← België

Arrest 143161 - - 15/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.161 Rolnummer: A. 157555/XII-4378 Zaak: Arrest 143161 - - 15/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 10:36 Fiche Arrest nr 143.161 van 15 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.161 van 15 april 2005 in de zaak A. 157.555/XII-

  1. In zake : Magda VAN SCHOORISSE, die woonplaats kiest bij advocaten C. De Wolf en C. Peeters, kantoor houdende te Maarkedal, Etikhovestraat 6 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Magda Van Schoorisse op 18 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen om het systeem van de arbeidsduurvermindering niet uit te breiden naar het (para)medisch- pedagogisch ondersteunend personeel van het tehuis Heynsdaele, zoals meegedeeld in haar schrijven d.d. 20 september 2004”; Gezien het verzoekschrift dat Magda Van Schoorisse op 17 november 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing te vorderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; XII-4378-1/6 Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 4 februari 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2005; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. Peeters, die verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretarissen A. Halloy en A. Van Der Haegen, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De voorgaanden Overwegende dat de provincieraad van de provincie Oost- Vlaanderen op 11 september 2002 beslist om met ingang van 1 januari 2003 een verlof voor arbeidsduurvermindering in te voeren voor de opvoeders en hoofdopvoeders, vanaf de leeftijd van 45 jaar, van het provinciaal tehuis Heynsdaele; dat in de beslissing wordt overwogen dat het “aangewezen is de arbeidslast van het opvoederspersoneel in het tehuis te verlichten” en dat de subsidiërende overheid in een betoelaging voorziet ter uitvoering van de maatregelen; dat, ofschoon ook de andere personeelsleden (“paramedici, onderhoud, keuken en administratie”) op eenzelfde voordeel hebben aangedrongen, het hun niet wordt toegekend; dat, blijkens stuk 5 van het administratief XII-4378-2/6 dossier, de reden hiervoor onder meer is dat voor hen de arbeidsvermindering niet wordt gesubsidieerd door het Vlaams Fonds en dat “men zich de vraag [kan] stellen naar de opportuniteit van dergelijke maatregel”; Overwegende dat in een brief van 20 oktober 2002 “[h]et administratief, logistiek, keukenpersoneel, paramedische en pedagogische medewerkers” -bij wie verzoekster- aan verwerende partij laten weten zich “over het hoofd gezien” te voelen, en “nogmaals” vragen “om ook voor de betrokken personeelscategorie de toepassing van tegemoetkomende maatregelen goed te keuren”; dat de bestendige deputatie op 19 december 2002 beslist niet in te gaan op de vraag; dat in de antwoordbrief van 22 januari 2003 wordt verantwoord dat uit een doorlichting is gebleken dat voor de (hoofd)opvoeders de werkbelasting, in combinatie met de leeftijd, problematische gevolgen heeft, dat alleen voor hen het Vlaams Fonds de vervangende tewerkstelling subsidieert, dat er zich weliswaar ook bij de andere personeelscategorieën problemen kunnen voordoen op het einde van de loopbaan, dat die vaststelling evenwel opgaat voor het voltallige provinciepersoneel en dat een verdere uitbreiding van het systeem van arbeidsduurvermindering tot ondraaglijke bijkomende financiële lasten voor het bestuur zou leiden; Overwegende dat met brief van 10 februari 2003 een aantal personeelsleden, onder wie verzoekster, “nogmaals de kwestie aankaarten van de werktijdverkorting voor sommige personeelsleden in Heynsdaele”; dat verzoekster ook in een brief van 5 december 2003 op de zaak “wil [...] terugkomen”; dat zij meedeelt zich gediscrimineerd te voelen en geen verschil te zien in werkbelasting tussen haar functie en die van hoofdopvoeder; dat de verwerende partij op 17 december 2003 antwoordt dat het standpunt van de bestendige deputatie, zoals het geformuleerd werd in de brief van 22 januari 2003, evenals de daarbij gegeven