← België

Arrest 143080 - - 14/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.080 Rolnummer: A. 103417/XIV-3286 Zaak: Arrest 143080 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 10:29 Fiche Arrest nr 143.080 van 14 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.080 van 14 april 2005 in de zaak A. 103.417/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 mei 1981 en van Joegoslavische nationaliteit, op 13 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-3286-1/7 Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. M. TEYMOURI, die loco Advocaat E. VAN DE COTTE verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 27 juli 1999 en verklaart zich vluchteling op 28 juli
  6. 1.
  7. Op 2 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf. 1.
  8. Op 30 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 25 januari 2001 op de zetel van het Commissariaatgeneraal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is. Volgens zijn verklaringen zou betrokkene een etnisch Albanees zijn afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Strellci i Eperm (gemeente Deçan). Half april 1999 zou betrokkenes dorp zijn aangevallen en zou hij samen met zijn ouders en zijn broer naar Albanië gevlucht zijn. In Albanië zouden zij een tweetal maanden verbleven hebben, waarna betrokkene en zijn broer via Italië en Frankrijk naar België zouden zijn gevlucht. Op 27 juli 1999 kwam betrokkene met zijn broer in België aan. Op 28 juli 1999 diende hij hier een asielaanvraag in. Betrokkenes ouders zouden in Albanië zijn achtergebleven. Betrokkene heeft geen contact meer met hen en weet bijgevolg niet waar zij nu verblijven. Volgens betrokkene is het voor hem onmogelijk om naar Kosovo terug te keren omdat zijn woning er werd vernield en omdat hij niet weet waar zijn ouders momenteel zijn. Vooreerst moet worden opgemerkt dat betrokkenes geenszins aannemelijk heeft gemaakt werkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn. Betrokkene is niet in het bezit van enige documenten die zijn afkomst of identiteit kunnen staven. Geconfronteerd met de in Kosovo gangbaar Albanese term voor identiteitskaart, document dat hij beweerde te bezitten, antwoordde betrokkene dat het de benaming van een convocatiebrief voor het leger betrof (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 4). Verder kan worden opgemerkt dat betrokkenes geografische kennis van de regio waaruit hij beweert afkomstig te zijn beperkt is. Gevraagd naar buurdorpen XIV-3286-2/7 van Strellci i Eperm. kon betrokkene er slechts vier opnoemen (verhoorverslag Commissariaat- generaal p. 5). De buurdorpen Hulaj, Beleg, Istrefaj, Lpushe en Shpalla e Zeze die in een straal van 6 kilometer rond betrokkenes beweerde woonplaats liggen herkende betrokkene niet als dusdanig (verhoorverslag CGVS p. 5 - 6). Ook beweerde hij dat Raushiq een dorp van Deçan zou zijn terwijl dit dorp in werkelijkheid bij de gemeente Pejë hoort. Daarnaast verklaarde betrokkene dat de oorlog in Kosovo begon in december 1998, terwijl algemeen geweten is dat de escalatie van het gewapend conflict in Kosovo plaatsvond eind februari begin maart 1998 met de aanvallen van de Servische ordetroepen op de dorpen Likoshane, Qirez en Prekaz. In dezelfde periode vond de eerste aanval in de gemeente van betrokkenes beweerde woonplaats plaats, met name in Glodjane. (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 4). Verder kende betrokkene de naam van de busmaatschappij in Kosovo niet (verhoorverslag Commissariaat- generaal p. 5). Gevraagd naar politieke partijen in Kosovo, gaf betrokkene een naam van een krant uit Albanië (Rilindja, Demokratike) en noemde hij de Partij van de Mensenrechten, eveneens een partij uit Albanië en niet uit Kosovo. Daarnaast kan er gewezen worden op een tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van betrokkene afgelegd op het Commissariaat-generaal en deze daar afgelegd door zijn broer, B. (O.V. 4.855.713).Zo verklaarde betrokkene dat hij samen met zijn ouders en broer Kosovo ontvluchtte en naar Albanië ging (verhoorverslag Commissariaat-generaal p. 3). Betrokkenes broer daarentegen beweerde dat hij uitsluitend in het gezelschap van zijn broer Kosovo verliet en dat zijn ouders achterbleven in Kosovo en aldus nooit naar Albanië zijn gegaan (verhoorver- slag Commissariaat-generaal p. 4). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan aldus geen geloof gehecht worden aan betrokkenes beweerde afkomst en vluchtrelaas. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 2 oktober
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet) en van het motiveringsbeginsel, als “algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin- gen werden geschonden, temeer daar uit zijn middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten, omdat hij geen geloof hecht aan diens beweerde afkomst en vluchtrelaas; dat hij tot dit besluit komt op grond van de volgende motieven : XIV-3286-3/7 - verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt daadwerkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn, gezien het ontbreken van documenten met betrekking tot zijn identiteit of afkomst, zijn beperkte geografische kennis van zijn beweerde regio van herkomst, zijn onwetendheid over het tijdstip waarop de oorlog uitbrak, en zijn gebrek aan maatschappelijke en politieke kennis; - er is een tegenstrijdigheid in de verklaringen van verzoeker afgelegd op het Commissariaat- generaal en die van zijn broer voor diezelfde instantie met betrekking tot de vraag of zij al dan niet in het gezelschap van hun ouders Kosovo zijn ontvlucht; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat zijn beperkte geografische, sociale en politieke kennis en het feit dat hij de gangbare