← België

Arrest 143237 - - 18/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.237 Rolnummer: A. 138325/VII-33466 Zaak: Arrest 143237 - - 18/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:42 Fiche Arrest nr 143.237 van 18 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.237 van 18 april 2005 in de zaak A. 138.325/VII-33.466 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VANHALLE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, ‘Hangar 26’ Rijnkaai 93 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kirgizische nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.466-1/8 Gelet op de beschikking van 28 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VANHALLE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, daartoe gemachtigd bij beslissing van de Auditeur-generaal van 16 februari 2005, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 10 mei 2000 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 2 oktober 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 22 mei 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U, een Kirgizisch staatsburger van de Russische origine ontvluchtte uw vaderland nadat u reeds jaren problemen kende met een politieagent die u viseerde. Reeds sinds 1997 kende u problemen met eenzelfde lokale politieagent. De man liet, na een ruzie over een te repareren toestel, de televisietoestellen die u verhandelde in beslag nemen. U zag de goederen nooit terug. Tevens sloot hij u een week op en mishandelde hij u. U liet na uw vrijlating een juridisch-medische expertise uitvoeren. Ook diende u via een advocate een klacht in bij zowel de wijkrechtbank, de regionale rechtbank alsook het Opperste Arbitragehof. De drie klachten werden verworpen wegens gebrek aan bewijs, daar u nooit als gevangene geregistreerd stond. Ook in 1998 zorgde de lokale politieagent voor problemen toen hij zonder reden uw auto in beslag nam. U zag de agent enige dagen later in de auto door de stad rijden en sprak hem hierover aan. De man schold u echter uit. Een week later kreeg u uw auto beschadigd terug. Toen u de auto in dergelijke staat weigerde terug te nemen, werd u weer vastgehouden en valselijk beschuldigd van het bezit van patronen van vuurwapens. Ook nu werd u mishandeld en bedreigd. U liet een juridisch-medische expertise uitvoeren. In mei 1999 leerde u uw huidige echtgenote kennen. In april 2000 werd u tijdens een café-bezoek door dezelfde, ook aanwezige agent geconvoceerd. U ging niet op de convocatie in. Op 11 april 2000 boden daarop diezelfde en andere agenten zich bij uw VII-33.466-2/8 thuis aan. Ze sloegen u en vernielden de flat. Toen uw vrouw tussenbeide trachtte te komen, deelde ook zij in de klappen. Dientengevolge had ze een miskraam. U werd meteen naar het plaatselijke politiebureau afgevoerd en een tijdlang vastgehouden. In die periode werd u ernstig mishandeld, bedreigde men u en uw echtgenote met de dood, trachtte men u misdrijven - die u niet gepleegd had - te laten bekennen en diende u een papier te tekenen dat u het land niet zou verlaten. Toen besloot u, na overleg met een advocaat, dat het veiliger was meteen onder te duiken. Op 28 april 2000 verliet u Kirgizistan vergezeld van uw familie. B. Motivering Gezien de talrijke tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende relazen en de verklaringen van uw echtgenote, kan er geen geloof worden gehecht aan de door u afgelegde verklaringen in het kader van uw asielaanvraag. Zo verklaarde u, noch uw echtgenote bij de Dienst Vreemdelingenzaken of in uw eerste schriftelijke verklaring (op 05.10.01) ooit iets over juridisch-medische expertises in 1997 en 1998, noch over een klacht bij drie rechtbanken die zonder gevolg bleven in 1997, noch over doodsbedreigingen die ten overstaan van u en uw echtgenoot werden geuit hetgeen u wel deed in uw schriftelijke verklaring op 03.05.03, nadat uw vrouw reeds tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal met deze tegenstrijdigheden geconfronteerd werd. Wat deze doodsbedreigingen betreft verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken expliciet enkel met opsluiting te zijn bedreigd, terwijl uw echtgenote verklaarde indirect te zijn bedreigd (DVZ man en vrouw, vraag 46). Gezien het belang dat u en uw echtgenote aan deze feiten hechten voor het Commissariaat-generaal en in uw schriftelijke verklaring (CGVS vrouw, p. 4, 7-14 en schriftelijke verklaring man op 03.05.03), kan u niet aannemelijk maken dat u deze feiten vergat te melden bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Bovendien verklaarde u in april 