← België

Arrest 143079 - - 14/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.079 Rolnummer: A. 114290/XIV-7713 Zaak: Arrest 143079 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 10:29 Fiche Arrest nr 143.079 van 14 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.079 van 14 april 2005 in de zaak A. 114.290/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 december 1978, en XXX, geboren op 27 augustus 1953, beiden van XXX nationaliteit, op 10 december 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 november 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 18 december 2000 en 19 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gelet op het feit dat de verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-7713-1/9 Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DELGAUFFRE die, loco Advocaat M. MANDELBLAT, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De eerste verzoekende partij komt België binnen op 27 november 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. De tweede verzoekende partij komt België binnen op 16 september 2001 en verklaart zich vluchteling op 17 september
  6. 1.
  7. Op 18 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de eerste verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 19 september 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de tweede verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 8 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van de heer XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een M. afkomstig uit XXX, meerbepaald uit B. In 1990 zou u passief lid geworden zijn van de S., de B. Begin jaren '90 zou uw oudere broer E. als XIV-7713-2/9 gastarbeider naar Duitsland zijn getrokken. In 1993 of in 1994 zou hij zijn opgeroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Aangezien uw broer zich toen in Duitsland bevond, zou hij niet zijn ingegaan op deze convocatie, waardoor u in 1993 of 1994 bezoek kreeg van de militaire politie en van de politie van B. In oktober 1997 zouden u en uw andere broer E. zijn geconvoceerd. Uw moeder zou erin zijn geslaagd voor u uitstel van militaire dienst te verkrijgen. In 1998 zou uw broer E. zijn militaire dienst begonnen zijn in K., meerbepaald in U. Op 6 juni 1998 zou hij echter zijn gedeserteerd en naar S. zijn gevlucht. Na enkele maanden daar verbleven te hebben, zou hij naar België zijn gevlucht. In augustus 1998 zou uw moeder in B. bezoek hebben gekregen van de militaire politie op zoek naar uw broer E. U zou op dat ogenblik niet aanwezig zijn geweest, gezien u in die tijd hoofdzakelijk bij uw grootouders in G. (S.) logeerde. De militaire politie zou volgens u nog enkele malen zijn langsgekomen op zoek naar uw broer, doch u was hierbij geen enkele keer aanwezig. In 1998 zou u een tweede maal zijn geconvoceerd voor uw militaire dienst. Ook toen zou uw moeder erin geslaagd zijn uitstel te verkrijgen. In september 2000 zou u een derde maal zijn geconvoceerd. Op uw convocatiebrief zou de expliciete melding gestaan hebben dat u ditmaal geen uitstel kon verkrijgen. U zou zeven dagen de tijd hebben gekregen om u aan te melden in de militaire kazerne van P. (K.). U zou besloten hebben niet op deze convocatie in te gaan omdat u schrik heeft van oorlog voeren. Ook het feit dat uw beide broers niet op hun convocaties waren ingegaan, deed u mede besluiten om uw militaire dienst niet te vervullen. U vreesde namelijk intimidaties door andere soldaten. Tot slot speelde uw etnische origine eveneens een belangrijke rol in uw besluit tot dienstweigering. Vijf dagen nadat u de convocatiebrief had ontvangen, zou u naar G. gevlucht zijn, alwaar u één maand bij uw grootouders verbleef. Vervolgens zou u naar B. getrokken zijn, waar u 15 tot 20 dagen bij een oom zou hebben gelogeerd. Hierop zou u opnieuw naar G. zijn gereisd waar u nog een 10 à 15 tal dagen bleef bij uw grootouders. Uw moeder zou u daar het nodige geld hebben gebracht voor uw vlucht. Op 17 november 2000 zou u via K. en Italië naar België zijn gereisd. U kwam België binnen op 24 november 2000 en u diende hier op 27 november 2000 een asielaanvraag in. U bent in het bezit van uw geboorteakte, dd. 26/10/1999 en een dagvaarding van de hogere rechtbank van B. waarin u wordt opgeroepen op 22/12/2000 te verschijnen wegens uw desertie. In eerste instantie dient te worden opgemerkt dat aan de door u neergelegde dagvaarding inzake uw desertie geen enkele