← België

Arrest 143315 - - 19/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.315 Rolnummer: A. 127869/XIV-12080 Zaak: Arrest 143315 - - 19/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 10:50 Fiche Arrest nr 143.315 van 19 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.315 van 19 april 2005 in de zaak A.127.869/XIV-12.080. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1951 en van XXX nationaliteit, op 25 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 maart 2002 tot weigering van regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; XIV-12.080-1/10 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.M. TEYMOURI, die loco Advocaat E. VAN DE COTTE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.2. Op 28 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.3. Op 14 december 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies luidt als volgt: “(...) De heer XXX, aanvrager en betrokkene, heeft regularisatie van verblijf in België aangevraagd op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, B.S. 10 januari 2000, p. 578-581, in werking getreden op 10 januari 2000 (art. 17), err. B.S. 2 februari 2000, p. 3291, wegens onmogelijkheid tot terugkeer, overeenkomstig art. 2,2/ van genoemde wet (criterium 2) en wegens duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, overeenkomstig art. 2,4/ van genoemde wet (criterium 4). Op de zitting werd betrokkene grondig ondervraagd door ieder lid van de Kamer. Op de zitting was er eveneens een dialoog tussen de leden en de Commissie voor Regularisatie enerzijds en anderzijds de advocaat die betrokkene bijstond bij toepassing van art. 9 van het K.B. van 5 januari 2000. Alle vereisten voor regularisatie van het verblijf in België zijn door de Kamer nauwgezet onderzocht, ook deze die niet betwist zijn door het onderzoekssecretariaat. Hoofdzakelijk de vereisten die aanleiding geven tot betwisting worden besproken. Uit de informatie verstrekt door of namens betrokkene op de zitting en uit de studie van de stukken van het regularisatiedossier, en bovendien uit het nazicht van het stuk neergelegd door of namens de betrokkene op de zitting, is de Kamer tot volgende bevindingen gekomen. FUNDAMENTELE VEREISTEN Onder de fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België verstaat men de voorwaarden tot regularisatie die op alle aanvragers van toepassing zijn, wat ook het criterium mag zijn waarop de aanvrager zich beroept om regularisatie te bekomen. Deze vereisten zijn vermeld in art. 9,1/-5/ van de wet van 22 december 1999. In art. 2 van de wet staan de vier criteria waarop een aanvrager beroep kan doen. In art. 9,6/-9/ van de wet zijn de specifieke vereisten vermeld die van toepassing zijn op ieder criterium. XIV-12.080-2/10 De fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België zijn absoluut, globaal en onomkeerbaar. Wanneer ook maar één enkel van deze vereisten ontbreekt, dan is het dossier onvolledig en moet de aanvraag noodzakelijkerwijze aanleiding geven tot een negatief advies. In dit geval is het zelfs niet meer nodig na te gaan of voldaan is aan de specifieke vereisten gesteld voor het criterium waarop de aanvrager beroep doet. Identiteit en nationaliteit (W. 22 december 1999, art. 9,3/ en art. 9,4/). Door betrokkene werd de identiteit en de nationaliteit aangetoond door een nationaal document verstrekt door de nationale overheid van de staat waarvan de persoon onderdaan is, namelijk door een geboortebewijs uit XXX waarvan het origineel werd getoond op de zitting en waarvan een fotokopie werd toegevoegd aan het dossier (stuk 27 van het regularisatiedossier). Betrokkene heeft een vrouw en 6 kinderen in XXX (bijkomend stuk 1 van het regularisatiedossier). Het zou zijn bedoeling zijn deze naar België te laten overkomen in het kader van gezinshereniging. Op grond van deze gegevens kan aanvaard worden dat de identiteit en de nationaliteit van betrokkene overeenstemmen met wat vermeld is op het aanvraagformulier, vak 1, identificatie van de aanvrager (K.B. 5 januari 2000, art. 7), en dat deze gegevens juist zijn. Aan deze vereiste is derhalve voldaan. De overige fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België zijn bewezen. Het onderzoekssecretariaat was overigens tot dezelfde bevinding gekomen. De Kamer kan dit derhalve bijtreden. Daar voldaan is aan de fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België, is betrokkene gerechtigd het bewijs te leveren van de specifieke vereisten gesteld voor de criteria waarop de aanvrager beroep doet. CRITERIUM 2: ONMOGELIJKHEID TOT TERUGKEER (ART. 2,2/) Om in aanmerking te komen voor regularisatie van het verblijf in België