2000 te hebben getekend als zou u het land niet verlaten (schriftelijke verklaring man op 05.10.01 en 03.05.03). U maakte hiervan geen melding tijdens uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Verder verklaarde uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal dat u in december 1998 werd opgesloten en mishandeld naar aanleiding van het feit dat u de vernielde wagen weigerde terug te nemen zonder enige compensatie van de politie (CGVS vrouw, p. 7-9). U alsook uw echtgenote verklaarden voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat deze feiten zich in januari 1999 afspeelden (DVZ man en vrouw, vraag 42). In uw schriftelijke verklaring dd. 03.05.03 verklaarde u dat deze feiten “eind december 1998 en begin januari 1999” plaatsvonden. Deze verduidelijking gebeurde echter niet spontaan, maar kwam er pas nadat uw echtgenote reeds tijdens het interview met deze tegenstrijdigheid geconfronteerd werd. Het geheel van deze tegenstrijdigheden ondermijnt uw geloofwaardigheid. Bovendien kende u sinds 1997 problemen met éénzelfde lokale politieagent (DVZ man, vraag 42, schriftelijke verklaring man op 03.05.03 en CGVS vrouw, p. 5-7, 12). U kan dan ook niet aannemelijk maken dat er sprake is van een systematische en algehele vervolging vanwege de Kirgische autoriteiten. Nergens blijkt uit uw relaas dat de problemen het lokale niveau overstegen (Schriftelijke verklaring man op 03.05.03 en CGVS vrouw, p. 12). Verder is het opmerkelijk dat u uw oude, niet ongeldig gemaakte internationale paspoort kan voorleggen, terwijl u verklaarde dat uw nieuw internationaal paspoort zou zijn afgenomen door de lokale politieagent tijdens zijn laatste huiszoeking (schriftelijke verklaring man op 03.05.03 en CGVS vrouw, p. 2-3). Ten slotte dient te worden aangehaald dat u geen begin van bewijs voorlegt van de door u aangehaalde feiten. Aldus kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ter staving van uw identiteit legde u de volgende documenten voor: rijbewijs man, bibliotheekkaart vrouw, internationaal Sovjetpaspoort man, huwelijksakte, geboorteakte vrouw, medisch attest België man. De door u voorgelegde documenten bevestigen uw identiteit, maar doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie VII-33.466-3/8 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in, gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991, alsook van de artikels 52 § 1 en 52 § 1 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en van artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie van 1951; Dat de bestreden beslissing op uiterst lacunaire wijze is gemotiveerd, en derhalve niet voldoet aan de afdoendheidsvereiste gesteld in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuursakten; Dat eerste tegenpartij volledig ten onrechte oordeelt dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is en geen verder onderzoek behoeft, enerzijds op basis van een aantal vermeende lacunes en tegenstrijdigheden, anderzijds op grond van het lokale karakter van verzoekers problemen, en ten slotte wegens gebrek aan bewijs. Dat er met name aan verzoeker verweten wordt dat deze tijdens zijn interview op de dienst vreemdelingenzaken geen melding zou gemaakt hebben van de medische expertises die verzoeker bij twee verschillende gelegenheden liet opstellen. Dat verzoeker op dit punt enerzijds volhoudt dat hij dit wel heeft vermeld op de Dienst Vreemdelingenzaken, doch dat dit blijkbaar niet in het eindverslag werd opgenomen; Dat dit zeer goed mogelijk is, daar de medische expertises op zich geen cruciaal element vormen van verzoekers asielrelaas, zodat men bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waar geen letterlijke transcriptie wordt gemaakt van de asielrelazen, zeer wel dit element uit het verslag kan gelaten hebben; Dat er tevens aan verzoeker wordt verweten pas op het Commissariaat-generaal melding te hebben gemaakt van doodsbedreigingen. Dat zowel verzoeker als zijn echtgenote het bij het eerste interview wel degelijk hebben gehad over bedreigingen, met name indirecte bedreigingen, waarvan de precieze draagwijdte niet verder wordt gepreciseerd, en bedreigingen met opsluiting. Dat er doorheen de verschillende incidenten heel wat bedreigingen zijn geuit; Dat het dan ook geen verwondering behoeft dat deze niet steeds op dezelfde manier worden omschreven; Dat de echtgenote van verzoeker hierover bevraagd verduidelijkt dat het ging om fysieke bedreigingen, en dat met opsluiting dreigen ook neerkomt op met de dood te dreigen (CGVS verhoorverslag, p. 13); Dat verder ook aan verzoeker wordt