motivering, “onveranderd” blijven; Overwegende dat met brief van 2 juli 2004 verzoekster eens te meer “de arbeidsduurvermindering voor het (para) medisch-pedagogisch kader van het tehuis Heynsdaele” bepleit; dat bij brief van 20 september 2004 namens de bestendige XII-4378-3/6 deputatie wordt geantwoord dat de argumenten die de bestendige deputatie eind 2002 deden beslissen om het verlof voor arbeidsduurvermindering niet toe te staan aan het niet-opvoedend personeel van het tehuis “onverminderd”voort gelden; dat de in die brief vervatte “beslissing” het voorwerp van de besproken vorderingen is; De ontvankelijkheid Overwegende dat, zoals verzoekster in de toelichting bij het enige middel terecht opmerkt, de argumenten waarop de bestreden “beslissing” steunt “vooreerst en hoofdzakelijk van louter financiële aard zijn” en voorts de opportuniteit en het verschil in werklast tussen het opvoedend en niet-opvoedend personeel betreffen; dat zij geenszins nieuw zijn; dat het in wezen dezelfde argumenten zijn die de provincieraad al op 11 september 2002 deden besluiten slechts voor de (hoofd)opvoeders in een verlof voor arbeidsduurvermindering te voorzien en die de bestendige deputatie er reeds op 19 december 2002 toe brachten niet in te gaan op de vraag tot uitbreiding van de verlofregeling naar het niet-opvoedend personeel; dat dan ook, niet verwonderlijk, de geadresseerde van de brief van 20 september 2004 die de aangevochten “beslissing” bevat, op 27 september 2004 antwoordt “in dit schrijven geen enkel nieuw argument terug [te vinden] dat ons kan overtuigen”; Overwegende dat, anders dan verzoekster laat verstaan, ook het argument in de brief van 20 september 2004 dat “de sociale maribelregeling van de privé-sector niet te vergelijken is met deze van de openbare sector” en dat de subsidiëring in de openbare sector in ieder geval nooit de volledige loonkost dekt, niet nieuw is; dat de bestendige deputatie er mee antwoordt op de brief van 2 juli 2004 van verzoekster in zoverre zij daarin -aldus de deputatie- “herhaalt” dat voor de financiering van de gevraagde arbeidsduurvermindering gebruik kan worden gemaakt van “de gelden van de sociale maribel”; dat die zienswijze ook al vóór de provincieraadsbeslissing van 11 september 2002 werd geformuleerd en toen, getuige het eerder vernoemde stuk 5 van het administratief dossier, eveneens werd voorbijgezien omdat de betreffende subsidiëring “in ieder geval nooit de volledige loonkost [dekt]”; XII-4378-4/6 Overwegende dat in de gegeven omstandigheden moet worden vastgesteld dat de bestendige deputatie in de bestreden “beslissing” niets meer doet dan alleen maar het eerdere standpunt van de verwerende partij herhalen dat de verlofregeling voor arbeidsduurvermindering tot de (hoofd)opvoeders van het tehuis Heynsdaele beperkt blijft; dat zij door aldus te handelen geen beslissing met eigen rechtsgevolgen heeft genomen; dat daar niets van afdoet het betoog van verzoekster dat “wanneer een administratieve overheid discretionair oordeelt over de toekenning van een voordeel, de onthouding of de weigering zich uit te spreken over een verzoek tot toekenning van het voordeel, kan aangevochten worden”; dat, mogelijk, dit betoog nuttig kon zijn aangevoerd ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van een vordering tegen het besluit van 11 september 2002 van de provincieraad of het besluit van 19 december 2002 van de bestendige deputatie; dat het echter niet de ontvankelijkheid verantwoordt van een beroep tegen de inhoud van een brief die er toe beperkt is deze besluiten te bevestigen; Overwegende dat verwerende partij op goede grond de aanvechtbaarheid van het bestreden besluit betwist; dat het niet voor vernietiging of schorsing in aanmerking komt; dat de besproken vorderingen kennelijk onontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4378-5/6 Artikel
  4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien april 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4378-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.