overeenkomstig art. 2,2/ van de wet, is een aanvrager o.m. verplicht te bewijzen dat om redenen onafhankelijk van zijn wil het niet mogelijk is terug te keren naar het land of de landen waar vóór de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft (W. 22 december 1999, art. 2,2/). Betrokkene heeft verklaard de nationaliteit te hebben van de staat XXX. Betrokkene heeft verklaard afkomstig te zijn en onmogelijk te kunnen terugkeren naar dit land (stuk 10 van het regularisatiedossier). Op de zitting heeft betrokkene verklaard verbleven te hebben, vooraleer naar België te komen, in hetzelfde land dat derhalve ook het land van herkomst en het land van de nationaliteit is. Betrokkene was verplicht bij de aanvraag tot regularisatie van het verblijf in België een dossier te voegen met o.m. een schriftelijke gemotiveerde verklaring die de redenen weergeeft waarom het onmogelijk is terug te keren. (W. 22 december 1999, art. 9,7/). Een dusdanige verklaring is overgelegd (stuk 1 van het regularisatiedossier). De verklaringen van betrokkene(n )en de uitleg verstrekt op de zitting zijn niet overtuigend overgekomen voor wat betreft de (on)mogelijkheid tot terugkeer. Deze Kamer heeft reeds herhaaldelijk aanvaard dat naar het land in kwestie, objectief gezien, terugkeer mogelijk is. De Commissie voor Regularisatie heeft niet te beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor asiel, maar wel of betrokkene al dan niet kan terugkeren naar het land in kwestie. Deze beoordeling dient in concreto te gebeuren, volgens de persoon van de aanvrager die ahmadi-moslim blijkt te zijn (stukken sub 15 van het regularisatiedossier). Uit het relaas ter zitting, bevestigd door de aanvullende nota (stuk 26 van het regularisatiedossier) is niet overtuigend gebleken dat betrokkene in zijn persoonlijke situatie niet kan terugkeren naar dit land. Evenmin is dit gebleken uit de overgelegde stukken (stukken 25/2-5 van het regularisatiedossier). In onderhavig geval kan niet aanvaard worden dat het land in kwestie voor betrokkene als onveilig kan worden beschouwd. Op grond van de uitleg verstrekt op de zitting kan niet aanvaard worden dat betrokkene om individuele redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar het land in kwestie. Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om te besluiten dat om redenen onafhankelijk van zijn wil het niet mogelijk is terug naar het land of de landen waar vóór de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft. CRITERIUM 4: DUURZAME SOCIALE BINDINGEN (ART. 2,4/) Om in aanmerking te komen voor regularisatie van het verblijf in België overeenkomstig art. 2,4/, is betrokkene o.m. gehouden. - te bewijzen dat de aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen verblijvend in België op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om school te lopen, en/of - te bewijzen dat er een wettig verblijf in België was, en/of - een schriftelijke verklaring af te leggen waaruit blijkt dat er in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel was om het grondgebied te verlaten, XIV-12.080-3/10 - te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie (art. 9,9/ wet van 22 december 1999). Duidelijkheidshalve moet onmiddellijk opgemerkt worden dat duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen alleen kunnen en mogen bewezen worden wanneer aan één van de drie vorige vereisten is voldaan, met name ofwel langdurig verblijf, ofwel wettig verblijf, ofwel gebrek aan uitwijzingsbevel (BERNARD, F,, "L'opération Belge de régularisation des personnes en situation irrégulière", in: CUYPERS, D., HUBEAU, B., en FOBLETS, M. -C., Migratie- en migrantenrecht 6, recente ontwikkelingen, Brugge, Die Keure, 2001, p. 271). Langdurig verblijf. De vereiste termijn van continu verblijf in België gedurende zes jaar is niet vervuld, daar betrokkene eerst in België toekwam op 13 december 1997 zonder identiteitspapieren en asiel aanvroeg op 15 december 1997 (stuk 24 van het regularisatiedossier: wachtregister). Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om een continu verblijf in België te aanvaarden gedurende de vereiste periode. Wettig verblijf. Een tijdelijk wettig verblijf is bewezen (stuk 4 van het regularisatiedossier). De asielaanvraag van betrokkene werd op 19 juni 1998 door het 'Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en Staatlozen' te Brussel ontvankelijk verklaard met start van het onderzoek ten gronde (stuk 13/2 van het regularisatiedossier). Hieruit volgt dat betrokkene niet gehouden is een continu verblijf in België gedurende vijf of zes jaar te bewijzen, maar wel verplicht is, om regularisatie van het verblijf in België te bekomen, het bewijs te leveren van duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving en bovendien dat er humanitaire redenen zijn die de verwijdering uit België van betrokkene in de weg staan. Uitwijzingsbevel. Betrokkene kan niet voorhouden dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag er geen bevel was om het grondgebied te verlaten. Een dusdanig bevel was er wel op 29 januari 1998. Duurzame sociale bindingen. Humanitaire redenen om het verblijf van betrokkene in België te regulariseren en duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving zijn niet in voldoende mate bewezen. Sinds zijn aankomst in België op 13 december 1997 tot op de zitting van 28 november 2001 was betrokkene, volgens zijn verklaring op de zitting, ten laste van het OCMW (stukken 14 en 21 van het Regularisatiedossier). Steunuitkering door het OCMW (Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn) kan niet beschouwd worden als een positieve duurzame sociale binding met België en evenmin als een humanitaire reden om het verblijf in België van betrokkene te regulariseren. Op de zitting is vastgesteld dat betrokkene onvoldoende Nederlands spreekt en verstaat, ondanks het verblijf van 7 maanden in het opvangcentrum te L. (bijkomend stuk 1, p. 2, van het regularisatiedossier). Daar tegenover staat dat betrokkene relaties heeft aangeknoopt met Belgen die zich gunstig over hem uitlaten (stukken 22/1-7 van het regularisatiedossier). Deze gegevens zijn op zichzelf echter onvoldoende. Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om te besluiten tot duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving. ALGEMEEN BESLUIT Zoals uit de behandeling op de zitting is ervaren, zijn de feitelijke gegevens en de geleverde bewijsvoering onvoldoende, zodat op grond hiervan dient vastgesteld dat betrokkene niet voldoet aan de vereisten gesteld door de wet van 22 december 1999. Er blijken onvoldoende aanwijzingen te zijn om te besluiten tot integratie van betrokkene. Deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na onderzoek op tegenspraak en na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig art. 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000, B.S. 10 januari 2000. OM DEZE REDENEN brengt de derde Nederlandstalige kamer van de Commissie voor Regularisatie bij meerderheid aan de federale Minister van Binnenlandse Zaken van de Belgische staat een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf, ingediend door betrokkene XXX. (...)”. 1.4. Op 20 februari 2002 richt verzoeker een schrijven tot de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij bezwaren formuleert omtrent dit ongunstig advies en de aanvraag uitbreidt tot artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet. 1.5. Op 4 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing. XIV-12.080-4/10 “(...) Ik heb uw faxbericht van 20 februari ll. inzake het ongunstig advies van de 3de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in goede orde ontvangen. De 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw asielaanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te G., op 25/01/2000 en dat het nummer 90002000012500317 draagt. Ik heb beslist dit ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie toch te moeten volgen. De door u aangebrachte elementen in het schrijven van 20 februari ll. zijn niet van aard om van het ongunstig advies af te wijken. U stelt niet akkoord te kunnen gaan met het ongunstig advies van de 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie en verzoekt alsnog een regularisatie op basis van de artikelen 2, 1/, 2,2/ en 2,4/ van de wet van 22 december 1999. Wat uw beroep op artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 betreft, kan worden vastgesteld dat u voldoet aan de verblijfsvoorwaarden van artikel 9,9/ van genoemde wet, in de zin dat u over een wettig verblijf beschikt. Uw asielaanvraag werd door de bevoegde asielinstanties ontvankelijk verklaard. Dat bij de beoordeling of een wettig verblijf eveneens “relevant” is in de zin van de wet van 22 december 1999, rekening dient te worden gehouden met het criterium van artikel 2,4/ van genoemde wet, te weten of u duurzame sociale bindingen hebt ontwikkeld en humanitaire redenen kan doen gelden. De bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft evenwel moeten vaststellen dat u in onvoldoende mate één der landstalen beheerst. Evenmin blijkt u tewerkgesteld te zijn geweest, hoewel u sedert uw asielverzoek ontvankelijk werd verklaard een tijdelijke toelating verworven hebt om tewerkgesteld te worden. U stelt dat rekening moet worden gehouden met uw leeftijd en uw geringe onderwijsopleiding. Dat de leeftijd van een verzoeker inderdaad bij de beoordeling van een verzoek van belang is. Wel moet worden vastgesteld dat u geen enkel bewijs voorlegt dat u actief op zoek naar werk bent geweest, waarvoor uw leeftijd geen verschoning kan zijn. U stelt een geringe onderwijsopleiding te hebben genoten, maar u verklaart eveneens kwaliteitscontroleur te zijn van medisch (chirurgisch) materieel. Dat het verwerven van de kennis van één der landstalen een wezenlijk element vormt zowel om zich in (

