id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.073 Rolnummer: A. 93785/XII-2692 Zaak: Arrest 143073 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 10:26 Fiche Arrest nr 143.073 van 14 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.073 van 14 april 2005 in de zaak A. 93.785/XII-
- In zake : Kristof DE BEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. Bekaert, kantoor houdende te Tielt, Hoogstraat 34 tegen :
- de GEMEENTE MERELBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Batterijstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kristof De Bel op 19 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen : “van het besluit dd 23 november 1999 en het besluit dd 18 februari 2000 van het College van Burgemeester en Schepenen van Merelbeke, houdende preventieve schorsing voor een periode van vier maanden, alsmede het besluit van de Gemeenteraad van Merelbeke dd 14 maart 2000 waarbij de preventieve schorsing bekrachtigd wordt en van de impliciete weigering, afgeleid uit het verstrijken van de termijn waarover de beroepsinstantie beschikt om uitspraak te doen, van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, om voormelde beslissingen te vernietigen van het besluit dd 20 maart 2000 van het College van Burgemeester en Schepenen van Merelbeke, houdende verlenging met vier maanden van de preventieve schorsing aan verzoeker opgelegd, alsmede het besluit van de Gemeenteraad van Merelbeke dd 11 april 2000 waarbij de verlenging van de preventieve schorsing bekrachtigd wordt en van de impliciete weigering, afgeleid uit het verstrijken van de termijn waarover de beroepsinstantie beschikt om uitspraak te doen, van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, om voormelde beslissingen te vernietigen”; XII-2692-1/6 Gelet op het arrest nr. 91.925 van 29 december 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het collegebesluit van 20 maart 2000 en van de gemeenteraadsbeslissing van 11 april 2000 wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 13 november 2001 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 19 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Bekaert, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. Lardenoit, die loco advocaat G. Lambert verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de eerste schepen van de gemeente Merelbeke op 23 november 1999 tegen verzoeker, gemeentesecretaris, een tuchtverslag opstelt; dat eveneens op 23 november 1999 het college van burgemeester en schepenen verzoeker bij hoogdringendheid preventief schorst gedurende vier maanden, met inhouding van één vijfde van zijn wedde; dat die beslissing het eerste bestreden XII-2692-2/6 besluit is; dat, nog steeds op 23 november 1999, de gemeenteraad de beslissing bekrachtigt; Overwegende dat, na verzoeker te hebben gehoord, het schepencollege op 18 februari 2000 zijn beslissing van 23 november 1999 bevestigt; dat dit het tweede voorwerp is van het beroep; dat de gemeenteraad het besluit van 18 februari 2000 op 14 maart 2000 bekrachtigt; dat de gemeenteraadsbeslissing het derde voorwerp van het beroep is; Overwegende dat verzoeker tegen de beslissingen van 23 november 1999 en 18 februari 2000 van het college van burgemeester en schepenen en de beslissing van 14 maart 2000 van de gemeenteraad met een 23 maart 2000 gedateerd beroepschrift het beroep instelt, waarvan sprake is in artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatre- gelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet; dat binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag na het inkomen van het beroep, geen uitspraak naar de betrokken partijen is verstuurd; dat bijgevolg, gelet op artikel 6, in fine, van het decreet van 24 juli 1991, de betrokken besluiten van het schepencollege en de gemeenteraad, geacht worden te zijn goedgekeurd; dat die stilzwijgende goedkeuring de vierde bestreden beslissing is; Overwegende dat op 20 maart 2000 het college van burgemeester en schepenen de preventieve schorsing, met inhouding van één vijfde van de wedde, voor vier maanden verlengt; dat de gemeenteraad de verlenging op 11 april 2000 bekrachtigt; dat die besluiten het vijfde, respectievelijk zesde voorwerp van het beroep zijn; Overwegende dat met brief van 19 april 2000 verzoeker tegen de beslissingen van 20 maart 2000 en 11 april 2000 bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport het beroep van artikel 5 van het voornoemde decreet van 24 juli 1991 instelt; dat geen uitspraak naar de betrokken partijen wordt verstuurd binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag na het inkomen van het beroep; dat de daaruit volgende stilzwijgende goedkeuring de zevende bestreden beslissing uitmaakt; XII-2692-3/6 Overwegende dat op 19 juli 2000 het college van burgemeester en schepenen de preventieve schorsing met inhouding van één vijfde van de wedde nogmaals verlengt voor vier maanden; dat die beslissing niet door de gemeenteraad wordt bekrachtigd; dat de gemeenteraad verzoeker bij besluit van 26 september 2000 de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege oplegt; dat verzoeker tegen dit besluit, en de stilzwijgende goedkeuring ervan, bij de Raad van State het beroep gekend onder nr. A.100.970/XII-2973 instelt; dat bij arrest nr. 114.715 van 21 januari 2003 de Raad van State het ontslag van ambtswege en de goedkeuring vernietigt;
