← België

Arrest 143087 - - 14/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.087 Rolnummer: A. 148401/XIV-18861 Zaak: Arrest 143087 - - 14/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 10:30 Fiche Arrest nr 143.087 van 14 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.087 van 14 april 2005 in de zaak A. 148.401/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. HAEGEMAN, kantoor houdende te 1081 BRUSSEL, Frans Gasthuislaan 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 december 1968 en van XXX nationaliteit, op 13 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 augustus 2001 tot verwerping van een aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 januari 2004 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan verzoeker ter kennis gebracht op 27 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-18.861-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat A. HAEGEMAN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 17 juli 2000 heeft het secretariaat van de Commissie voor regularisatie beslist dat het aanvraagdossier van verzoeker onvolledig was en heeft het dit dossier, samen met een negatief advies, overgezonden naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  5. Op 8 augustus 2000 werd dit negatief advies verstuurd naar het adres dat verzoeker had opgegeven in zijn regularisatieaanvraag. Verzoeker beschikte over een termijn van drie dagen vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie om aan de Minister van Binnenlandse Zaken zijn standpunt uiteen te zetten. Uit een schrijven van de stad A. van 14 februari 2001 blijkt dat dit advies niet kon worden ter kennis gebracht omdat uit onderzoek van de politie bleek dat verzoeker “geen belangen (meer heeft) aan adres. Verhuisd sedert 1.12.2000 naar W. adres onbekend.” 1.
  6. Op 3 augustus 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om binnen een termijn van drie werkdagen na ontvangst van het advies van het Onderzoekssecretariaat zijn XIV-18.861-2/6 standpunt mee te delen, en hij heeft bijgevolg beslist om het negatief advies van het onderzoekssecretariaat te onderschrijven. Dit is de eerste bestreden beslissing: “(...) Het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het dossier van uw regularisatieaanvraag, ingediend bij de Burgemeester te A., die het nummer 20182000012703606 draagt, onvolledig was ten aanzien van de vereisten die in artikel 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk vervat zijn. In toepassing van artikel 12 § 1 van dezelfde wet heeft het Secretariaat van de Commissie me bijgevolg, voor beslissing, een negatief advies omtrent uw aanvraag bezorgd. Het heeft u tezelfdertijd, en nog steeds in toepassing van deze bepaling, eveneens een termijn van drie werkdagen toegestaan om uw standpunt bij aangetekend schrijven uiteen te zetten. Aan deze uitnodiging heeft u geen gevolg gegeven alhoewel ze u rechtsgeldig bezorgd werd in toepassing van artikel 10 van de wet. In deze omstandigheden heb ik, op basis van uw dossier, beslist om het negatief advies van het Secretariaat te volgen en de inhoud ervan, die u als bijlage vindt, te onderschrijven. Bijgevolg dien ik u spijtig genoeg mee te delen dat uw aanvraag tot regularisatie verworpen wordt. (...).”. 1.