  1. te)integreren (tewerkstelling) als een belangrijke voorwaarde vormt (
  2. om)sociale banden op te bouwen. Dat uw talenkennis evenwel onvoldoende blijkt te zijn, kan het ontwikkelen van duurzame banden met de Belgische samenleving moeilijk bevorderen. Dat u eveneens een beroep doet op artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat u stelt de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling te hebben aangevraagd, en geen uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar. Dat u een asielverzoek hebt ingediend op 15 december 1997. Artikel 2 van genoemde wet stelt evenwel dat deze wet enkel van toepassing is op “vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag ...” aan de voorwaarden van deze wet voldoen. Dat men niet kan stellen dat u op 25 januari 2000 reeds gedurende vier jaar een asielprocedure lopende had. U verzoekt eveneens te worden geregulariseerd op basis van artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat u stelt in de onmogelijkheid te verkeren om redenen onafhankelijk van uw wil, terug te keren naar XXX. U geeft aan dat de Commissie voor Regularisatie uw verzoek niet dient te interpreteren in toepassing van de Vluchtelingenconventie van Genève. Dat een dergelijke bewering in het advies van de bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie niet terug te vinden is: dat de 3e Kamer zelfs uitdrukkelijk aanhaalt niet te oordelen over de toekenning van de hoedanigheid van vluchteling, maar in hoeverre u in de onmogelijkheid verkeert terug te keren naar XXX. Dat u aangeeft dat een regularisatieprocedure op basis van artikel 2,2/ van genoemde wet niet mag verward worden met een asielprocedure. Dat u evenwel zelf beide procedures samenleest door te stellen dat de nodige consequenties moeten worden getrokken door de Commissie voor Regularisatie, omdat uw asielverzoek ontvankelijk werd verklaard. Dat de Commissie voor Regularisatie, op basis van uw verklaringen, evenwel heeft moeten vaststellen dat u geen overtuigende elementen kon aanhalen die erop wijzen dat u onmogelijk naar XXX kan terugkeren. Dat in andere dossiers tot een onmogelijkheid tot terugkeer werd besloten voor leden van de A.-minderheid te XXX, dit gegrond is in de individuele argumenten die in deze dossiers werden aangehaald. XIV-12.080-5/10 Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 beschikt u over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel, en tevens van “de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel”; dat verzoeker aanvoert dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het ongunstig advies van de Commissie voor regularisatie, waarin onder andere wordt gesteld dat verzoeker één der landstalen onvoldoende zou beheersen en nooit is tewerkgesteld geweest; dat verzoeker hiertegen inbrengt dat hij reeds in zijn schrijven van 20 februari 2002 heeft verduidelijkt dat rekening dient te worden gehouden met zijn leeftijd en zijn geringe opleiding; dat in de bestreden beslissing hierover wordt gesteld dat verzoeker geen bewijs voorlegt dat hij actief op zoek is gegaan naar werk en dat hij heeft verklaard kwaliteitscontroleur van medisch materiaal te zijn geweest; dat verzoeker in het middel aanvoert dat hij wel actief is op zoek gegaan naar werk maar dat hij telkens werd geweigerd, waarvan hij geen schriftelijke bewijzen heeft, en dat “kwaliteitscontroleur van medisch materiaal” in XXX niet kan worden vergeleken met eenzelfde functie hier in België; dat verzoeker aanvoert dat hij TBC heeft en aan hepatitis C lijdt, wat zijn kansen op tewerkstelling vermindert; dat wat betreft zijn talenkennis verzoeker aanvoert dat hij de lessen Nederlands heeft stopgezet omdat hij niet slaagde in de testen en het voorwerp van spot werd van zijn medeleerlingen; dat verzoeker in het middel uiteenzet dat hij wel vlot Engels spreekt en dat dit volstaat om in G. te verblijven, waardoor hij zich kan integreren en duurzame relaties kan aanknopen; dat verzoeker aanvoert dat zijn asielprocedure op het moment van het indienen van huidig verzoekschrift bij de Raad van State nog steeds hangende is en dat hij bijgevolg thans gedurende meer dan vier jaar kandidaat-vluchteling