Albanese term voor identiteitskaart foutief zou hebben vertaald, geen afdoende motivering inhoudt om zijn asielrelaas als ongeloofwaardig te beschouwen; dat hij toelicht dat de Albanese term voor identiteitskaart niet algemeen gebruikt wordt in Kosovo, aangezien hij enkel de Joegoslavische term ervan kent en dat, wanneer hij de Albanese term zou hebben gekend, de Commissaris-generaal dit zou hebben opgevat als een indicatie voor het feit dat hij niet afkomstig is uit Kosovo; Overwegende dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker het begrip identiteitskaart (leternjoftim) vertaalt als “convocatiebrief voor (het) leger”, terwijl hij, aldus de Commissaris-generaal, een dergelijke identiteitskaart zou bezitten; dat het argument van verzoeker dat hij de Joegoslavische term voor identiteitskaart kent en niet de Albanese, de stelling van de Commissaris-generaal namelijk dat de Albanese term gangbaar zou zijn in Kosovo, niet weerlegt; dat het argument dat verzoekers kennis van dat Albanese woord tegen hem zou worden gebruikt, louter hypothetisch is en zelfs onlogisch, aangezien de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing zelf overweegt dat de Albanese term in Kosovo gangbaar is, zodat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat verzoeker, zo hij werkelijk uit Kosovo afkomstig was, het gevraagde begrip zou hebben gekend; dat de conclusie van de Commissaris-generaal bovendien steunt op meerdere motieven, zoals verzoekers beperkte geografische, maatschappelijk en politieke kennis van Kosovo; dat verzoeker zijn gebrekkige kennis erkent maar toeschrijft aan een beperkte opleiding en aan het feit dat hij zijn onmiddellijke omgeving zelden verliet; dat verzoekers verklaring de vaststellingen van de Commissaris- generaal niet ontkracht, daar de kennisvragen die aan verzoeker werden gesteld dermate fundamenteel en eenvoudig waren dat hij in staat mocht worden geacht ze correct te beantwoorden, indien hij werkelijk uit Kosovo afkomstig was en dit ongeacht zijn opleidingsniveau en het feit dat hij zijn dorp zelden verliet; dat verzoeker verder aanvoert dat hij de oorlog pas in december 1998 situeerde omdat hij vanaf dat moment hinder ondervond van de situatie; dat uit de bestreden beslissing en uit de documentatie, gevoegd bij het administratief dossier evenwel blijkt, dat het conflict escaleerde eind februari - begin maart 1998 en dat in dezelfde periode reeds de eerste aanval in de gemeente van verzoekers woonplaats plaatsvond; dat verzoekers argumentatie derhalve niet overtuigt; dat verzoeker XIV-3286-4/7 ten slotte aanvoert dat de Commissaris-generaal enkel rekening hield met de negatieve elementen in zijn asielrelaas zonder zijn daadwerkelijke vrees te onderzoeken; dat de Commissaris-generaal evenwel op grond van de motieven in de bestreden beslissing kon besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, deugdelijke en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat verzoeker bovendien het motief met betrekking tot de tegenstrijdigheid niet weerlegt; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending van het redelijkheids - en het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de Commissaris-generaal heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag, terwijl nog geen onderzoek ten gronde werd gevoerd; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in het stadium van de ontvankelijkheidsfase van verzoekers asielaanvraag; dat de Commissaris-generaal oordeelde op grond van artikel 52 van de Vreemdelingenwet dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk moest worden verklaard omwille van het bedrieglijk karakter ervan; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag, hetzij ontvankelijk te verklaren, hetzij niet ontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen op basis van een aantal criteria; dat op basis van de motieven opgenomen in de bestreden beslissing de Commissaris-generaal op goede gronden en conform artikel 52 van de Vreemdelingenwet besloot tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat het tweede middel ongegrond is; 2.
  12. Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt uit de schending van “artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (U.V.R.M.) en artikel 2 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.) ”; dat hij tevens de schending inroept van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), omdat de toestand in Kosovo nog steeds zeer gespannen is en het conflict onderhuids nog steeds voortwoedt, niettegenstaande de inhoud van Resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de verenigde Naties op 10 juni 1999; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder, voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische Overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1 A,
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan XIV-3286-5/7 worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat bovendien uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal terecht heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag, zodat verzoeker niet getuigt van een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoeker zich overigens in het derde middel louter beperkt tot een uiteenzetting over de algemene situatie in Kosovo, zonder deze algemene argumentatie op zijn persoonlijke toestand te betrekken; dat hij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen in strijd met artikel 2 van het E.V.R.M. en met artikel 3 van de U.V.R.M.; dat het derde middel ongegrond is;
  1. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, XIV-3286-6/7 staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-3286-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.