bewijskracht kan worden toegekend. In concreto zou u op basis van dit document gedagvaard worden door de Hogere Rechtbank van B. om verantwoording af te leggen wegens het niet ingaan op een oproepingsbrief volgens artikel 173 van het Strafwetboek. Uit het Strafwetboek van S. blijkt dat artikel 173 betrekking heeft op het misdrijf diefstal en oplichting. Artikel 173 van het Strafwetboek van XXX handelt over obstructies van het verkeer en de daaraan gekoppelde strafmaten. In het Strafwetboek van J. bevat artikel 173 de omschrijving voor het toepassen van de verbeurdverklaring. In geen enkel van bovengenoemde strafwetboeken wordt het artikel 173 aldus gelieerd met dienstweigering, waardoor geen enkel geloof kan gehecht worden aan uw verklaringen hieromtrent. In tweede instantie dient te worden opgemerkt dat uw bewering als zou u zijn geconvoceerd voor uw militaire dienst bij het J. leger in september 2000 uit te voeren in K., eveneens niet geloofwaardig is. In juni 1999 trokken de S. troepen en autoriteiten zich immers volledig uit K. terug volgens Resolutie 1244 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Tot slot kunnen een aantal tegenstrijdigheden worden vastgesteld tussen uw verklaringen afgelegd in dringend beroep en deze aldaar afgelegd door uw moeder, XXX (O.V. 5.133.234). Zo verklaarde u dat u drie maal een convocatiebrief van het J. leger ontving (oktober 1997, oktober 1998 en september 2000) (verhoorverslag CGVS P. 4) U stelde dat u zelf de convocatiebrieven ondertekende (verhoorverslaq CGVS p. 6). Uw moeder daarentegen beweerde dat u in het totaal vier convocatiebrieven ontving (december 1997, september 1998, maart 2000 en september 2000) en dat zij telkens deze vier brieven ondertekende (verhoorverslaq CGVS p. 6). Verder verklaarde u dat de politie u naar aanleiding van het niet ingaan op uw oproepingsbrief van september 2000 tweemaal thuis in B. kwam zoeken, met name op 20 september 2000 en begin oktober 2000 (verhoorverslaq CGVS p. 7). Uw moeder maakte echter melding van vier politiebezoeken, meerbepaald in maart, september en december 2000 en in de lente van 2001 (verhoorverslag CGVS p. 8). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw vluchtrelaas. (...)”. 1.
  9. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van mevrouw XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) XIV-7713-3/9 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: bedrieglijk. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een M. afkomstig uit XXX, meerbepaald uit B. In maart 1993 zou uw oudste zoon E. zijn geconvoceerd om zijn militaire dienst te vervullen. Uw oudste zoon zou echter sedert 1992 in Duitsland hebben verbleven en in de zomer van 1997 naar S. (B.) getrokken zijn. Naar aanleiding van zijn dienstweigering zou u enkele keren de politie van B. over de vloer hebben gekregen op zoek naar uw zoon. In september 1997 werd uw zoon E. (O.V. 4.768.224) geconvoceerd. Op 16 oktober 1997 zou E. naar V. (S.) zijn vertrokken om er zijn militaire dienst te vervullen. Twee maanden later zou hij zijn overgebracht naar U. (K.). Op zekere dag zou uw zoon u hebben opgebeld met de boodschap dat hij wilde deserteren wegens de toenemende spanningen en oorlogsdreigingen in K. Op 6 juni 1998 zou u naar U. gereden zijn waar uw zoon u opwachtte aan een bezinestation. Samen zou u naar B. zijn teruggekeerd waar uw zoon nog enkele dagen verbleef alvorens naar B. te vertrekken. Op 1 september 1998 zou uw zoon E. naar België zijn gevlucht. Hij kwam België binnen op 25 september 1998 en diende hier op 28 september 1998 een asielaanvraag in.Twee maanden na het vertrek van E. zouden vijf leden van een speciale S. politie-eenheid bij u een huiszoeking hebben uitgevoerd, zoekend naar uw zoon E. Zo'n vijf à zes maanden later zou ditzelfde senario zich hebben herhaald. Ook uw jongste zoon S. (O.V. 5.050.300) zou door het J. leger zijn geconvoceerd om zijn militaire dienst te vervullen. Meerbepaald zou u in december 1997 een eerste convocatiebrief voor hem hebben ontvangen. U zou er echter in zijn geslaagd om de militaire dienst van S. met een jaar uit te stellen. In september 1998 zou u een tweede convocatiebrief hebben gekregen. Ook deze keer kon u één jaar uitstel van militaire dienst verkrijgen. In maart 2000 werd u een nieuwe convocatiebrief toegestuurd waarop noch u, noch uw zoon S. zouden hebben gereageerd. U zou in dit verband het bezoek hebben gekregen van de