id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.268 Rolnummer: A. 57862/IX-299 Zaak: Arrest 143268 - - 18/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 10:43 Fiche Arrest nr 143.268 van 18 april 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.268 van 18 april 2005 in de zaak A. 57.862/IX-
- In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven, thans de minister van Mobiliteit tegen : het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij : de Vlaamse Vervoermaatschappij “DE LIJN”, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat op 6 mei 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 december 1993 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende aanduiding van de ambtenaren van de Vlaamse Vervoermaatschappij belast met het opsporen en vaststellen van overtredingen van sommige reglementeringen op het vervoer van personen; Gelet op het arrest nr. 48.530 van 12 juli 1994 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de Vlaamse Vervoermaatschappij “De Lijn” in het administratief kort geding wordt ingewilligd en de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; IX-299-1/9 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de Vlaamse Vervoermaatschappij “De Lijn”; Gelet op de beschikking van 6 juli 1995 die de tussenkomst van de Vlaamse Vervoermaatschappij “De Lijn” toelaat; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 29 februari 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 14 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de o pmer kingen van advocaat K. VAN STEENBERGHE, die loco advocaat C. VANDEBROECK verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. VAN HOOREBEKE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. JUDO, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-299-2/9 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Artikel 25.1.2/ en 6/ van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (hierna : het wegverkeersreglement), luidt als volgt : “25.
- Het is verboden een voertuig te parkeren : (...) 2/ op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst. (...) 6/ op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden”. 1.
- Artikel 3 van het wegverkeersreglement duidt onder de personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen aan : “13/ Het personeel van de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer bij de uitoefening van zijn dienst, belast met een mandaat van gerechtelijke politie en uitsluitend inzake de toepassing van artikel 25.1.2/ en 6/”. 1.
- Door het thans bestreden besluit van 6 december 1993 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming worden negen personeelsleden van de Vlaamse Vervoermaatschappij belast “met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van de reglementen op de politie van het personenvervoer per tram, premetro, metro, trolleybus, autobus en autocar en van artikel 25.1.2/ en 6/ van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer op de lijnen beheerd door de Vlaamse Vervoermaatschappij”. IX-299-3/9
- Over de rechtspleging. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij op 16 december 1994 een “toelichtende memorie” neerlegt waarin zij de schending aanvoert van artikel 6, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat zij dit middel reeds kon aanvoeren in haar inleidend verzoekschrift; dat het middel als niet ontvankelijk moet worden verworpen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij voorts op 26 september 1996 een aanvullende memorie neerlegt waarin zij haar laatste memorie neergelegd op 2 april 1996 “herroept”; dat dit stuk laattijdig is neergelegd en derhalve uit de debatten moet worden geweerd;
- Over de gegrondheid van de vordering. 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoek- schrift de schending aanvoert van artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet en van artikel 11, eerste en derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat het bestreden besluit personeelsleden van de Vlaamse Vervoermaatschappij belast met het opsporen en het vaststellen van overtredingen van artikel 25.
- 2/ en 6/ van het wegverkeersreglement en aldus aan gewestelijke ambtenaren opsporings- en vaststellingsbevoegdheid verleent in verband met inbreuken op de federale strafwetgeving; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie het advies nr. L. 24.728/2 van de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot een ontwerp van decreet betreffende het opsporen en vaststellen van overtredingen van de decreten van het Waalse Gewest als volgt citeert : “Cette disposition excède la compétence de la Région. En effet, il n’appartient pas au législateur décrétal de déterminer dans une disposition normative quelles sont les règles de compétence fédérale que les officiers et les agents de police IX-299-4/9 judicaire sont autorisés à mettre en oeuvre, fût-ce en souhaitant se borner à rappeler l’existence des règles applicables”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het belang van de verzoekende partij ontzegt aangezien “de beweerde schending van de bevoegdheidsregels inzake strafrecht geenszins de prerogatieven van zijn mandaat en bevoegdheid als Minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven miskent”, dat de “zorg voor een goede strafrechtsbedeling (...) niet onder de bevoegdheid van de Minister van Verkeerswezen, doch wel onder de bevoegdheid van de Minister van Justitie (valt)”; 3.2.