  7. Op 12 november 2003 en op 27 januari 2004 geeft verzoeker via de diensten van de stad A. een adreswijziging door. 1.
  8. Op 27 januari 2004 wordt aan verzoeker het bevel ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  9. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Middel afgeleid uit de schending van de artikelen 6, 7, 9 (meer bepaald 9,3, 49, 52 en 57/11 van de Wet van 15 december 1980, van de artikelen 2.4 en de artikelen 9 (9,7 en 9,9) van de wet van 22.12.1999, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele en materiële motivering van bestuurshandelingen, onvoldoende onjuiste motivering, manifeste beoordelingsfout, schending van het redelijkheidsbeginsel, onredelijke termijn, schending van het gelijkheidsbeginsel. Overwegende dat de bestreden beslissing verwijst naar het advies van het onderzoekssecre- tariaat, waarvan het de overwegingen bekrachtigd (bekrachtigt). Dat verzoeker dient vast te stellen dat de overwegingen van het Onderzoekssecretariaat, manifest intern tegenstrijdig zijn, minstens een manifeste beoordelingsfout uitmaken van zijn dossier. Dat de beoordeling op stereotype wijze gebeurt. Dat geen gedegen onderzoek gebeurde naar Dat inderdaad het Onderzoekssecretariaat zich ertoe beperkt de stukken van verzoeker af te doen als ‘te weinig in aantal, te disparaat of niet objectief (a)n(a)trekbaar’. Dat verzoeker echter niet weet waarom zij ‘te weinig in aantal’ zouden zijn, noch waarom zij ‘te disparaat’ en/of ‘niet objectief natrekbaar’ zouden zijn. Overwegende dat het Onderzoekssecretariaat betreffende zijn huurcontract, afgesloten in 1994 aanneemt dat verzoeker persoonlijk aanwezig was bij het afsluiten ervan. Dat het Onderzoekssecretariaat klaarblijkelijk uit het oog verloor dat verzoeker gedurende de ganse periode tot en met 2000, ogenblik van het indienen van de aanvraag op hetzelfde adres verbleven heeft. Dat het dan ook niet redelijk is de waarachtigheid van het huurcontract te aanvaarden, doch dit te herleiden tot een verblijf op datum van ondertekening in
  10. Dat de diverse verklaringen ten andere de aanwezigheid van verzoeker in België bevestigen. Dat verzoeker eveneens zijn paspoort bijbracht - stuk waaraan(naar) het Onderzoekssecre- tariaat klaarblijkelijk niet gekeken heeft - enig onderzoek ervan wordt niet vermeld, waaruit blijkt dat verzoeker, sedert zijn aankomst in België, dit land niet meer verlaten heeft. XIV-18.861-3/6 Dat een paspoort een objectief gegeven is. Dat zijn blijvende aanwezigheid met verklaringen die vermelden ‘sinds 1997’ enz. bevestigd wordt. Dat daardoor ook zijn aanwezigheid op 1 oktober 1999 bewezen wordt. Dat de appreciatie van het Onderzoekssecretariaat duidelijk stereotiep is, dat het dan ook niet als een gemotiveerd verslag kan aanzien worden, dat de beslissing van de Minister zou kunnen dragen. Overwegende dat verzoeker bovendien aan de Minister een aantal bijkomende stukken overmaakte. Dat de Minister geenszins verplicht is het advies van het Secretariaat en/of de Commissie te volgen. Dat de Minister volkomen onterecht géén rekening hield met deze bijkomende elementen. Dat het nochtans aan hem is, als beslissende overheid om rekening te houden met alle elementen van het dossier op het ogenblik dat hij zijn beslissing neemt. Overwegende dat verzoeker eveneens meent dat de redelijke termijn tussen het nemen van een beslissing en het betekenen ervan overschreden is, in de veronderstelling dat de Minister geen kennis gehad zou hebben van de bijkomende elementen vooraleer de beslissing genomen werd. Dat de Raad inderdaad zal vaststellen dat de bestreden beslissing méér dan 2 jaar nadat zij genomen zou zijn, slechts betekend werd. Dat het in die omstandigheden niet opgaat om verzoeker een eventuele laattijdigheid in het bijbrengen van bijkomende stukken tegen te werpen. Dat het aan de Minister is om binnen redelijke termijn zijn beslissingen ten uitvoer te brengen; dat dit in casu duidelijk niet gebeurde; dat immers ook de toestemming tot werk voor verzoeker verlengd werd tot en met februari
  11. Dat verzoeker meent dat indien er een onredelijk lange termijn verstrijkt tussen het nemen van de beslissing en het betekenen ervan, het aan de Minister is, om vooraleer tot betekening over te gaan, de redelijkheid van zijn beslissing te checken. Dat verzoeker immers voordien in de onmogelijkheid is om de bestreden beslissing aan te vechten, terwijl de in tussentijd versterkte inlichtingen zonder gevolg zouden blijven. Dat verzoeker niet het slachtoffer mag worden van deze onredelijk lange termijn. Dat verzoeker dan ook meent dat de bestreden beslissing niet juist gemotiveerd is, dat er een manifeste beoordelingsfout gepleegd is in de mate dat het advies van het Onderzoekssecre- tariaat zonder meer overgenomen wordt, terwijl bovendien géén rekening gehouden werd - ten onrechte- met de bijkomend aangebrachte bewijzen. Overwegende dat verzoeker in die omstandigheden eveneens meent dat het onredelijk is en niet getuigt van behoorlijk bestuur om hem kort daarop een bevel te betekenen het land te verlaten, en dit nog vóór de termijn voor het indienen van beroep bij de Raad van State verstreken is. Dat indien het zo is dat de regularisatieaanvraag op zich verzoeker geen wettig verblijf verschaft, verzoeker toch vanwege de overheid op een gedogen van zijn verblijf in afwachting van een definitieve beslissing mocht rekenen. Dat er dan ook aanleiding is de bestreden beslissing te vernietigen.”; 2.