politie van B. die u vroegen waar uw zoon was. In september 2000 zou een volgende oproepingsbrief zijn gearriveerd met de vermelding dat S. zich diende aan te melden in de militaire kazerne van P. (K.). Eind september 2000 zou de militaire politie een huiszoeking hebben verricht op zoek naar S. In november 2000 zou uw zoon XXX verlaten hebben en naar België zijn gereisd. Hij diende hier op 27 november 2000 een asielaanvraag in. In december 2000 zou de politie van B. bij u thuis een dagvaarding hebben afgegeven waarin uw jongste zoon S. werd opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank. In de lente van 2001 zou de politie wederom aan uw deur hebben gestaan. U was op dat ogenblik niet thuis, doch u zou dit via uw schoonbroer die in een aanpalende woning woont, vernomen hebben. Aangezien u uw kinderen te veel miste, besloot u eveneens in september 2001 via S. en H. naar België te reizen. U kwam België binnen op 16 september 2001 en u diende hier op 17 september 2001 een asielaanvraag in. U bent in het bezit van uw J. identiteitskaart uitgereikt op 03/11/1997, uw geboorteakte dd. 15/09/1998, uw huwelijksakte en het overlijdensattest van uw echtgenoot, dd. 11/09/
  10. In eerste instantie dient te worden opgemerkt dat een aantal tegenstrijdigheden kunnen worden geconstateerd tussen uw verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze afgelegd op het Commissariaat-generaal waardoor de geloofwaardigheid ervan ernstig wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw zoon E. in juni of juli 1998 uit het leger deserteerde en vervolgens naar S. vluchtte. Een half jaar later zouden vijf soldaten van het J. leger een huiszoeking hebben uitgevoerd op zoek naar E. (vraag 42 verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken). Op het Commissariaat-generaal maakte u echter melding van twee huiszoekingen door speciale S. politie-eenheden, namelijk twee maanden na het vertrek van E. en vijf à zes maanden volgend op de eerste huiszoeking (verhoorverslag CGVS p. 5). Verder maakte u op het Commissariaat-generaal melding van diverse politiebezoeken naar aanleiding van het niet ingaan op de militaire convocatiebrief door uw jongste zoon S. Zo zou de politie van B. in maart 2000 zijn langsgekomen op zoek naar S. Eind september 2000 zou u bezoek hebben gekregen van de militaire politie. In december 2000 zou de politie van B. opnieuw zijn langsgekomen met een dagvaarding voor S. n.a.v. zijn dienstweigering. Tot slot zou u in de lente van 2001 een laatste maal geconfronteerd zijn geweest met politioneel bezoek (verhoorverslag CGVS pp. 7-8). Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u van geen enkel van deze politionele bezoeken melding, noch van de dagvaarding voor uw zoon S. (vraag 42 verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken). Voorts dient er gewezen te worden op een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen afgelegd in dringend beroep en deze aldaar afgelegd door uw zoon, XXX. Zo verklaarde u dat XIV-7713-4/9 uw zoon S. in totaal vier convocatiebrieven van het J. leger ontving en dat u deze convocatiebrieven telkens ondertekend had (verhoorverslag CGVS P. 6) Uw zoon daarentegen maakte gewag van slechts drie convocatiebrieven die hij telkenmale zelf zou hebben ondertekend (verhoorverslag CGVS p. 4). Verder stelde u naar aanleiding van de dienstweigering van S. viermaal het bezoek van politiediensten te hebben ontvangen (maart 2000, september 2000, december 2000 en lente 2001) (verhoorverslag CGVS p. 8). Uw zoon beweerde echter dat u slechts tweemaal het bezoek kreeg van de politie, met name op 20 september 2000 en begin oktober 2000 (verhoorverslag CGVS p. 7). Gelet op bovenstaande tegenstrijdigheden dient te worden vastgesteld dat er zware twijfels rijzen omtrent de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. Wat er ook van zij, uit uw verklaringen blijkt dat u in XXX geen persoonlijke problemen kende waardoor zou kunnen besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. De door u aangehaalde problemen zijn immers integraal verbonden met en gebaseerd op de vluchtmotieven van uw beide zonen, E. en S. Gezien ten aanzien van hen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan voor u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van bovengenoemde Conventie. Het feit dat u als moeder uw zonen miste, is een probleem van persoonlijke aard en valt niet onder de Conventie. (...)”.
