← België

Arrest 143284 - - 18/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.284 Rolnummer: A. 130716/XIV-13073 Zaak: Arrest 143284 - - 18/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 10:43 Fiche Arrest nr 143.284 van 18 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.284 van 18 april 2005 in de zaak A. 130.716/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. JESPERS, kantoor houdende te 2100 ANTWERPEN, Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit op 2 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van 23 oktober 2002 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2004; XIV-13.073-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. MOMMERENCY, die loco advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct- adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 20 januari 2002 en zich op 21 januari 2002 vluchteling verklaart; dat op 23 oktober 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 31 oktober 2002 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken bent u etnische Albanese uit Kosovo, meerbepaald uit Qubrel (Skenderaj). U bent epilepsie-patiënte. Omwille van de oorlog zou u Kosovo verlaten hebben. Uw ouders zouden in een rusthuis verblijven. U woonde onder een plastiek zeil. Uw ouders gaven het adres van een vriend in België, waar u via onbekende weg heenreisde. Op 20 januari 2002 kwam u aan in België, waar u de volgende dag asiel vroeg. In België zou u ondertussen gehuwd zijn met de zoon van uw vaders vriend, Q. P., om zo verblijfsdocumenten in België te verkrijgen. U wil niet naar Kosovo terugkeren omdat u daar niets meer heeft. U bent in het bezit van een identiteitskaart, afgeleverd door UNMIK. Er dient te worden opgemerkt dat u in uw verklaringen geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat u uw geboortestreek heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, of alsnog zulk een vrees dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo. Op de dienst Vreemdelingenzaken maakte u nergens melding van enige problemen in de zin van de Conventie naar een eventuele veroordeling, opsluiting, aanslag op de lichamelijke integriteit of intimidatie antwoordde u telkens negatief. U refereerde enkel naar de oorlog van 1998-
  3. Deze oorlog is echter niet meer actueel. Het door u ingeroepen motief dat u niet wil terugkeren omdat u niets meer hebt in Kosovo, is een probleem van socio- economische aard en ressorteert als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van voornoemde Conventie. Voor het verkrijgen van een toelating of machtiging tot verblijf in België op basis van uw relatie met een in België verblijvende vreemdeling, dient u de geëigende procedures aan te wenden. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat ik inzake de asielaanvraag ingediend door uw partner reeds op 25 september 2000 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam. Gezien uit uw verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat de door u ingeroepen vluchtmotieven kennelijk ongegrond en vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève en u in het verzoekschrift inzake uw dringend beroep, ingediend door uw advocaat geen concrete elementen aanbrengt die deze vaststelling wijzigen, meen ik dat het niet noodzakelijk is u te horen.”; XIV-13.073-2/4 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de rechten van de verdediging en van het gelijkheidsbeginsel opwerpt; dat zij aanvoert dat zij in het dringend verzoek uitdrukkelijk heeft gevraagd om te worden gehoord, dat de bestreden beslissing zonder verhoor is genomen, dat het tot de rechten van de verdediging behoort om in het kader van het dringend beroep te worden gehoord, dat dergelijk verhoor in 99% van de gevallen plaatsvindt en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden door zulks niet te doen; 2.1.
  5. Overwegende dat de rechten van de verdediging in administratiefrechtelijke zaken enkel van toepassing zijn op tuchtzaken doch niet op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat geen bepaling of beginsel een algemene verplichting voorziet om een kandidaat-vluchteling te horen bij de behandeling van een dringend beroep; dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom de commissaris-generaal afziet van het door de verzoekende partij gevraagde verhoor; dat de verzoekende partij met een algemene verwijzing naar “99% van de asielaanvragen” niet aannemelijk maakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden door haar geen tweede maal te horen; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij aanvoert dat aan de motiveringsplicht niet is voldaan omdat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom zij niet werd gehoord; 2.2.
  7. Overwegende dat, zoals hierboven sub 2.1.
  8. reeds is gesteld, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom de commissaris-generaal afziet van het door de verzoekende partij gevraagde verhoor; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet enkel van toepassing is op jurisdictionele beslissingen doch niet, zoals te dezen, op beslissingen van een orgaan van actief bestuur; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van XIV-13.073-3/4 artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.073-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.