← België

Arrest 143295 - - 18/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.295 Rolnummer: A. 113606/VII-33460 Zaak: Arrest 143295 - - 18/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 10:45 Fiche Arrest nr 143.295 van 18 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.295 van 18 april 2005 in de zaak A. 113.606/VII-33.460 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten F. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 6 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 28 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-33.460-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat F. COEL, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché V. HOEFNA- GELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, daartoe gemachtigd bij beslissing van de Auditeur-generaal van 16 februari 2005, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 25 augustus 2000 en verklaarde zich vluchteling op 30 augustus
  3. 1.
  4. Op 20 november 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 5 juli 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing als volgt : “Aan betrokkene werd op 5 april 2001 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 november
  6. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens anders luidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevoch- ten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Dit is de bestreden beslissing;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift vraagt dat onderhavige zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden; dat zij nochtans zonder enig voorbehoud te formuleren is verschenen voor een kamer samengesteld uit één staatsraad overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij bijgevolg geacht worden afstand te doen van haar verzoek; VII-33.460-2/6 3.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van de wettelijke opdracht van verweerders: Overwegende dat de Commissaris-generaal er zich in zijn beslissing mee vergenoegd zich te beperken tot de blote vaststelling dat vertoogster zonder geldige reden binnen de maand van verzending geen gevolg heeft gegeven aan de oproep noch aan de vraag om inlichtingen zodat overeenkomstig artikel 52 § 2 al 4 van de Vreemdelingenwet (W. 15 december 1980) middels een technische beslissing de weigerende beslissing van verblijf van de Minister van Binnenlandse Zaken de dato 20 november 2000 moet worden bevestigd; Dat de vaststellingen van de C.G. bijzonder laconiek zijn en zich beperken tot het al dan niet (ontvangen en/of) terugsturen van een verzoek tot het verschaffen van uitleg en verhoor; Dat de Commissaris-generaal daar zijn taak te licht opneemt en verzuimt te polsen naar de redenen voor asiel die worden aangedragen door vertoogster zoals dit zijn opdracht is; Dat inderdaad de Commissaris-generaal werd geconfronteerd met een vluchtverhaal dat blijkbaar aanvullend diende te worden onderzocht, reden van de oproep voor verhoor; Dat blijkbaar het één en het ander misgelopen is met de oproep van vertoogster wat niet moest leiden tot een negatieve beslissing binnen het kader van artikel 52 § 2 al 4 Vreemdelingenwet waar de tekst duidelijk stelt dat de aanvraag “kan”afgewezen worden als niet ontvankelijk, dergelijke beslissing is evenwel geen automatisch gevolg noch een verplichting voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen; Dat bovendien de Commissaris-generaal niet verplicht is de kandidaat asielzoeker te horen alvorens een beslissing te nemen aangaande de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst Vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris-generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie: M. Bossuyt, “Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingen Wet voor de Senaatscommissie voor de Binnenland- se aangelegenheden”, Parl. St. 1992-93 , nr. 555/2 ,

(54)55, nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; (zie D. Vanheule, “Vluchtelingen: een overzicht”, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 348) Dat bovendien de term “kennelijk” in artikel 52 § 1, 7/ Vr. W. de beslissingsbe- voegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; Dat zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat de kandidaat vluchteling het voordeel van de twijfel moet worden gegeven en hij moet worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; (zie D. Vanheule “Vluchtelingen: een overzicht”, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998 , nr. 349 ev.) Dat evenwel de Commissaris-generaal meent een beslissing te moeten nemen louter op technische gronden zonder zelfs maar kennis te nemen van de middelen van vertoogster zoals ontwikkeld voor de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat in plaats van de verklaringen te toetsen aan objectieve gegevens die de Commissaris-generaal kent, de Commissaris-generaal zich louter beperkt tot de technische vaststelling dat vertoogster verstek maakte; Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en dat het de taak van een onafhankelijke administratie zou moeten zijn objectief een dossier samen te stellen en ieder dossier op een eerlijke wijze te beoordelen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verweerders en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolko- men dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd.”; 3.1.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie integraal verwijst naar hetgeen in het verzoekschrift is uiteengezet; VII-33.460-3/6 3.1.
