← België

Arrest 143287 - - 18/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.287 Rolnummer: A. 140438/XIV-16383 Zaak: Arrest 143287 - - 18/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:44 Fiche Arrest nr 143.287 van 18 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.287 van 18 april 2005 in de zaak A. 140.438/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213 bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.383-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 december 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 7 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 14 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Chinese nationaliteit te bezitten, van Tibetaanse origine te zijn en afkomstig te zijn uit het dorp Gyama te Meldro Gungkar. Uw moeder zou betrokkene zijn bij de vereniging ‘Rinzin Tsopka’. Op 10 maart 1999 zou uw moeder hebben deelgenomen aan een betoging tegen de Chinese overheid. Hierbij zou ze zijn opgepakt door de Chinese politie en gedetineerd in Meldro Gungkar. Op 10 juni 1999 zou uw moeder zijn vrijgelaten. Tien dagen later zou ze overleden zijn. Op 10 maart 2000 zou uw vriend T. P. u hebben gevraagd hem te vergezellen naar Meldro Gungkar stad. Daar aangekomen zouden u en uw vriend zich hebben aangesloten bij een betoging die aan de gang was voor een onafhankelijk Tibet. Daarop zou de politie zijn gearriveerd. Zowel u als uw vriend werden opgepakt en gedetineerd in de gevangenis van Meldro Gungkar. De derde dag van uw aanhouding zou u zijn ondervraagd. De vijfde dag zou u zijn vrijgelaten. Bij een volgende arrestatie zou u riskeren levenslang te worden gedetineerd en te sterven. In de nacht van 1 op 2 september 2002 zou u samen met T. P., K. en T. anti- regeringsgezinde pamfletten hebben aangekleefd op openbare plaatsen in Meldro Gungkar. Dit ter ere van het Tibetaanse evenement ‘Mangtso Duchu’ (Groupement of people) die de volgende dag zou plaatsnemen. T. en K. zouden een aparte route van u en T. P. hebben genomen. Toen plots T. P. riep dat u moest weglopen, zou u naar uw vriend P. in het dorp Tsamagyé zijn gegaan. De volgende dag zou u via uw broer vernomen hebben dat diezelfde nacht de politie uw ouderlijke woning zou zijn binnengevallen om u aan te houden. Op 3 september 2002 zou u vanuit Tsamagyé per wagen naar Shigatse zijn gereden. Van daaruit zou u onder begeleiding van de gids L. te voet via Sharkombo de Tibetaanse grens met Nepal hebben overgestoken. Op 28 september 2002 zou u in een Nepalees dorp zijn gearriveerd. Daar zou u in de woning van L. hebben verbleven. Op 10 december 2002 zou u per vliegtuig naar een onbekende bestemming zijn afgereisd. Per trein zou u in België zijn aangekomen. U vroeg hier asiel aan op 12 december
  3. B. Motivering Vooreerst dient te worden vastgesteld dat na een vergelijking van uw opeenvolgende verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat-generaal (CGVS) blijkt dat deze niet eensluidend kunnen worden genoemd. Hierdoor brengt u de geloofwaardigheid van uw asielrelaas sterk in het gedrang. Zo verklaarde u op de DVZ dat uw moeder in 1999 de politieke groepering ‘Rinzin Tsokpa’ oprichtte (zie DVZ, p. 12). Op het CGVS echter verklaarde u niet te weten in welke zin uw moeder bij deze vereniging betrokken was. U kon niet zeggen of uw moeder al dan niet lid was van deze vereniging. Bovendien verklaarde u niet te weten waar de vergaderingen van deze vereniging gewwonlijk plaatsvinden (zie CGVS, p. 26). Op de DVZ beweerde u nochtans dat de vergaderingen steeds in uw ouderlijke woning werden georganiseerd (zie DVZ, p. 12). Met betrekking tot uw aanhouding XIV-16.383-2/6 op 10 maart 2000, verklaarde u op de DVZ reeds de dag na uw arrestatie te zijn ondervraagd (zie DVZ, p. 13). Op het CGVS daarentegen verklaarde u pas de derde dag van uw opsluiting te zijn ondervraagd en stelde u uitdrukkelijk dat er de eerste twee dagen van uw opsluiting niks gebeurde (zie CGVS, p. 18). De geloofwaardigheid van uw ingeroepen problemen komt hierdoor in het gedrang. Voorts is het bevreemdend te noemen u nagenoeg geen woord Chinees kon spreken. Weliswaar verklaarde u nooit school te hebben gelopen, toch is uw gebrek aan kennis enigszins merkwaardig te noemen daar er in Lhasa en omgeving een sterke verchinezing merkbaar is. Verder dient te worden angestipt dat de omschrijving die u gaf van de door u genomenv luchtweg eerder vaag te noemen is. Rekening houdend met het feit dat uw vlucht uit Tibet over land moeilijk zonder blijvende indrukken kan zijn, is het merkwaardig dat u weinig concrete gegevens over deze vluchtroute kon verstrekken. Gezien uw verblijf van meer dan twee maanden in Nepal, is het