id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.081 Rolnummer: A. 105253/XIV-4792 Zaak: Arrest 143081 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 10:29 Fiche Arrest nr 143.081 van 14 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.081 van 14 april 2005 in de zaak A. 105.253/XIV-4792. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41 bus 8 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 17 oktober 1942, en XXX, geboren op 12 april 1946, beiden van Armeense nationaliteit, op 28 mei 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 2 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-4792-1/9 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DELGAUFFRE, die loco Advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE , die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 17 april 2000 en verklaren zich vluchteling op 18 april 2000. 1.2. Op 10 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 25 april 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van de heer XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 16 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is. Betrokkene, een Armeens staatsburger en van origine Armeens, vraagt in België asiel aan omwille van vervolgingen door de Armeense autoriteiten die hij zou gekend hebben. In 1991 zou betrokkenes zoon, A. M.,een officiële vrijstelling voor zijn legerdienst hebben gekregen. In 1994 zou de zoon omwille van politieke redenen gevlucht zijn uit Armenië en heeft hij asiel aangevraagd in België. In 1996 zouden mensen van het militair commissariaat een aantal keer bij betrokkene thuis geweest zijn om betrokkenes zoon Mher op te roepen voor zijn legerdienst. Betrokkene zou zich twee maal persoonlijk hebben moeten aanmelden bij het militair commissariaat. Ook betrokkenes echtgenoot, XXX zou dit éénmaal hebben moeten doen. Er zou hun telkens gezegd zijn dat hun zoon zijn legerdienst moest vervullen, ondanks zijn verblijf in België en ondanks zijn vrijstelling. Ook in 1997 zouden de militairen gekomen zijn en dezelfde boodschap herhaald hebben. Indien hun zoon zich niet zou aanmelden zou de politie XIV-4792-2/9 langskomen. In oktober 1998 zou betrokkene door twee politieagenten zijn meegenomen naar het politiekantoor. Hij zou er gevraagd zijn een document te tekenen opdat hij zijn zoon naar Armenië zou brengen. Hij zou niet getekend hebben en zou na een aantal uur zijn vrijgelaten. Op 5 november 1998 zou betrokkene opnieuw door de politie zijn meegenomen. Ditmaal zou hij ernstig zijn geslagen en beledigd. Hij zou twee dagen zijn vastgehouden en bedreigd zijn er voor te zullen boeten als zijn zoon zijn legerdienst niet zou vervullen. De dag van zijn vrijlating zou betrokkene met zijn echtgenote beslist hebben te vluchten. Op 8 april 1999 zouden betrokkene en zijn echtgenote Armenië verlaten hebben. Op 18 april 1999 heeft betrokkene asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van zijn geboorteakte, rijbewijs, werkboekje, huwelijksakte en een kopie van de dienstvrijstelling van zijn zoon. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat volgens betrokkenes verklaringen voor het CGVS het motief voor de vervolging gelegen is in het feit dat zijn zoon niet beschikbaar is voor zijn legerdienst. Er kan dan ook niet gesteld worden dat betrokkene omwille van zijn politieke of religieuze overtuiging, noch omwille van zijn etnie of lidmaatschap van een sociale groep, vervolgd werd. Bijgevolg valt de asielaanvraag van betrokkene buiten het toepassingsveld van de Conventie van Genève. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat betrokkene niet getracht heeft klacht in te dienen bij hogere Armeense autoriteiten. Nochtans zijn er in de verklaringen van betrokkene geen elementen aanwezig waardoor gesteld kan worden dat hij geen bescherming zou gekregen hebben. Bovendien heeft betrokkenes zoon een officiële vrijstelling van legerdienst waardoor de oproeping voor de legerdienst van zijn zoon onwettig zou zijn geweest. Dit attest rechtvaardigt bijkomend een klacht bij hogere Armeense autoriteiten. Vermits betrokkene naliet dit te doen dient gesteld te worden dat betrokkene in Armenië niet alle rechtsmiddelen uitputte alvorens zich tot de Belgische autoriteiten te wenden. Daarnaast zijn er in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene een aantal tegenstrijdig- heden aanwezig die de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas ondermijnen. Zo verklaart betrokkene voor de DVZ dat hij in september 1999 door de militaire politie is meegenomen naar een kantoor van de militaire politie (zie DVZ, punt 42). Voor het CGVS verklaart hij dat hij door de politie is meegenomen, en dit in oktober 1999 (zie CGVS, p.2). Volgens zijn verklaring voor de DVZ zouden de autoriteiten tussen 27 oktober 1999 en 5 november 1999 dagelijks gekomen zijn (zie DVZ, punt 42), volgens zijn verklaringen voor het CGVS zou er tussen begin oktober 1999 en 5 november 1999 niets gebeurd zijn (zie CGVS,p.5). Met betrekking tot zijn aanhouding op 5 november 1999 verklaart hij voor de DVZ dat hij werd opgesloten op (