  2. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat de hoedanigheid van vluchteling geweigerd kan worden aan de vreemdeling die, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op regelmatige wijze door de Commissaris-generaal werd uitgenodigd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal; dat verzoekster hieraan echter zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven; dat de bestreden beslissing derhalve verenigbaar blijkt met de gegevens van het dossier en dat aldus artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet correct werd toegepast; dat, zo verzoekster weliswaar aanvoert “dat blijkbaar het één en ander misgelopen is” met de oproepingsbrief, zij niettemin heeft nagelaten dit met enig concreet element aan te tonen; dat verzoeksters uitleg dan ook niet voldoet; dat verzoekster verder op generlei wijze aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal haar dossier niet op een individuele en objectieve wijze zou hebben onderzocht; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur: Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertoogster de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de verplichting tot zorgvuldig- heid; Dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie: I., Opdebeek, “Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen” in Opdebeek. (cd.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51). Dat de Commissaris-generaal meent een beslissing te moeten nemen op grond van een loutere technische vaststelling; Dat het Commissariaat-generaal bijzonder onzorgvuldig is te werk gegaan daar waar hij bovendien de verklaringen afgelegd voor de Minister niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie; Dat zoals supra reeds gesteld de loutere technische vaststelling van artikel 52 § 2 al. 4 op zich niet hoeft te leiden tot een beslissing van niet ontvankelijkheid, desgevallend slechts wanneer het vluchtverhaal na tweede lectuur aangetast zou zijn door een grond van niet ontvankelijkheid; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd.”; 3.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie integraal verwijst naar hetgeen in het verzoekschrift is uiteengezet; 3.2.
  5. Overwegende dat verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard omdat verzoekster geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen van het Commissariaat-generaal; dat uit het administratief dossier blijkt dat VII-33.460-4/6 verzoekster steeds de kans heeft gekregen haar vluchtverhaal van in het begin zo coherent en volledig mogelijk uiteen te zetten; dat verzoekster werd gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken met een tolk die haar taal machtig was; dat verzoekster ook werd uitgenodigd om op het Commissariaat-generaal haar relaas te doen; dat verzoekster aan deze vraag echter geen gehoor heeft gegeven; dat zij thans dan ook bezwaarlijk kan stellen dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan; dat aan verzoekster immers de mogelijkheid werd geboden haar asielmotieven te komen toelichten op het Commissariaat-generaal; dat het dan ook aan verzoekster zelf te wijten is dat zij hiervan heeft afgezien, zonder hiervoor een geldige reden op te geven; dat een schending van de zorgvuldigheidsplicht dan ook niet kan worden aangenomen; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt : “Afwending van macht: weigering van kennisname. Overwegende dat vertoogster wil laten gelden dat verweerders steeds in dezelfde zin op flagrante wijze weigeren kennis te nemen van de middelen van vertoogster en hierdoor hun macht afwenden; Dat zeer concreet machtsafwending inhoudt dat de C.G. zijn bevoegdheden aanwendt op een andere wijze dan de Wetgever deze heeft vastgelegd; Dat blijkens het dossier de C.G. zijn bevoegdheden (onafhankelijke asieladministratie) aanwendt op een wijze die niet strookt met de opdracht en de waardigheid, slechts aanwendt met het oog op het razendsnel afleveren van kwalitatief slechte, maar perfect in de lijn van het streven van de Minister van Binnenlandse Zaken liggende “bevestigende beslissingen van weigering verblijf”; Dat steeds in die zin vertoogster de Raad van State opmerkt dat de C.G. zelve (Hoofd van de onafhankelijke asieladministratie) eerder het beleid heeft uitgetekend van de Minister van Binnenlandse Zaken waarna hij vrijwel onmiddellijk werd benoemd als C.G. om die dienst op te doeken ... Dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Commissaris-generaal perfect op de hoogte is (of zouden moeten zijn) van de toestand in de Kaukasus in het algemeen en in Armenië in het bijzonder; (zie ten overvloede supra) Dat de vrees van vertoogster zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond; Dat het weigeren van kennisname van de feiten en aldus het manifest miskennen van deze feiten een afwending van macht inhoudt zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt; Dat vertoogster dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd.”; 3.3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie integraal verwijst naar hetgeen in het verzoekschrift is uiteengezet; 3.3.
  8. Overwegende dat, wat verzoeksters beschouwingen aangaande de persoon van de Commissaris-generaal betreft, zij nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat uit de bestreden beslissing immers niet kan worden afgeleid dat verzoeksters asielaanvraag niet individueel en objectief zou zijn behandeld; dat bovendien de onafhankelijkheid van de Commissaris-generaal wettelijk vastligt (artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet), wat wordt bevestigd door het feit dat de Minister zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de VII-33.460-5/6 Commissaris-generaal, maar eventueel voor de Raad van State de vernietiging ervan kan vorderen; dat verzoeksters beschouwingen dan ook niet aannemelijk maken dat er sprake zou zijn van “machtsafwending”; dat voor het overige wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel, waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal in alle redelijkheid kon besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat het derde middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.460-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.