- Overwegende, omtrent het verzoek van de eerste verwerende partij tot samenvoeging van de onderhavige zaak met het beroep gekend onder nr. A.100.970/XII-2973, dat de laatstgenoemde zaak reeds met arrest van 21 januari 2003 is afgehandeld; dat het verzoek dan ook niet kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in een eerste ontvankelijkheidsexceptie opwerpt dat de bestreden beslissingen van het college van burgemeester en schepenen en van de gemeenteraad enkel voorbereidende maatregelen behelzen, die niet voor vernietiging vatbaar zijn; Overwegende dat de betrokken beslissingen een voor verzoeker griefhoudende ordemaatregel betreffen; dat er ontvankelijk een annulatieberoep tegen ingediend kan worden; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat volgens een tweede ontvankelijkheidsexceptie van de tweede verwerende partij, het vijfde, zesde en zevende bestreden besluit “bevestigende beslissingen [van] reeds vroeger genomen beslissingen” zijn; dat, nog volgens de exceptie, “zelfs” het derde en vierde aangevochten besluit slechts “bekrachtigingen [zijn] van eerder genomen beslissingen”; Overwegende dat ten gevolge van de beslissing van 20 maart 2000 van het college van burgemeester en schepenen de initiële duur van de preventieve schorsing met vier maanden wordt verlengd; dat de beslissingen van 11 april 2000 en 14 maart 2000 van de gemeenteraad voorkomen dat de collegebeslissingen van 20 maart 2000, respectievelijk 18 februari 2000, op grond van artikel 311, laatste lid, van de nieuwe gemeentewet vervallen; dat, door hun stilzwijgende goedkeuring, de goedgekeurde college- en gemeenteraadsbeslissingen definitief uitvoerbaar worden; dat aldus elk van de door de exceptie geviseerde beslissingen eigen gevolgen sorteert XII-2692-4/6 en toevoegt aan de bestaande rechtsorde; dat de beslissingen niet louter bevestigend zijn; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in een derde en laatste ontvankelijkheidsexceptie doet gelden dat verzoeker zonder actueel belang is “nu zelfs de verlenging van de schorsing op 23 maart 2000 begon te lopen en [...] op 23 juli 2000 reeds verstrek[en] is”; Overwegende dat niet wordt betwist dat verzoeker de preventieve schorsingen, met wedde-inhouding, heeft moeten ondergaan; dat hij dan ook een voldoende belang er bij heeft, en blijft hebben, om de nietigverklaring ervan te vorderen;
- Overwegende dat luidens artikel 311, laatste lid, van de nieuwe gemeentewet elke door het college van burgemeester en schepenen uitgesproken preventieve schorsing dadelijk vervalt, indien zij door de gemeenteraad in de eerstvolgende vergadering niet wordt bekrachtigd; dat om die reden, bij gebreke aan de vereiste bekrachtiging, de collegebeslissing van 19 juli 2000 tot tweede verlenging van verzoekers preventieve schorsing vervallen is; dat hieruit volgt dat de preventieve schorsing van verzoeker op 22 juli 2000 ten einde komt; Overwegende dat geen tuchtstraf is opgelegd binnen de termijn van de preventieve schorsing; dat artikel 312, § 2, van de nieuwe gemeentewet in dat geval bepaalt dat alle effecten van de preventieve schorsing vervallen; dat bijgevolg de bestreden beslissingen geacht moeten worden intrinsiek onwerkzaam te zijn geworden; Overwegende dat die vaststelling evenwel niet belet dat verzoeker de beslissingen daadwerkelijk heeft ondergaan en dat zij tot op heden nooit formeel ongedaan zijn gemaakt; dat het dan ook past ze met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer te vernietigen, XII-2692-5/6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden 1/ de beslissingen van 23 november 1999, 18 februari 2000 en 20 maart 2000 van het college van burgemeester en schepenen van Merelbeke betreffende de preventieve schorsing van Kristof De Bel, respectievelijk de bevestiging en verlenging ervan, 2/ de beslissingen van 14 maart 2000 en 11 april 2000 van de gemeenteraad van Merelbeke tot bekrachtiging van de collegebesluiten van 18 februari 2000, respectievelijk 20 maart 2000, en 3/ de aan de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport toe te rekenen stilzwijgende beslissingen tot goedkeuring van de voornoemde college- en gemeenteraadsbeslissingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2692-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.073 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.925 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.