij aanvoert wat volgt: "Dat verzoekster niet akkoord kan gaan met deze motivering. Dat niet kan bestwist worden dat er erge gebeurtenissen plaats hebben in Albanië, waar thans nog volledige anarchie heerst. Dat om als vluchteling te worden erkend moet de aanvrager aantonen dat er geldige redenen zijn om vervolgingen te vrezen, hetgeen thans zoals aangetoond door de huidige actualiteit. Dat zo de hoedanigheid van vluchteling niet verbonden is aan het bestaan van vervolging in het verleden, dit een bewijs kan leveren van een eventuele vervolging in geval van terugkeer van de aanvrager in zijn land van oorsprong, behalve indien de situatie in dit land volledig zou veranderd zijn, hetgeen in casu niet het geval is. Dat de toestand in Albanië thans nog absoluut onveilig is en verzoekster thans er nog niet kan terugkeren. Dat de overheid die moet beslissen over de hoedanigheid van vluchteling als voornaamste taak heeft het gelopen risico te evalueren van de aanvrager. Dat de evaluatie van het gelopen risico moet gedaan worden met inachtname van het mede gedeelde verhaal en de objectieve informaties welke voorhanden zijn i.v.m. de algemene context en met het lot dat beschoren werd aan personen die zich bevonden in een gelijkaardige toestand als aanvrager. Dat om het bestaan van een vervolgingsrisico vast te stellen van gepersonaliseerde feiten volstaat dat de aanvrager aantoont dat de omstandigheden die hem eigen zijn van die aard zijn om een vervolgingsvrees te veroorzaken ; dat in huidige toestand het voor verzoekster niet mogelijk is om terug te keren naar Albanië. Dat het aldus past de toestand van verzoekster opnieuw te onderzoeken."; Overwegende dat artikel 20, tweede lid, 2/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen; dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel als het rechtsbeginsel wordt aangeduid welke zou zijn geschonden als de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat de Raad van State, gelet op bovenvermeld artikel 20, geen rekening vermag te houden met een middel of onderdeel ervan dat als bijlage bij een verzoekschrift en memorie van wederantwoord is gevoegd; dat onderhavig beroep onontvankelijk is omdat in het verzoekschrift geen middel wordt aangevoerd; dat de exceptie van de tweede verwerende partij dient te worden aanvaard; dat overigens het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt, BESLUIT: Artikel
- VII-25.336-3/4 Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien april tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-25.336-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div