id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.065 Rolnummer: A. 161316/XIV-22183 Zaak: Arrest 143065 - - 13/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:23 Fiche Arrest nr 143.065 van 13 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.065 van 13 april 2005 in de zaak A. 161.316/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. GOOSSENS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 30 maart 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 maart 2005 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.183-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. GOOSSENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de belangrijkste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoekster heeft zich op 1 september 2000 vluchteling verklaard. Op 27 september 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigde deze beslissing op 13 juli
- Het beroep tegen deze beslissing werd door de Raad van State definitief verworpen op 29 april 2004 bij arrest nr. 130.862 van 29 april
- 1.
- Op 9 november 2004 doet verzoekster bij de gemeente Antwerpen een belofte van huwelijk met een Belg, Julien DE DONCKER. 1.
- Op 26 maart 2005 wordt aan verzoekster het thans bestreden bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven.
- Over het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afwijkt van het gemeen recht; dat ze de uitoefening van de rechten van verdediging, die nochtans de sluitsteen vormt van een billijk proces, tot een minimum herleidt; dat ze het lid XIV-22.183-2/5 van het auditoraat niet in de mogelijkheid stelt de zaak echt te onderzoeken, dat zij de beide partijen het voordeel van het dubbel onderzoek van het verzoekschrift ontneemt en hen aldus belet om met kennis van zaken aan de administratieve rechter een doordachte uiteenzetting te geven; dat daarom het gebruik van die procedure uitzonderlijk moet blijven; 2.
- Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleen kan worden toegestaan wanneer is voldaan aan de voorwaarde bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedurere- geling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die luidt: "Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijk- heid rechtvaardigen"; dat de vereiste uiteenzetting, wil ze deugdelijk zijn, het bewijs moet bevatten dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van het aangevoerde ernstig nadeel niet op doeltreffende wijze zal kunnen beletten en zulks rekening houdend met de door artikel 9, tweede lid, 6/ van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 aan de betrokkene verleende mogelijkheid om hangende dat geding, volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen in te stellen, in welk geval de beide vorderingen dan overeenkomstig artikel 12 van hetzelfde besluit tezamen onderzocht worden; dat binnen het bestaande wettelijk kader, dat geen schorsende werking verleent aan de vordering tot schorsing, deze -in voorkomend geval samen toe te passen- reglementaire bepalingen aan een verzoekende partij een zo volledig mogelijke rechtsbescherming verleent; dat het vereiste dat artikel 8, § 1, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 strikt nageleefd moet worden, des te minder als een onaanvaardbare beperking van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan worden gezien, daar de verwerping van een vordering tot schorsing om de loutere reden dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet aangetoond is, de verzoekende partij niet belet een vordering tot schorsing van dezelfde beslissing in te dienen volgens de gewone procedure en later, in voorkomend geval, gebruik te maken van het mechanisme bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij niet systematisch blijkt na te gaan of de afgegeven bevelen om het grondgebied te verlaten daadwerkelijk worden uitgevoerd, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin er een dwangmaatregel aan wordt gekoppeld met het oog op de repatriëring; dat in die omstandigheden de loutere verwijzing naar het afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten niet volstaat om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen; XIV-22.183-3/5 2.
- Overwegende dat de vordering tot schorsing de volgende passage bevat: "
- Daar de in onderhavige procedure betwiste beslissing een uitvoerbaar bevel betreft, kunnen de bevoegde overheidsdiensten op grond hiervan tegen verzoekster na 31 maart 2005 onmiddellijk het volgende ondernemen; ‘Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt hij/zij gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet’ Het is aldus duidelijk dat de gewone schorsingsprocedure het nadeel dat verzoekster door de uitvoering van het betwiste bevel ongetwijfeld zal lijden, niet zou kunnen voorkomen en dat dit nadeel enkel kan worden voorkomen door het instellen van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid”; 2.
- Overwegende dat, in het onderhavige geval, de verzoekende partij niet aanvoert dat tegen haar een dwangmaatregel is uitgevaardigd met het oog op haar repatriëring; dat de loutere vrees dat de bestreden beslissing op ieder ogenblik uitgevoerd kan worden het bewijs niet bevat dat over een schorsing van het bevel om het grondgebied te verlaten volgens de gewone procedure slechts uitspraak zal worden gedaan nadat de verzoekende partij daadwerkelijk verwijderd is; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet bewezen is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de door arti- kel 17,§§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaar- den; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.183-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.183-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.