is; dat verzoeker meent dat het feit dat het verstrijken van de termijn van vier jaar plaatsvond na januari 2000 geen bezwaar mag vormen voor zijn regularisatie; dat verzoeker stelt dat een verschil in behandeling tussen vreemdelingen die in januari 2000 voldoen aan de regularisatievoorwaarden en vreemdelingen die hieraan pas na januari 2000 voldoen, een schending inhoudt van het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel; dat verzoeker uiteenzet dat hij dit reeds heeft vermeld in zijn schrijven van 20 februari 2002, maar dat hierover met geen woord wordt gerept in de bestreden beslissing; dat de motivering van de bestreden beslissing op dit punt onvoldoende is; dat verzoeker aanvoert dat ter zitting van de Commissie voor regularisatie het A.-geloof van verzoeker nauwelijks ter sprake is gekomen, maar dat hem enkel werd gevraagd waarom hij naar België is gevlucht; dat twee leden van de Commissie meedeelden dat zij geen geloof hechtten aan verzoeker en dat hij bijgevolg geen uitleg meer diende te geven over zijn geloof; dat verzoeker in dit verband stelt dat de vermelding in de bestreden beslissing van XIV-12.080-6/10 “individuele argumenten” in andere dossiers met betrekking tot de onmogelijkheid tot terugkeer, niet opgaat, omdat verzoeker de mond werd gesnoerd toen hij individuele argumenten wilde uiteenzetten; dat dit een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel; dat verzoeker aanvoert dat hierdoor tevens de motiveringplicht wordt geschonden; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat verzoeker blijk geeft van een kennis van de motieven van de bestreden beslissing, en dat hij daardoor niet op goede gronden een schending van de formele motiveringplicht kan aanvoeren; dat de verwerende partij verduidelijkt dat in de bestreden beslissing werd geantwoord op de brief van verzoeker van 20 februari 2002, met name dat de argumenten die verzoeker in deze brief ontwikkelde, niet van aard waren om het ongunstig advies van de Commissie voor regularisatie te wijzigen, zodat de verwijzing in het middel naar het schrijven van 20 februari 2002 geen invloed kan hebben op de motivering van de bestreden beslissing; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoeker niet aantoont in welk opzicht de inhoud van zijn schrijven van 20 februari 2002 juridisch zou kunnen aantonen dat een verwerping van de regularisatieaanvraag niet gerechtvaardigd was; dat de verwerende partij meent dat in de bestreden beslissing niet diende te worden ingegaan op alle argumenten die verzoeker in de voorgaande procedure heeft aangevoerd; dat de verwerende partij “ten overvloede” ingaat op de concrete kritiek van verzoeker en in dit verband uiteenzet dat de kennis van verzoeker van één der landstalen dusdanig ontoereikend is om zich te kunnen integreren, werk te vinden en sociale banden op te bouwen, dat verzoeker geen bewijs voorlegt dat hij actief op zoek is naar werk, en dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat de verwerende partij betreffende de schending van het gelijkheidsbeginsel uiteenzet dat, zelfs al zou verzoeker niet zijn gehele verhaal hebben kunnen doen voor de Commissie, hij dit ongetwijfeld wel heeft kunnen doen in zijn schrijven van 20 februari 2002 aan de Minister; dat echter de in dit schrijven vervatte elementen niet volstonden om van het ongunstig advies af te wijken; dat in dit dossier geen feiten aanwezig zijn die toelaten te besluiten tot een onmogelijkheid van terugkeer van verzoeker; dat het verschil in behandeling dat verzoeker stelt te kunnen aantonen niet accuraat is nu dit berust op “een al te grote simplificering” van de wijze waarop dergelijke dossiers behoren te worden behandeld en een miskenning inhouden van de nood aan een casuïstische benadering; dat de verwerende partij tevens aanvoert dat hierbij nog komt dat de door verzoeker uiteengezette schending van het gelijkheidsbeginsel niet verifieerbaar is, nu verzoeker geen concrete gegevens aanbrengt uit dossiers van andere aanvragers; dat verzoekers uiteenzetting evenmin toestaat om door een vergelijking van de globale context van onderscheiden dossiers, na te gaan of er geen objectieve verantwoording is voor de verschillen die zouden bestaan in de behandeling ervan; dat de verwerende partij meent dat er met de regelmatigheid van de beslissing ten opzichte van verzoeker in casu niets mis is; dat de verwerende partij tenslotte uiteenzet dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 2 van de Regularisatiewet, omdat op de datum van de aanvraag, met name 25 januari 2000, de duur van zijn asielprocedure nog geen vier jaar betrof; dat de verwerende partij erop wijst dat alle XIV-12.080-7/10 