verweten dat deze tijdens zijn interview op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van de ondertekening van het uitreisverbod; Dat hier wederom moet worden opgemerkt dat dit geen essentieel element van verzoekers asielrelaas betreft; Dat de algemene opmerking moet worden gemaakt dat het onderzoek op de Dienst Vreemdelingenzaken in de regel veel minder gedetailleerd verloopt dan op het Commissariaat-generaal, zodat het ook geen verwondering behoeft vast te stellen dat er in de loop van het interview op het Commissariaat-generaal meer details naar voren komen dan op het eerste interview; Dat er verder aan verzoeker alsook aan zijn echtgenote wordt verweten dat zij de incidenten met betrekking tot de auto van verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken VII-33.466-4/8 hadden gesitueerd in januari 1999, daar waar verzoekers echtgenote deze feiten situeert tijdens haar interview op het Commissariaat-generaal situeert in december 1998 -januari 1999; Dat het feit dat het incident zich uitstrekt over de maanden december 1998 en januari 1999 juist een verklaring is voor de verwarring hieromtrent; Dat men hier spijkers op laag water zoekt; Dat men verder stelt dat de problemen van verzoeker van lokale aard zouden zijn, aangezien één en dezelfde agent steeds weer de oorzaak is geweest van verzoekers problemen; Dat het feit dat deze persoon echter deel uitmaakt van de politiemacht juist impliceert dat verzoekers probleem het lokale niveau overstijgt; Dat overigens moet worden gewezen op de omstandigheid dat, indien deze ene persoon inderdaad de oorzaak is van de problemen van verzoeker, die persoon voor zijn intimidaties, bedreigingen en pesterijen de hulp kreeg van vele collega's, en dat er hem door het gerechtelijk apparaat geen strobreed in de weg werd gelegd; Dat in die omstandigheden dan ook moeilijk kan worden volgehouden dat verzoekers problemen enkel een lokaal karakter zouden hebben; Dat wat betreft het paspoort van verzoeker, vooreerst moet worden vastgesteld dat aan verzoeker niet werd gevraagd om op dit punt verduidelijking te brengen; Dat dit argument dan ook niet tegen verzoeker mag worden gebruikt. Dat verzoeker hierop nog wenst te verklaren dat zijn nieuwe paspoort inderdaad in beslag werd genomen-, Dat enkel de oude 'interne' paspoorten, het equivalent van onze identiteitskaarten, moesten worden ingewisseld, doch niet de internationale paspoorten. Dat de door eerste tegenpartij aangehaalde argumenten dan ook in hun geheel genomen geenszins volstaan om de bestreden beslissing te schragen; Dat de bestreden beslissing dan ook genomen werd in schending van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuursakten.”; 2.
  6. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat verzoeker meer bepaald ingaat op de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden; dat verzoeker met betrekking tot de vaststelling van de Commissaris-generaal dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken noch in zijn eerste schriftelijke verklaring van 5 oktober 2001 vermeldde dat hij juridisch-medische expertises had laten uitvoeren, zich ertoe beperkt zulks te ontkennen; dat verzoeker stelt dat hij hierover wel degelijk heeft gesproken voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker niet kan worden gevolgd; dat immers nergens uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker voor deze instantie zou hebben gesproken over juridisch-medische expertises; dat daarbij dient te worden opgemerkt dat verzoeker het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend nadat dit hem was voorgelezen, waarmee hij bevestigde dat dit verhoorverslag overeenstemt met de door hem afgelegde verklaringen; dat er redelijkerwijze van mag worden uitgegaan dat verzoeker op dat ogenblik diende op te merken dat in het verhoorverslag niets was opgetekend omtrent de expertises, gelet op het mogelijk belang ervan ter ondersteuning van het relaas; dat uit het verhoorverslag echter niet blijkt dat verzoeker een dergelijke opmerking zou hebben gemaakt, zodat zijn bewering als zou hij wel degelijk over deze expertises hebben gesproken, niet kan worden aangenomen; VII-33.466-5/8 Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de omstandigheid dat hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken evenmin verklaard heeft dat hij en zijn echtgenote met de dood werden bedreigd, dan weer een andere interpretatie tracht te geven aan de door hem afgelegde verklaringen; dat verzoeker er evenwel niet in slaagt de vastgestelde tegenstrijdigheid te weerleggen; dat uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken louter heeft verklaard met opsluiting te zijn bedreigd en dat verzoekers echtgenote voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft gesproken over onrechtstreekse bedreigingen (zie verhoorverslagen DVZ, vraag 46); dat verzoekster daarentegen voor het Commissariaat- generaal over doodsbedreigingen sprak (zie verhoorverslag CGVS vrouw, p. 12); dat de uitleg “dat met opsluiting dreigen ook neerkomt op met de dood (...) dreigen” niet kan worden aangenomen, aangezien redelijkerwijze dient te worden vastgesteld dat tussen deze twee begrippen een aanzienlijk verschil bestaat; dat verzoeker er bovendien aan herinnerd dient te worden dat op een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid rust om van bij de aanvang van de asielprocedure, en in alle fasen ervan, actief mee te werken aan de procedure en om voor elke asielinstantie, en dus ook reeds voor de Dienst Vreemdelingenzaken, een zo gedetailleerd, volledig en coherent mogelijk asielrelaas te vertellen; dat dit des te meer geldt wanneer het gaat om dermate relevante incidenten als doodsbedreigingen; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de omstandigheid dat hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken evenmin vermeldde dat men hem verplichtte een papier te ondertekenen dat hij het land niet zou verlaten, zich ertoe beperkt deze incoherentie te minimaliseren; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, dit incident wel degelijk vrij relevant lijkt te zijn; dat verzoeker er daarenboven op dient te worden gewezen dat de Commissaris-generaal niet op basis van deze ene tegenstrijdigheid alleen heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van zijn asielrelaas, doch wel op basis van meerdere tegenstrijdigheden in samenhang, welke door verzoeker geenszins worden weerlegd; Overwegende dat, wat verzoekers algemene opmerkingen aangaande het verloop van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken betreft, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de wijze waarop een interview verloopt op zich een verklaring kan bieden voor het gewoonweg niet vermelden van elementen die bepalend waren voor het vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst; dat de vastgestelde discrepanties en lacunes in casu duidelijk blijken uit de afgelegde verklaringen en geen ruimte laten voor de correcties die verzoeker er post factum poogt aan te brengen; Overwegende dat verzoeker ook de vastgestelde tegenstrijdigheid omtrent het tijdstip waarop het incident met de vernielde wagen zich voordeed niet weet te VII-33.466-6/8 weerleggen; dat uit de bestreden beslissing en uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat verzoeker en zijn echtgenote voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarden dat dit incident plaatsvond in januari 1999 (zie verhoorverslagen DVZ, vraag 42); dat verzoekers echtgenote voor het Commissariaat-generaal echter meermaals uitdrukkelijk verklaarde dat dit incident plaatsvond in december 1998 (zie verhoorverslag CGVS vrouw, p. 8); dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker lijkt aan te voeren, zijn echtgenote dit incident voor het Commissariaat-generaal vervolgens niet spontaan in de maanden december 1998-januari 1999 situeerde; dat, zoals de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing terecht opmerkt, deze verduidelijking er pas kwam nadat verzoekers echtgenote met de tegenstrijdigheid werd geconfronteerd; dat de tegenstrijdigheid met andere woorden overduidelijk is; Overwegende dat, waar verzoeker verder in zijn verzoekschrift nog ingaat op de overweging van de Commissaris-generaal dat verzoekers problemen het lokale niveau niet blijken te overstijgen en op de opmerking van de Commissaris-generaal betreffende verzoekers paspoort, dient te worden opgemerkt dat dit slechts afrondende opmerkingen betreffen; dat het doorslaggevende motief van de bestreden beslissing immers wordt gevormd door het geheel van de hierboven besproken tegenstrijdigheden, wat de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas ondermijnt, en welke door verzoeker niet worden weerlegd; dat dit motief draagkrachtig en afdoende is; dat verzoekers laatste opmerkingen dan ook niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen leiden; dat het enige middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: VII-33.466-7/8 Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.466-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.237 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.