id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.067 Rolnummer: A. 107108/XII-3195 Zaak: Arrest 143067 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 10:24 Fiche Arrest nr 143.067 van 14 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.067 van 14 april 2005 in de zaak A. 107.108/XII-
- In zake : de NV CHARLEROI AUTOMATIQUE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure 5 tegen : de STAD AALST, die woonplaats kiest bij advocaat J. Nijs, kantoor houdende te Dendermonde, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat NV Charleroi Automatique op 9 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 maart 2001 van de gemeenteraad van Aalst om geen convenants te sluiten met betrekking tot de uitbating van kansspelinrichtingen klasse II, en van de beslissing van 23 april 2001 van het college van burgemeester en schepenen van Aalst om geen convenant te sluiten voor een kansspelinrichting klasse II op het adres Parklaan 62 te Aalst; Gelet op het arrest nr. 107.948 van 18 juni 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 16 juli 2005 ingediend door verwerende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; XII-3195-1/6 Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 21 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaten P. Aerts en R. Verstringhe verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. De Coninck, die loco advocaat J. Nijs verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een door de kansspelcommissie uit te reiken voorafgaande schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat de exploitatie moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; dat verzoekster met brief van 19 januari 2001 aan verwerende partij vraagt een convenant te sluiten met betrekking tot de Parklaan 62 te Aalst; dat op 27 maart 2001 de gemeenteraad beslist “[g]een convenanten af te sluiten betreffende de uitbating van kansspelinrichtingen klasse II”; dat op 23 april 2001 het college van burgemeester en schepenen besluit “met BVBA Life Style geen convenant af te sluiten met betrekking tot de uitbating van een kansspelinrichting klasse II te 9300 Aalst, Parklaan 62”; Overwegende, wat het eerste voorwerp van het beroep betreft, dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de “schending van de artikelen 4, 34, 35 en 36 van de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de XII-3195-2/6 bescherming van de spelers, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”; dat onder meer wordt toegelicht dat de gemeente, om binnen de bevoegdheid te blijven die artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 haar toekent, in elk geval dient aan te geven en te motiveren waarom de lokalisatie van de kansspelinrichting niet zou voldoen aan de voorwaarden van het artikel 36, 4, dat een loutere vaststelling van afstanden van de inrichting tot onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen, niet voldoet aan deze motiveringverplichting, en dat de wetgever de concrete nabijheid van de bedoelde instellingen voor ogen had en de niet de “afstand in abstracto” ten opzichte van de kansspelinrichting; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie repliceert dat geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling er aan in de weg staat dat zij bij de beoordeling van de wenselijkheid van het sluiten van een convenant, rekening houdt met de zeer talrijke instellingen en plaatsen waar veelal jongeren vertoeven, en dat de gemeenteraadsbeslissing ook nog op andere motieven steunt; Overwegende dat artikel 34, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers omtrent de tussenkomst van de gemeente bij het uitreiken van een vergunning klasse B voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II voorschrijft wat volgt : “De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt”; Overwegende dat deze bepaling aan de gemeente een appreciatiebevoegdheid verleent die haar toelaat in elk geval afzonderlijk, en rekening houdend met de aan de aanvraag eigen zijnde gegevens, te beslissen of al dan niet een convenant wordt gesloten; dat de wettige uitoefening van die bevoegdheid vereist dat een onderzoek wordt gewijd aan de concrete en particuliere omstandigheden van de zaak en dat de beslissing over het sluiten van het convenant te dien aanzien XII-3195-3/6 voldoende verantwoord is; dat die verantwoording, gelet op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-handelingen, inzonderheid moeten blijken uit de formele motivering van de beslissing; Overwegende dat de gemeenteraad op 27 maart 2001 besluit geen convenants te sluiten; dat hij daarmee alle ingediende, en niet nader omschreven, aanvragen voor een kansspelinrichting klasse II op het grondgebied van de stad verwerpt; dat de beslissing steunt, enerzijds, op een verwijzing naar alle binnen de grenzen van de stad gelegen onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en plaatsen waar erediensten worden gehouden en, anderzijds, op de algemene vrees dat de stad gokverslaving in de hand zal werken en een aantrekkingspool voor gokkers zal worden; Overwegende dat uit de motivering van de gemeenteraads- beslissing niet kan worden opgemaakt dat verwerende partij verzoeksters aanvraag in concreto heeft onderzocht en beoordeeld; dat integendeel de formele motieven ervan doen blijken dat de gemeenteraad zich tot een zuiver principiële afwijzing van om het even welke kansspelinrichting klasse II op haar grondgebied beperkt heeft; dat eerder, in het arrest over de vordering tot schorsing, reeds voorlopig tot die conclusie was gekomen; dat verwerende partij ze op geen enkel moment heeft tegengesproken; Overwegende dat het middel gegrond is; dat het de vernietiging dient mee te brengen van de aangevochten gemeenteraadsbeslissing; Overwegende, wat het tweede voorwerp van het beroep betreft, dat verzoekster in een derde middel aanvoert dat de bevoegdheid tot het sluiten van een convenant aan de gemeenteraad toekomt en dat het college van burgemeester en schepenen daarvoor onbevoegd is; Overwegende dat in de memorie van antwoord verwerende partij tegenwerpt dat, gelet op de gemeenteraadsbeslissing van 27 maart 2001, verzoeksters aanvraag van een convenant wel degelijk door “het rechtens bevoegde gemeentelijk orgaan” geweigerd is geworden, dat het middel “de rechtens vereiste feitelijke grondslag” mist en dat het besluit van 23 april 2001 als een loutere uitvoeringsbeslissing van het gemeenteraadsbesluit moet worden aangezien; XII-3195-4/6 Overwegende dat, indien de collegebeslissing van 23 april 2001 inderdaad niet meer dan een “loutere uitvoeringsbeslissing” van het gemeenteraads- besluit van 27 maart 2001 zou zijn, zij bij wege van gevolgtrekking hetzelfde lot dient te ondergaan en, net zoals met het gemeenteraadsbesluit gebeurt, vernietigd dient te worden; dat hoe dan ook verwerende partij terecht de gemeenteraad “het rechtens bevoegde gemeentelijk orgaan” noemt betreffende de beslissing over het al dan niet sluiten van een convenant; dat geen enkele bepaling van de meer vermelde wet van 7 mei 1999 het schepencollege ter zake bevoegd maakt; dat ook de nieuwe gemeentewet dat niet doet; dat, bij gebreke aan toewijzing van de betreffende beslissingsmacht aan het college van burgemeester en schepenen, zijn beslissing van 23 april 2001 in elk geval tenminste vernietigd moet worden op grond van het derde middel, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 27 maart 2001 van de gemeenteraad om geen convenants te sluiten met betrekking tot de uitbating van kansspelinrichtingen klasse II, en de beslissing van 23 april 2001 van het college van burgemeester en schepenen van Aalst om geen convenant te sluiten voor een kansspelinrichting klasse II op het adres Parklaan 62 te Aalst. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-3195-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3195-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.067 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.