  12. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het middel kritiek uit op de overwegingen van het negatief advies van het Onderzoekssecretariaat en uiteenzet dat hij bijkomende stukken heeft overgemaakt aan de Minister; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om binnen de drie werkdagen zijn standpunt uiteen te zetten omtrent het advies van het Onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie; dat verzoeker niet betwist dat hij niet heeft gereageerd binnen de drie werkdagen; dat verzoeker bijgevolg niet voor het eerst naar aanleiding van zijn beroep ingediend bij de Raad van State, inhoudelijke kritiek kan uiten op het advies van het Onderzoekssecretariaat; Overwegende dat, wat de bijkomende stukken betreft, verzoeker niet verduidelijkt om welke stukken het zou gaan en in welke zin deze stukken de bestreden XIV-18.861-4/6 beslissing in positieve zin zouden kunnen ombuigen; dat deze stukken zich niet in het administratief dossier bevinden; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; 2.
  13. Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel de schending aanvoert van de redelijke termijn wat betreft de datum van de bestreden beslissing en de kennisgeving ervan; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker zelf aan de basis ligt van de termijn van twee jaar en vijf maanden die is verstreken tussen het nemen van de bestreden beslissing en de kennisgeving ervan; dat uit het kennisgevingsbericht van de politie van A. van 14 februari 2001 blijkt dat verzoeker sinds 1 december 2000 niet meer verblijft op het adres dat hij had opgegeven in zijn regularisatieaan- vraag; dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat verzoeker op dat moment een adreswijziging heeft meegedeeld; dat uit het dossier blijkt dat verzoeker pas op 12 november 2003 een nieuw adres heeft meegedeeld via de diensten van de Stad A., en vervolgens op 27 januari 2004; dat bijgevolg een kennisgeving vóór 12 november 2003 geen nuttig effect zou hebben gesorteerd en dat dit te wijten was aan verzoeker zelf; dat de bestreden beslissing aan verzoeker werd betekend op 27 januari 2004, zijnde een tweetal maanden nadat hij een adres had meegedeeld aan de Stad A.; dat niet kan worden aangenomen dat het beginsel van de redelijke termijn werd geschonden; dat het tweede onderdeel van het middel ongegrond is; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het middel aanvoert dat het onredelijk is en niet getuigt van behoorlijk bestuur om hem een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis te brengen, “en dit nog vóór de termijn voor het indienen van (het) beroep bij de Raad van state verstreken is.”; Overwegende dat de weigeringsbeslissing van de bevoegde Minister een administratieve beslissing is, die uitvoerbaar is, tenzij de Raad van State er naar aanleiding van een annulatie- en/of schorsingsberoep anders zou over beslissen; Overwegende dat de omstandigheid dat de termijn voor het indienen van beroepen bij de Raad van State tegen de bestreden weigeringsbeslissing nog niet is verstreken, niet inhoudt dat deze beslissing niet de rechtsgrond kan vormen voor het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aangezien voornoemde beroepen geen schorsende werking hebben; dat bijgevolg de in het derde onderdeel opgenomen beginselen niet worden geschonden en dat het derde onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat het enig middel in al zijn onderdelen ongegrond is; XIV-18.861-5/6
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-18.861-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.