regularisatieaanvragen moeten worden beoordeeld aan de hand van de situatie in januari 2000, zoniet ontstaat er een ongelijke behandeling tussen de regularisatieaanvragen die eerst behandeld werden en diegene die later behandeld worden; 2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord verwijst naar de middelen uiteengezet in het verzoekschrift; 2.4. Overwegende dat, wat de kritiek van verzoeker betreft op het onderdeel van de bestreden beslissing dat handelt over de aanvraag op basis van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, deze kritiek bestaat uit een verklaring van verzoeker voor zijn onvoldoende kennis van het Nederlands en voor zijn gebrek aan tewerkstelling; Overwegende dat verzoeker deze kritiek reeds heeft voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken door zijn schrijven van 20 februari 2002, en dat de Minister reeds heeft geantwoord op deze kritiek in de bestreden beslissing van 4 maart 2002; dat verzoeker niet ontkent dat hij geen der landstalen machtig is en niet is tewerkgesteld; dat bijgevolg de overwegingen in de bestreden beslissing in dit verband niet worden weerlegd; dat deze overwegingen, die worden weergegeven onder punt 1.5. van huidig arrest, pertinent zijn, deugdelijk, afdoende en terzake dienend; dat de Raad van State niet als een rechter in hoger beroep op vraag van de rechtzoekende het feitenrelaas opnieuw gaat samenstellen; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat, wat de kritiek van verzoeker betreft op het onderdeel van de bestreden beslissing dat handelt over de aanvraag op basis van artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet, kan worden verwezen naar de tekst van dit artikel: “(...), is deze wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag: 1/ hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; (...)”; Overwegende dat uit artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet blijkt dat aan de voorwaarde van binnen de vier jaar na de vluchtelingenverklaring geen uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen, dient te zijn voldaan op het ogenblik van de regularisatieaanvraag; dat de kritiek van verzoeker op deze termijn en op het eindpunt ervan, neerkomt op een wetskritiek, die in het kader van huidige procedure niet ter zake dienend is; dat de bestreden beslissing op dit punt geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en dat een correcte toepassing werd gemaakt van deze voorwaarde; dat verzoeker niet betwist dat hij op 25 januari 2000, zijnde de datum van zijn regularisatieaanvraag, niet voldeed aan de voorwaarde van het niet ontvangen hebben van een uitvoerbare beslissing betreffende zijn vluchtelingenverklaring binnen een termijn van vier jaar; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; XIV-12.080-8/10 Overwegende dat, wat de kritiek van verzoeker betreft op het onderdeel van de bestreden beslissing dat handelt over de aanvraag op basis van artikel 2, 2/ van de Regularisatiewet, verzoeker aanvoert dat in andere dossiers van XXX die het A.-geloof aanhangen, wel werd aanvaard dat er een onmogelijkheid van terugkeer is; dat verzoeker evenwel geen concrete gegevens aanbrengt over deze “andere dossiers”; dat hij geen beslissingen voorlegt of andere verwijzingen opgeeft; dat bijgevolg de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen; Overwegende dat, wat betreft verzoekers uiteenzetting over het feit dat hij tijdens de zitting van de Commissie voor regularisatie geen uitleg mocht geven over zijn A.-geloof, wordt opgemerkt dat enerzijds uit het advies van de Commissie voor regularisatie blijkt dat “de verklaringen van betrokkene(
  3. n)en de uitleg verstrekt op de zitting niet overtuigend zijn overgekomen voor wat betreft de (on)mogelijkheid tot terugkeer”, dat hieruit volgt dat verzoeker over dit onderwerp wel degelijk een uitleg heeft kunnen verschaffen, en anderzijds dat blijkt dat verzoeker door middel van zijn schrijven van 20 februari 2002 over dit criterium een bijkomende uitleg heeft gegeven waarmee de Minister rekening heeft gehouden, zoals genoegzaam blijkt uit de bestreden beslissing; dat verzoeker dus niet op goede gronden kan aanvoeren dat hij over dit criterium onvoldoende uitleg heeft kunnen verschaffen, of dat de Minister betreffende dit criterium geen rekening heeft gehouden met hetgeen verzoeker heeft uiteengezet in zijn schrijven van 20 februari 2002; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat het enig middel in al zijn onderdelen ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.080-9/10 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.080-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.