moeilijk aannemelijk dat u niet weet in welk Nepalese dorp u deze tijd zou hebben verbleven zoals u op het CGVS verklaarde. Dat u steeds binnen in de woning van S. L. zou hebben verbleven is hiervoor geen afdoende verklaring. Bovenstaande vaststellingen doen ernstige twijfels rijzen of u wel recent uit Tibet afkomstig bent. Tenslotte zijn de documenten die u ter ondersteuning van uw asielrelaas voorlegde op het CGVS, in het licht van bovenstaande vaststellingen, niet van die aard om de appreciatie van de commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Temeer daar deze documenten weliswaar uw Tibetaanse origine aantonen, doch geenszins een bewijs vormen dat u de Chinese nationaliteit bezit. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik vestig de aandacht van de minister op het feit dat het in de huidige omstandigheden niet duidelijk is of gedwongen terugkeer naar China zonder risico van ernstige vervolging mogelijk is. Dit sluit niet uit dat u zonder risico van vervolging vrijwillig naar uw land van herkomst kan terugkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Afgeleid uit de schending van het artikel 52, §1, 2/, a) van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980, uit de schending van de motiveringplicht en meer bepaald artikel 3, van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29.07.1991 en artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980, alsmede de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de beginselen van redelijkheid en zorgvuldigheid. Eerste onderdeel (...) Wat betreft de vermeende tegenstrijdigheden De commissaris-generaal haalt een aantal tegenstrijdigheden aan die zouden blijken uit de lectuur van de opeenvolgende verhoorverslagen. Met name lijken er aanzienlijke verschillen te zitten in de verklaringen van verzoeker met betrekking tot de vereniging ‘Rinzin Tsopka’ waarin wijlen zijn moeder actief was. De aangehaalde tegenstrijdigheden kunnen echter niet als dienend worden beschouwd. - Na afloop van het interview op DVZ werd er aan verzoeker gevraagd het verslag dat er van zijn verklaringen werd opgemaakt te ondertekenen. De vraag van verzoeker om dit verslag nog eens voor te lezen opdat verzoeker het op zijn juistheid zou kunnen nagaan, werd hem echter geweigerd. - Uit het verhoorverslag op het commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker op geen enkele manier op de aangehaalde tegenstrijdigheden werd gewezen of ermee werd geconfronteerd. Had men dit wel gedaan, dan had verzoeker alleszins kunnen verduidelijken hoe de vork precies aan de steel zat. Wat betreft verzoekers recente verblijf in Tibet. Voorts wordt verzoekers recente verblijf in Tibet in twijfel getrokken. De redenen die daarvoor worden aangehaald zijn verzoeker gebrekkige kennis van de Chinese ondanks een sterke verchinezing in de regio Lhassa, verzoekers gebrek aan ‘blijvende indrukken’ bij zijn XIV-16.383-3/6 vlucht van Tibet naar Nepal, en het feit dat verzoeker de naam van het dorp in Nepal niet kent waar hij enige tijd heeft verbleven. Deze argumenten zijn niet ernstig te noemen. Uit de lectuur van verzoekers verhoorverslag voor het CGVS blijkt immers duidelijk dat men op zoek is gegaan naar een stok om mee te slagen, zonder enige rekening te houden met het geheel van verzoekers verklaringen. Verzoeker heeft immers een hele reeks van details gegeven over zijn dorp, de ligging ervan en de omgeving, alsook over leefgewoonten, kloosters e.d.m. De weerslag ervan is te vinden op p. 7-12 van het verhoorverslag van het CGVS. Aan verzoeker wordt een gebrekkige kennis van de Chinese taal verweten, ondanks een duidelijk merkbare verchinezing van de regio Lhassa. Verzoeker zelf heeft echter duidelijk gemaakt dat hij nooit Chinees heeft geleerd, dat hij er als landbouwer uit een klein dorpje ook nauwelijks mee te maken kreeg. De enige Chinese aanwezigheid in zijn omgeving waren het Chinese politiebureau en restaurant in het stadje Meldro Gungkar, op een uur te voet van verzoekers woonplaats. De stad Lhassa ligt daarbij op een kleine 60 km van verzoekers dorp verwijderd en verzoeker kwam er nooit. In die omstandigheden aan verzoeker zijn gebrekkige kennis van het Chinees verwijten, is ronduit onredelijk. Hetzelfde geldt voor het gebrek aan ‘blijvende indrukken’ dat verzoeker zou hebben van zijn reis van Tibet naar Nepal. Hoewel voor een toerist de tocht door wellicht prachtige natuurlandschappen misschien inderdaad niet zonder blijvende indrukken blijft, ging het bij verzoeker tijdens deze reis allerminst om de mooie landschappen. Bovendien dient erop te worden gewezen dat verzoeker wel degelijk een aantal details over deze reis heeft gegeven, zoals ook