- in)het militair commissariaat (zie DVZ, punt 42), voor het CGVS verklaart hij dat dit bij de politie was. Sinds 1997 zou hij immers niet meer door mensen van het militair commissariaat zijn meegenomen, enkel door de politie (zie CGVS, p.2,4). Over de concrete bedreigingen aan het adres van betrokkene verklaart hij voor de DVZ dat de militairen in de periode 1996-1997 er mee dreigden de zaak voor de rechtbank te brengen (zie DVZ, punt 42), voor het CGVS verklaart hij expliciet dat ze geen andere bedreigingen geuit hebben dan dat ze de politie gingen sturen (zie CGVS, p.7). Deze tegenstrijdigheden maken dat er ook geen geloof kan worden gehecht aan betrokkenes asielrelaas. Betrokkenes documenten wijzigen deze conclusie niet. Zijn geboorteakte, rijbewijs, huwelijksakte en werkboekje betreffen enkel persoonsgegevens en deze staan niet ter discussie. Ook het feit van de offi(ci)ële dienstvrijstelling staat niet ter discussie, bijgevolg wijzigt het attest van de dienstvrijstelling ook niets aan voorgaande motivering. Bijgevolg kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”; 1.4. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van mevrouw XXX, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: XIV-4792-3/9 “(...) Betrokkene werd verhoord op 16 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is. Betrokkene, een Armeens staatsburger en van origine Armeens, vraagt in België asiel aan omwille van vervolgingen door de Armeense autoriteiten die zij zou gekend hebben. In 1991 zou betrokkenes zoon, A. M.,een officiële vrijstelling voor zijn legerdienst hebben gekregen. In 1994 zou de zoon omwille van politieke redenen gevlucht zijn uit Armenië en heeft hij asiel aangevraagd in België. In 1996 zouden mensen van het militair commissariaat een aantal keer bij betrokkene thuis geweest zijn om betrokkenes zoon Mher op te roepen voor zijn legerdienst. Betrokkenes echtgenoot, XXX zou zich twee maal persoonlijk hebben moeten aanmelden bij het militair commissariaat. Ook betrokkene zou dit éénmaal hebben moeten doen. Er zou hun telkens gezegd zijn dat hun zoon zijn legerdienst moest vervullen, ondanks zijn verblijf in België en ondanks zijn vrijstelling. Ook in 1997 zouden de militairen gekomen zijn en dezelfde boodschap herhaald hebben. Indien hun zoon zich niet zou aanmelden zou de politie langskomen. In oktober 1998 zou betrokkenes echtgenoot door twee politieagenten zijn meegenomen naar het politiekantoor en na een aantal uur zijn vrijgelaten. Op 5 november 1998 zou betrokkenes echtgenoot opnieuw door de politie zijn meegenomen. Ditmaal zou hij ernstig zijn geslagen en beledigd. Hij zou twee dagen zijn vastgehouden en bedreigd zijn er voor te zullen boeten als zijn zoon zijn legerdienst niet zou vervullen. De dag van zijn vrijlating zou betrokkene met haar echtgenoot beslist hebben te vluchten. Op 8 april 1999 zouden betrokkene en haar echtgenoot Armenië verlaten hebben. Op 18 april 1999 heeft betrokkene asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van haar geboorteakte en werkboekje. Uit betrokkenes verklaringen voor de DVZ en het CGVS blijkt dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de problemen aangebracht door haar echtgenoot, XXX.Aangezien (
- in)het door hem ingesteld dringend beroep een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen, dient derhalve ook voor betrokkene, voor wat betreft deze problemen, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te worden genomen. Wat betreft haar persoonlijke confrontatie met de autoriteiten in 1996 dient te worden vastgesteld dat deze duidelijk samenhangen met de andere confrontaties en de problemen aangebracht door haar echtgenoot. Hierdoor kan, gelet op de bevestigende beslissing voor haar echtgenoot, tevens gesteld worden ook deze confrontatie geen vervolging of gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève doet vermoeden. Betrokkenes documenten wijzigen deze conclusie niet. Haar geboorteakte en werkboekje betreffen enkel persoonsgegevens en deze staan niet ter discussie. Bijgevolg kan er in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweige- ring besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de “schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” en van artikel 52, § 1, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het begrip “vluchteling” in de zin van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat uit het eerste middel kan worden afgeleid dat verzoekers eveneens de materiële motiveringsplicht geschonden achten, aangezien zij de motieven van de eerste bestreden beslissing aanvechten; XIV-4792-4/9 2.1.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder, voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid heeft gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het ingeroepen artikel 52, § 1, 2/, van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op vreemdelingen die aan de grens vragen om als vluchteling erkend te worden; dat de verzoekende partijen reeds het Rijk waren binnen gekomen en derhalve onder de toepassing vallen van artikel 52, § 2, van de Vreemdelingen- wet en niet van voornoemd artikel 52, § 1, 2/, zodat dit onderdeel van het eerste middel niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.1.
- Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is en kennelijk vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven onder punt 1.
- van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - het motief van de vervolging ligt in de niet-beschikbaarheid van verzoekers zoon voor het vervullen van zijn legerdienst. Bijgevolg valt verzoekers asielaanvraag buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; - verzoeker heeft niet gepoogd klacht in te dienen bij de hogere Armeense autoriteiten. Hij heeft bijgevolg niet alle interne rechtsmiddelen uitgeput alvorens zich tot de Belgische autoriteiten te wenden; - verzoekers opeenvolgende verklaringen bevatten een aantal tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen. Deze tegenstrijdigheden hebben betrekking op de maand waarin hij door de militaire politie is meegenomen, op de vraag of de autoriteiten langskwamen in de periode tussen 27 oktober 1999 en 5 november 1999, op de plaats waar hij werd opgesloten na zijn aanhouding en op de concrete bedreigingen die de militaire politie tot hem richtte; - verzoekers documenten wijzigen voornoemde conclusie niet; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven onder punt 1.
- van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden: - uit verzoeksters verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal blijkt dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de problemen aangebracht door haar echtgenoot, de heer XXX. Aangezien ten aanzien van hem een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, geldt hetzelfde voor verzoekster; - verzoeksters persoonlijke confrontatie met de autoriteiten in 1996 hangt duidelijk samen met de andere confrontaties en de problemen, aangebracht door haar echtgenoot. Hierdoor XIV-4792-5/9 kan, gelet op de bevestigende beslissing genomen ten aanzien van haar echtgenoot, deze confrontatie geen vermoeden van (een gegronde vrees voor) vervolging aantonen; - verzoeksters documenten wijzigen voornoemde conclusie niet; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers vooreerst kritiek leveren op het vervolgingsmotief, zoals vermeld in de eerste bestreden beslissing; dat zij aanvoeren dat het motief voor vervolging niet gelegen is in de niet-beschikbaarheid van hun zoon voor het vervullen van zijn legerdienst, maar wel in de bedreigingen, vernederingen en mishandelingen die zij persoonlijk hebben moeten ondergaan vanwege de militaire politie; Overwegende dat uit het feitenrelaas van de eerste bestreden beslissing en uit het administratief dossier blijkt dat de bedreigingen en vernederingen die verzoeker zou hebben ondergaan, onlosmakelijk verbonden zijn en hun directe oorzaak vinden in het feit dat verzoekers zoon niet opdaagde voor het vervullen van zijn legerdienst; dat dit motief, aldus de Commissaris-generaal, geen verband houdt met een vervolging wegens politieke of religieuze overtuiging, of wegens etnie of lidmaatschap van een sociale groep; dat de Commissaris-generaal derhalve terecht overweegt dat verzoekers asielaanvraag buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie valt; dat verzoekers in hun verzoekschrift geen elementen aanbrengen die het tegendeel aantonen; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers vervolgens aanvoeren dat de interviewer- jurist aan verzoeker geen vraag heeft gesteld over het indienen van een klacht bij de hogere Armeense autoriteiten; dat verzoekers voorhouden dat de Commissaris-generaal het betreffende motief derhalve niet mocht weerhouden, aangezien hij niet beschikte over verklaringen van verzoeker met betrekking tot dat onderwerp; Overwegende dat van verzoeker wordt verwacht dat hij zijn vluchtmo- tieven zo nauwkeurig en zo volledig mogelijk weergeeft aan de bevoegde asielinstanties, zodat zij over voldoende relevante elementen beschikken om een oordeel te vellen over de gegrondheid van diens vrees voor vervolging; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal uitgebreid de kans heeft gekregen om zijn asielrelaas uiteen te zetten; dat de Commissaris-generaal overigens niet alleen over het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal beschikte, maar tevens over de ingevulde vragenlijst, over