  11. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  12. Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de “schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” en van artikel 52, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het begrip “vluchteling” in de zin van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat uit het eerste middel kan worden afgeleid dat verzoekers eveneens de materiële motiveringsplicht geschonden achten, aangezien zij de motieven van de eerste bestreden beslissing aanvechten; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven onder punt 1.
  1. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden : - aan de door verzoeker neergelegde dagvaarding inzake zijn desertie kan geen bewijskracht worden toegekend, aangezien artikel 173 van het strafwetboek geen betrekking heeft op dienstweigering; - verzoekers bewering dat hij zou geconvoceerd zijn door het J. leger om zijn dienstplicht te vervullen in K. in september 2000 is niet geloofwaardig, gelet op de terugtrekking van het S. leger en de autoriteiten uit K. in juni 1999; - er zijn tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen voor het Commissariaat-generaal en die van verzoekster, mevrouw XXX, voor diezelfde instantie in verband met de convocatiebrieven en het aantal bezoeken van de politie; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid en tot de bedrieglijkheid van verzoeksters XIV-7713-5/9 asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven onder punt 1.
  2. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden : - een aantal tegenstrijdigheden kunnen worden geconstateerd tussen verzoeksters verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze afgelegd op het Commissariaat-generaal waardoor de geloofwaardigheid ervan ernstig wordt ondermijnd. Deze tegenstrijdigheden houden verband met de huiszoekingen en met de politiebezoeken naar aanleiding van de convocatiebrieven in verband met de militaire dienstplicht van haar zonen; - er zijn een aantal tegenstrijdigheden tussen verzoeksters verklaringen afgelegd in dringend beroep en deze afgelegd door verzoeker, de heer XXX, in verband met de convocatiebrieven en het aantal bezoeken van de politie; - verzoekster kende in XXX geen persoonlijke problemen die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door haar aangehaalde problemen zijn immers integraal verbonden met, en gebaseerd op de vluchtmotieven van haar beide zonen, E. en S. Gezien ten aanzien van hen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan evenmin in hoofde van verzoekster een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden; Overwegende dat verzoekers vooreerst kritiek leveren op het motief van de eerste bestreden beslissing met betrekking tot de bewijskracht van de dagvaarding van verzoeker; dat zij aanvoeren dat “het (...) niet ongebruikelijk (is) dat onervaren Y. ambtenaren grove vergissingen begaan in het opstellen van hun documenten, en meer bepaald bij het verwijzen naar wetsartikelen”; dat zij van mening zijn dat verzoeker bijgevolg de kans had moeten krijgen daarop te replikeren; Overwegende dat uit een vergelijking van de bestreden beslissing met het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal terecht vaststelde dat het artikel 173 noch in het J., noch in het S., noch in het XXX strafwetboek betrekking heeft op desertie; dat hij bijgevolg kan overwegen dat de dagvaarding die verzoeker voorlegt, bewijskracht ontbeert en dat aan verzoekers beweringen over zijn dienstweigering geen geloof kan worden gehecht; dat verzoeker de vaststellingen van de Commissaris-generaal in verband met het bewuste artikel 173 niet betwist, maar betoogt dat een onervaren ambtenaar zich wel eens kan hebben vergist; dat verzoekers bewering evenwel hypothetisch en vaag is en niet wordt gestaafd met concrete argumenten, zodat de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet worden weerlegd; dat verzoekers argument dat hij de gelegenheid had moeten krijgen om te replikeren, evenmin afbreuk doet aan voornoemd motief; dat uit het verhoorverslag op het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker de kans heeft gekregen om zijn asielmotieven omstandig