- Overwegende dat de Belgische Staat de verzoekende partij is en dat die partij vertegenwoordigd is door de minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven; dat die vertegenwoordiging geschiedt door de minister tot wier bevoegdheden het voorwerp van het geschil behoort; dat dit te dezen het geval is; dat de exceptie niet opgaat; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de argumenten van de tussenkomende partij tot de hare maakt en bijkomend argumenteert dat het bestreden besluit geen “bevoegdheidsbesluit” is, doch een “benoemingsbesluit”; 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst betoogt dat krachtens artikel 11, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : BWHI van 8 augustus 1980), de decreetgever bevoegd is om binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie toe te kennen aan de ambtenaren van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren, dat artikel 6, § 1, X, 8/ van de BWHI van 8 augustus 1980 bepaalt dat het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer een gewestelijke aangelegenheid is, dat alvorens het openbaar vervoer een gewestelijke IX-299-5/9 aangelegenheid werd, de wetgever heeft bepaald hoe de opsporings- en vaststellings- bevoegdheid moet worden uitgeoefend en dat hij aan de Koning de bevoegdheid heeft gegeven de ter zake bevoegde ambtenaren en beambten aan te duiden, dat aangezien het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer thans een gewestelijke aangelegenheid is, de Vlaamse minister ook bevoegd is om de personeelsleden aan te duiden die belast zijn met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen op de wetgeving op het openbaar vervoer en dit volgens de regelen die destijds door de wetgever en de Koning zijn bepaald; 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie betoogt dat de krachtens artikel 11 van de BWHI van 8 augustus 1980 aan de Gewesten en Gemeenschappen toegekende bevoegdheid om agenten van gerechtelijke politie aan te wijzen met betrekking tot de door henzelf strafbaar gestelde handelingen, dient te worden uitgebreid tot de handelingen die destijds door de federale overheid strafbaar zijn gesteld en die een gewestelijke materie zijn geworden; dat de overtredingen waarvan sprake is in het bestreden besluit in wezen geen aangelegenheden zijn van wegverkeer, maar gezien hun finaliteit aangelegen- heden zijn van gemeenschappelijk stads- en streekvervoer; 3.4.
- Overwegende dat het bestreden besluit de bij name genoemde personeelsleden belast met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van, onder meer, artikel 25.1, 2/ en 6/, van het wegverkeersreglement op de lijnen beheerd door de Vlaamse Vervoermaatschappij; dat de bedoelde personeelsleden aldus worden belast met het opsporen en vaststellen van overtredingen waarvan de omschrijving tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort; dat het, behoudens een uitdrukkelijke bevoegdheidstoekenning in een bijzondere wet, aan de gewesten niet staat om ambtenaren te belasten met het opsporen en vaststellen van zulke overtredingen; dat artikel 11, derde lid, 1/, van de BWHI van 8 augustus 1980 terzake niet kan worden ingeroepen nu die bepaling de gemeenschappen en de gewesten slechts toelaat onder hen ressorterende ambtenaren de hoedanigheid van officier of agent van gerechtelijke politie toe te kennen met betrekking tot de door henzelf strafbaar gestelde handelingen of gedragingen; dat het gegeven dat IX-299-6/9 personeelsleden van de vervoermaatschappijen voor de totstandkoming van de staatshervorming belast waren met de opsporing en de vaststelling van dezelfde of van gelijkaardige overtredingen, nog niet impliceert dat de gewesten terzake bevoegd zijn nu de bevoegdheden inzake het verkeers- en vervoersbeleid zijn verdeeld tussen de gewesten en de federale overheid, en die laatste overheid onder meer bevoegd is gebleven voor de politie van het wegverkeer; dat derhalve ook niet staande kan worden gehouden dat het woord “regering”, dat voorkwam in het - van voor de staatshervorming daterende - artikel 62, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals die bepaling luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, mede zou verwijzen naar de gewestregeringen; dat overigens in de thans geldende tekst van die bepaling het woord “regering” is vervangen door het woord “Koning”; Overwegende dat, daargelaten de vraag welke draagwijdte dient te worden toegekend aan artikel 3, 13/, van het wegverkeersreglement, zoals het luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, die bepaling in ieder geval niet de bevoegdheidsrechtelijke grondslag kan vormen van het bestreden besluit; dat immers enkel bij de Grondwet of krachtens de Grondwet genomen bijzondere wetten - en niet bij een koninklijk besluit - aan de gewesten bevoegdheden kunnen worden toegekend; Overwegende dat ook geen beroep kan worden gedaan op artikel 10 van de BWHI van 8 augustus 1980; dat de toepassing van dat artikel onder meer veronderstelt dat het treffen van een regeling betreffende een aangelegenheid waarvoor het gewest in beginsel niet bevoegd is, noodzakelijk - en niet enkel nuttig - is voor de uitoefening van de eigen bevoegdheid van het gewest; dat de verwerende noch de tussenkomende partij aantonen - en de Raad van State niet ziet - dat zulk een noodzakelijkheidsverband aanwezig is; dat tenslotte artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 door het gewest niet kan worden ingeroepen om een federale bepaling werkbaar te maken; IX-299-7/9 Overwegende dat aan wat voorafgaat geen afbreuk wordt gedaan door de vaststelling dat het bestreden besluit niet, in het algemeen, categorieën van personeelsleden belast met de opsporing van overtredingen, maar opsporings- ambtenaren bij name aanwijst; dat zulks immers niet wegneemt dat het Vlaamse Gewest optreedt op het vlak van de opsporing en vaststelling van overtredingen van het wegverkeersreglement en derhalve de federale bevoegdheid betreedt; Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de woorden “en van artikel 25.1, 2/ en 6/ van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer” in artikel 1 van het besluit van 6 december 1993 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende aanduiding van de ambtenaren van de Vlaamse Vervoermaatschappij belast met het opsporen en vaststellen van overtredingen van sommige reglementeringen op het vervoer van personen. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-299-8/9 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Artikel
- Het door de verzoekende partij op haar verzoekschrift teveel gekweten recht ten belope van 99,16 euro, wordt haar terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-299-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.