← België

Arrest 143078 - - 14/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.078 Rolnummer: A. 77476/XII-961 Zaak: Arrest 143078 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:28 Fiche Arrest nr 143.078 van 14 april 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.078 van 14 april 2005 in de zaak A. 77.476/XII-

  1. In zake : Koenraad VAN BEECK, verblijvende te Merksplas, Steenweg op Wortel 1, Sim 1597 tegen : de STAD ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koenraad Van Beeck op 10 februari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 6 november 1997 [...] inzake ontslag van ambtswege anders dan bij wijze van tuchtmaatregel opgelegd met ingang op 28 april 1997, gewezen door het college van burgemeester en schepenen te Antwerpen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 28 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-961-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Wendrickx, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker, werkman bij de verwerende partij, wordt op 25 april 1997 van zijn vrijheid beroofd. Met een brief van 13 mei 1997 schrijft directeur E. Decuyper van de dienst Stadsreiniging aan het college van burgemeester en schepenen dat verzoeker het werk op 28 april 1997 niet heeft aangevat zonder ziek te zijn gemeld of met verlof te zijn en dat hij vernomen heeft dat verzoeker in voorlopige hechtenis werd genomen. 1.
  4. Het college van burgemeester en schepenen zendt op 28 oktober 1997 een brief zowel aan de woonplaats van verzoeker, als aan de directeur van de Strafinrichting te Merksplas. Op laatstgenoemde brief tekent verzoeker op 29 oktober 1997 voor ontvangst. In die brief wordt aan verzoeker meegedeeld dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, 1, van het basisstatuut van het stadspersoneel, hem ontslag van ambtswege kan worden opgelegd anders dan bij wijze van tuchtmaatregel, voor het feit dat hij op 28 april 1997 zijn werk niet heeft aangevat, zich niet ziek heeft gemeld noch met verlof was. Verzoeker wordt uitgenodigd zijn standpunt naar voren te brengen, in persoon, of via een verdediger, of schriftelijk, voor het college van burgemeester en schepenen ten stadhuize op 6 november 1997 te 9 uur. Een eventueel schriftelijk standpunt dient op 4 november 1997 in het bezit van het college te zijn. XII-961-2/6 1.
  5. Bij schrijven van 1 november 1997 stelt verzoeker dat hij op het ogenblik dat hij werd aangehouden, zodanig in de war was dat hij er niet aan dacht iemand te verwittigen, dat hij met niemand contact had, dat zijn moeder op 30 april 1997 heeft gesproken met zijn toezichter, “ook over verlof zonder wedde,” zodat hij dacht dat “nu alles met [zijn] dienst in orde was”. Hij hoopt zijn werk te kunnen hervatten indien hij in april 1998 vrij komt, omdat “men toch steeds tevreden over [zijn] arbeid is geweest”. 1.
  6. Nadat op 6 november 1997 een proces-verbaal van niet verschijnen van betrokkene werd opgesteld, besluit het college van burgemeester en schepenen diezelfde dag aan verzoeker ontslag van ambtswege op te leggen anders dan bij wijze van tuchtmaatregel met ingang van 28 april 1997 en zijn wedde terug te vorderen vanaf 28 april
  7. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “[...] gelet op de brief van 13 mei 1997 van de directeur waaruit het volgende blijkt : Milieuwerkman (geoefend werkman) Koenraad Van Beeck (nr. 1-4908031- 04/24016) heeft op 28 april het werk niet aangevat. Betrokkene meldde zich niet ziek en was evenmin met verlof. Op dezelfde datum verneemt de directeur dat betrokkene in voorlopige hechtenis werd genomen wegens een gerechtelijk onderzoek. Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat het [...] parket een internering zou vorderen onder toezicht van de commissie tot bescherming van de maatschappij. Overwegende dat hieruit blijkt dat de afwezigheid van betrokkene te wijten is aan het feit dat hij door zijn daden een ernstig risico heeft genomen waardoor zijn samenwerking met het bestuur voor lange tijd effectief onmogelijk is geworden; Overwegende dat de mogelijke omstandigheden waarin dit risico genomen is, hieraan geen afbreuk doen; Overwegende dat betrokkene bovendien zelf geen enkel initiatief heeft genomen om de relatie met zijn bestuur in stand te houden; Overwegende dat het de toezichter van het werkhuis was, die op informatie uittrok en alzo aan de weet kwam wat er aan de hand was; Overwegende dat door deze feiten is voldaan aan de voorwaarden van artikel 77 1/ van het basisstatuut voor het stadspersoneel om betrokkene ontslag van ambtswege anders dan bij wijze van tuchtmaatregel op te leggen; Overwegende dat betrokkene tijdig en regelmatig werd uitgenodigd om zijn standpunt eventueel schriftelijk naar voren te brengen; Overwegende dat het college tot ambtshalve ontslag kan beslissen in de gevallen waar haar door de gemeenteraad de bevoegdheid tot benoemen werd gedelegeerd; XII-961-3/6 Overwegende dat betrokkene niet is verschenen op 6 november 1997, noch iemand voor hem; Overwegende dat betrokkene met zijn brief van 1 november 1997 bevestigt dat hij niemand verwittigde en er slechts contact kwam nadat de toezichter op informatie uittrok; betrokkene aanhaalt dat er slechts gesproken werd over verlof zonder wedde; Overwegende dat het bestuur van mening is dat de risico's die betrokkene genomen heeft, te ernstig zijn om de wettiging van zijn afwezigheid met verlof zonder wedde te overwegen aangezien de allereerste opdracht van een openbaar bestuur ligt in de functionaliteit met het oog op een goede dienstverlening naar de bevolking toe”;
  8. De procedure. Overwegende dat het verzoekschrift door de griffie bij een ter post aangetekende brief van 31 maart 1998 aan de verwerende partij werd meegedeeld; dat de verwerende partij haar memorie van antwoord en het administratief dossier pas aangetekend heeft verzonden op 6 augustus 1998; dat de voornoemde memorie dienvolgens, met toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uit de debatten wordt geweerd;