uiteen te zetten; dat de bewuste dagvaarding en de inhoud ervan eveneens aan bod is gekomen (zie verhoorverslag CGVS, p. 7 en 8); dat verzoeker aldus in de mogelijkheid was om eventuele opmerkingen te formuleren; dat bovendien de eerste bestreden beslissing niet XIV-7713-6/9 enkel steunt op dit motief, maar dat meerdere motieven de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; Overwegende dat verzoekers vervolgens een verklaring trachten te geven voor het feit dat verzoeker werd geconvoceerd om zijn militaire dienst in september 2000 in K. te volbrengen, terwijl het S. leger en de autoriteiten zich al in juni 1999, ten gevolge van resolutie 1244 van de Verenigde Naties, hadden teruggetrokken; dat zij aanvoeren dat de overheid dit deed om de miliciens “schrik aan te jagen” en sommige van hen “verkeerde(r)lijk bedreigden hen naar K. te sturen om er te vechten, hoewel dit met de werkelijkheid uiteraard niet kon kloppen”; Overwegende dat verzoekers in het verzoekschrift de vaststellingen van de Commissaris-generaal in essentie niet betwisten; dat hun verklaring geen afbreuk doet aan de wettigheid van het motief, aangezien verzoekers zich beperken tot een bewering, waarbij zij niet uitleggen waarom de overheid dergelijke praktijken zou huldigen en evenmin aangeven waarop zij zich baseren; dat dergelijke beweringen de bevindingen van de Commissaris- generaal niet ontkrachten; Overwegende dat verzoekers ten slotte de tegenstrijdigheden tussen hun asielrelazen minimaliseren en wijten aan misverstanden bij de tolken; Overwegende dat de weerhouden tegenstrijdigheden (in verband met de convocatiebrieven en de bezoeken van de politie) steun vinden in het administratief dossier en door verzoekers niet worden weerlegd; dat de tegenstrijdigheden bovendien betrekking hebben op de kern van hun asielrelazen en aan de grondslag liggen van hun vlucht uit hun land van herkomst; dat de tegenstrijdigheden derhalve niet “miniem” zijn maar de geloofwaardigheid van hun vluchtverhaal fundamenteel aantasten; dat de opmerking van verzoekers over het vertaalwerk niet wordt geconcretiseerd en geen steun vindt in het administratief dossier; Overwegende dat de Commissaris-generaal op grond van voornoemde motieven kon besluiten tot de bedrieglijkheid van de eerste bestreden beslissing; dat de motieven die steun vinden in het administratief dossier deugdelijk en draagkrachtig zijn; dat verzoekers noch in hun verzoekschrift, noch in hun toelichtende memorie, elementen aanbrengen die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  3. Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; XIV-7713-7/9 Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekers niet aantonen dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het tweede middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissingen kennen; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; Overwegende dat de schending van de materiële motiveringsplicht, wat de eerste bestreden beslissing betreft, werd onderzocht naar aanleiding van het eerste middel; dat verzoekers de motieven aanvechten die reeds werden geanalyseerd onder punt 2.
  4. van huidig arrest; dat zij evenwel geen bijkomende, concrete argumenten aanbrengen die de beslissing van de Commissaris-generaal ontkrachten; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat die motieven deugdelijk zijn; dat verzoekers evenmin in hun toelichtende memorie bijkomende elementen aanbrengen; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing gedeeltelijk steunt op de tegenstrijdigheden, die werden aangehaald in het eerste middel en die gegrond werden bevonden; dat verzoekers de overige tegenstrijdigheden, die de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, niet aanvechten; dat zij evenmin het motief aanvechten dat de Commissaris-generaal heeft doen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekster; dat de algemene affirmaties, waartoe zij zich beperken, geen afbreuk doen aan de wettigheid van de tweede bestreden beslissing; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, XIV-7713-8/9 staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-7713-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.