verzoekers dringend beroepsschrift en over het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken; dat daaruit blijkt dat verzoeker niet vermeld heeft dat hij klacht heeft ingediend bij de hogere autoriteiten; dat het al dan niet neerleggen van een klacht een dermate belangrijk gegeven vormt, gelet op de context van het asielrelaas, dat kan worden aangenomen dat verzoeker dat gegeven zou hebben vermeld in de loop van de asielprocedu- re, indien hij de interne rechtsmiddelen wél had uitgeput; dat de Commissaris-generaal uit de elementen waarover hij beschikt, terecht kon afleiden dat verzoeker geen klacht heeft ingediend bij de hogere autoriteiten in zijn land van herkomst; dat het feit dat de interviewer- XIV-4792-6/9 jurist op het Commissariaat-generaal hierover geen expliciete vraag heeft gesteld, daaraan geen afbreuk doet, daar voornoemde vaststelling impliciet maar duidelijk blijkt uit het asielrelaas van verzoeker; dat dit volstaat opdat het betreffende motief wettig zou zijn; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers de tegenstrijdigheden in het asielrelaas van verzoeker “onbeduidende details” noemen, die zich altijd kunnen voordoen, zonder dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas in zijn totaliteit dient in twijfel te worden getrokken; Overwegende dat verzoekers zich beperken tot een kritiek op een motief van de bestreden beslissing zonder dat zij dit motief in concreto aanvechten, laat staan weerleggen; dat zij niet verder komen dan de bewering dat er in hoofde van verzoeker geen verschil is tussen het “Militair Commissariaat” en het “politiecommissariaat”; dat de tegenstrijdigheden evenwel steun vinden in het administratief dossier en betrekking hebben op de kern van verzoekers asielrelaas (namelijk de maand waarin hij door de militaire politie is meegenomen, de vraag of de autoriteiten langskwamen in de periode tussen 27 oktober 1999 en 5 november 1999, de plaats waar hij werd opgesloten na zijn aanhouding en de concrete bedreigingen die de militaire politie tot hem richtte); dat de argumentatie van verzoekers te vaag en te algemeen is om dit motief van de bestreden beslissing te ontkrachten; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal op grond van voornoemde motieven kon besluiten tot de bedrieglijkheid van de eerste bestreden beslissing en kon vaststellen dat verzoekers asielaanvraag kennelijk vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de motieven die steun vinden in het administratief dossier deugdelijk en draagkrachtig zijn; dat verzoekers geen elementen aanbrengen die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoeren dat de bestreden beslissingen ten onrechte overwegen dat de aanvraag van verzoekers bedrieglijk en kennelijk vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie, “steunende op een ondeugdelijke motivatie, en met uitsluiting van persoonlijke en zelf doorstane gewelddadigheden vanwege (de) autoriteiten die als ernstige aanwijzingen van vrees voor vervolging kunnen beschouwd worden”; 2.2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekers niet aantonen dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het eerste middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden XIV-4792-7/9 beslissingen kennen; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiverings- plicht aanvoeren; 2.2.
- Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de eerste bestreden beslissing wettig is; dat verzoekers zich beperken tot een algemene uiteenzetting, zonder (nieuwe) concrete argumenten aan te brengen die de beslissing van de Commissaris- generaal weerleggen; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de motieven van de eerste bestreden beslissing deugdelijk zijn; dat verzoekers geen concrete elementen aanvoeren tegen de tweede bestreden beslissing; dat de algemene affirmaties, waartoe zij zich beperken, niet van aard zijn om de beslissing van de Commissaris-generaal terzake te ontkrachten; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-4792-8/9 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-4792-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.081 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div