  9. De grond van de zaak. 3.
  10. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel betoogt dat de bestreden beslissing is gesteund op onaanvaardbare motieven; dat verzoeker meer bepaald betwist dat hij afwezig was “zonder geldige reden” en stelt dat de enige reden bestond in het zich in voorlopige hechtenis bevinden ten gevolge van een aanhoudingsmandaat, dat, zoals in de bestreden beslissing wordt vermeld, zijn directeur reeds dezelfde dag, op 28 april 1997, de dag waarop verzoeker het werk niet heeft hervat, verneemt dat betrokkene in voorlopige hechtenis werd genomen wegens een gerechtelijk onderzoek, dat in de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt van risico's die hij genomen heeft, “te ernstig om de wettiging van zijn afwezigheid met verlof zonder wedde te overwegen”, zodat de verwerende partij ten onrechte “verlof zonder wedde” aanwendt als een “gewettigde afwezigheid”, terwijl nergens uit het administratief dossier op overtuigende wijze kan worden aangetoond dat verzoeker, persoonlijk, het nemen van verlof zonder wedde zou hebben voorgesteld; XII-961-4/6 3.
  11. Overwegende dat artikel 76, §1, 7, en artikel 77, 1, van het basisstatuut voor het stadspersoneel luiden als volgt : “Artikel 76 §
  12. Aan het dienstverband van de personeelsleden wordt een einde gesteld op de datum vastgesteld in de beslissing van de bevoegde overheid, waarbij : [...]
  13. aan de personeelsleden ontslag van ambtswege, anders dan bij wijze van tuchtmaatregel, wordt opgelegd, krachtens de bepalingen van dit basisstatuut; [...] Artikel 77 Bij toepassing van de bepalingen van artikel 76, §1, 7, kan aan de personeelsleden ontslag van ambtswege worden opgelegd, anders dan bij wijze van tuchtmaatregel, indien zij :
  14. zonder geldige reden meer dan tien dagen afwezig blijven [...]”; dat het ontzeggen van een tuchtrechtelijk karakter aan het ontslag van ambtswege bedoeld in de aangehaalde bepalingen gestoeld is op de gedachte dat het personeels- lid dat meer dan tien dagen afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit de dienst te zijn getreden, of de dienst uit eigen beweging te hebben verlaten; dat derhalve het bestuur tot het bedoelde ontslag enkel mag beslissen indien, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven als gewettigd voorkomt; Overwegende dat te dezen uit het voormelde schrijven van 13 mei 1997 van de directeur van de dienst Stadsreiniging dient te worden afgeleid dat de verwerende partij minstens op die datum te weten kwam dat verzoeker in voorlopige hechtenis werd genomen wegens een gerechtelijk onderzoek; dat deze feitelijke vaststelling op zich reeds volstaat om te besluiten dat de verwerende partij ten tijde van de bestreden beslissing niet meer mocht vermoeden dat verzoeker vrijwillig uit dienst was getreden; dat zij derhalve geen beroep meer kon doen op het ontslag van ambtswege anders dan bij wege van tuchtmaatregel; dat vervolgens ook het voormelde schrijven van verzoeker van 1 november 1997 het vermoeden van vrijwillig uit dienst te treden ontkracht; dat voorts uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij van oordeel was dat aan de voorwaarden om verzoekers ontslag van ambtswege anders dan bij wijze van tuchtmaatregel op te leggen, was voldaan, want zij overweegt dat “de afwezigheid van betrokkene te wijten is aan het feit dat hij door zijn daden een ernstig risico heeft genomen waardoor zijn samenwerking met het bestuur voor lange tijd effectief onmogelijk is geworden”, en “betrokkene bovendien zelf geen enkel initiatief heeft genomen om de relatie met zijn bestuur in stand te houden”; dat, hoe het gedrag van verzoeker ook gekwalificeerd moet worden, mogelijk als laakbaar en dus vatbaar voor tuchtrechtelijke vervolging, XII-961-5/6 het in geen geval voor een bewijs van vrijwillig ontslag mocht worden gehouden; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Vernietigd wordt de beslissing van 6 november 1997 van het college van burgemeester en schepenen te Antwerpen waarbij Koenraad Van Beeck wordt ontslagen van ambtswege anders dan bij wijze van tuchtmaatregel met ingang op 28 april
  16. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-961-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.078 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.