blijkt uit p. 4 van het verhoorverslag op het CGVS. Het is dan ook allerminst duidelijk wat er in dit deel van de bestreden beslissing precies verweten wordt. Tenslotte wordt er nog aan verzoeker verweten dat hij de naam van het dorp in Nepal niet kent waar hij gedurende een aantal weken ondergedoken heeft geleefd alvorens naar Europa te kunnen komen. Dit is echter allerminst verwonderlijk in het licht van het feit dat verzoeker er verstopt leefde in het huis van de sherpa die hem hielp op zijn vlucht, en dat hij er enkel ‘s avonds even buiten kon komen. Verzoeker mocht er geen contact hebben met de andere bewoners, en wellicht verzweeg de sherpa voor zijn eigen veiligheid aan verzoeker ook de naam van het dorp waarin hij verbleef. Uit wat voorafgaat blijkt duidelijk dat de aangehaalde motieven ruim onvoldoende zijn om te kunnen besluiten tot het bedrieglijke karakter van verzoekers asielaanvraag. De in de bestreden beslissing aangehaalde motivering volstaat niet om deze te kunnen schragen, en werd dan ook genomen in schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, alsook van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuursakten. Tweede onderdeel In fine van de bestreden beslissing staat het volgende te lezen: ‘Ik vestig de aandacht van de minister op het feit dat het in de huidige omstandigheden niet duidelijk is of gedwongen terugkeer naar China zonder risico van ernstige vervolging mogelijk is. Dit sluit niet uit dat u zonder risico van vervolging vrijwillig naar uw land van herkomst kan terugkeren.’ Een dergelijke stelling is manifest onredelijk. Immers, het is volstrekt onduidelijk waarom enerzijds een gedwongen terugkeer niet mogelijk zou zijn, nota bene omwille van een risico van ernstige vervolging, en waarom daarentegen anderzijds een vrijwillige terugkeer geen enkel veiligheidsrisico voor verzoeker zou inhouden. Dat, indien dat dan zo zou zijn, verzoeker in ieder geval het recht heeft in de bestreden beslissing te vernemen waarom de commissaris-generaal deze stelling inneemt, zodat enerzijds de Raad van State zijn wettelijkheidstoezicht kan uitoefenen, en anderzijds verzoeker zich op de argumenten van de commissaris-generaal kan verdedigen via de rechtsmiddelen die de wet hem daartoe ter beschikking stelt. Dat in de huidige omstandigheden de commissaris-generaal echter opnieuw tekort komt aan zijn motiveringsplicht, zoals opgenomen in de hoger aangehaalde bepalingen, alsook aan de beginselen van behoorlijk bestuur, als daar zijn de plicht tot redelijkheid en tot zorgvuldigheid. Dat het immers volstrekt onredelijk is om zonder enige verder uitleg te stellen dat gedwongen terugkeer om veiligheidsredenen niet mogelijk is, maar vrijwillige terugkeer wel. Dat de commissaris-generaal om dezelfde reden ook tekort komt aan zijn plicht tot zorgvuldigheid.”; 2.
  5. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, XIV-16.383-4/6 het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert en dat het onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden op algemene wijze betwist met de stelling dat de voorlezing van het verhoorverslag op de dienst Vreemdelingenzaken zou zijn geweigerd; dat dit nergens uit blijkt, dat de verzoekende partij in het dringend beroep of voor de commissaris-generaal geen opmerkingen over dat verslag heeft opgemaakt en dat zij ook thans nalaat concrete fouten of onvolkomenheden in het verhoorverslag aan te duiden, laat staan aannemelijk te maken; dat de Raad van State geen bepaling op beginsel bekend is op grond waarvan de commissaris-generaal een kandidaat-vluchteling met tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende verklaringen zou moeten confronteren; dat integendeel van een kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij een duidelijk en coherent asielrelaas geeft bij de bevoegde instanties; Overwegende dat de verzoekende partij een eigen interpretatie geeft aan de vaststellingen van de commissaris-generaal over haar beperkte kennis van Nepal en de Chinese taal; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, zonder dat ieder element afzonderlijk die beslissing moet kunnen dragen; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat het middel uitsluitend is gericht tegen de uitspraken van de commissaris-generaal over de terugleiding naar het land van herkomst; dat die uitspraken van de commissaris-generaal slechts een niet-bindend advies vormen en derhalve geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vormen; dat het tweede onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is; XIV-16.383-5/6
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.383-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.