id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.315 Rolnummer: A. 127869/XIV-12080 Zaak: Arrest 143315 - - 19/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 10:50 Fiche Arrest nr 143.315 van 19 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.315 van 19 april 2005 in de zaak A.127.869/XIV-12.080. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1951 en van XXX nationaliteit, op 25 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 maart 2002 tot weigering van regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; XIV-12.080-1/10 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.M. TEYMOURI, die loco Advocaat E. VAN DE COTTE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.2. Op 28 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.3. Op 14 december 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies luidt als volgt: “(...) De heer XXX, aanvrager en betrokkene, heeft regularisatie van verblijf in België aangevraagd op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, B.S. 10 januari 2000, p. 578-581, in werking getreden op 10 januari 2000 (art. 17), err. B.S. 2 februari 2000, p. 3291, wegens onmogelijkheid tot terugkeer, overeenkomstig art. 2,2/ van genoemde wet (criterium 2) en wegens duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, overeenkomstig art. 2,4/ van genoemde wet (criterium 4). Op de zitting werd betrokkene grondig ondervraagd door ieder lid van de Kamer. Op de zitting was er eveneens een dialoog tussen de leden en de Commissie voor Regularisatie enerzijds en anderzijds de advocaat die betrokkene bijstond bij toepassing van art. 9 van het K.B. van 5 januari 2000. Alle vereisten voor regularisatie van het verblijf in België zijn door de Kamer nauwgezet onderzocht, ook deze die niet betwist zijn door het onderzoekssecretariaat. Hoofdzakelijk de vereisten die aanleiding geven tot betwisting worden besproken. Uit de informatie verstrekt door of namens betrokkene op de zitting en uit de studie van de stukken van het regularisatiedossier, en bovendien uit het nazicht van het stuk neergelegd door of namens de betrokkene op de zitting, is de Kamer tot volgende bevindingen gekomen. FUNDAMENTELE VEREISTEN Onder de fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België verstaat men de voorwaarden tot regularisatie die op alle aanvragers van toepassing zijn, wat ook het criterium mag zijn waarop de aanvrager zich beroept om regularisatie te bekomen. Deze vereisten zijn vermeld in art. 9,1/-5/ van de wet van 22 december 1999. In art. 2 van de wet staan de vier criteria waarop een aanvrager beroep kan doen. In art. 9,6/-9/ van de wet zijn de specifieke vereisten vermeld die van toepassing zijn op ieder criterium. XIV-12.080-2/10 De fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België zijn absoluut, globaal en onomkeerbaar. Wanneer ook maar één enkel van deze vereisten ontbreekt, dan is het dossier onvolledig en moet de aanvraag noodzakelijkerwijze aanleiding geven tot een negatief advies. In dit geval is het zelfs niet meer nodig na te gaan of voldaan is aan de specifieke vereisten gesteld voor het criterium waarop de aanvrager beroep doet. Identiteit en nationaliteit (W. 22 december 1999, art. 9,3/ en art. 9,4/). Door betrokkene werd de identiteit en de nationaliteit aangetoond door een nationaal document verstrekt door de nationale overheid van de staat waarvan de persoon onderdaan is, namelijk door een geboortebewijs uit XXX waarvan het origineel werd getoond op de zitting en waarvan een fotokopie werd toegevoegd aan het dossier (stuk 27 van het regularisatiedossier). Betrokkene heeft een vrouw en 6 kinderen in XXX (bijkomend stuk 1 van het regularisatiedossier). Het zou zijn bedoeling zijn deze naar België te laten overkomen in het kader van gezinshereniging. Op grond van deze gegevens kan aanvaard worden dat de identiteit en de nationaliteit van betrokkene overeenstemmen met wat vermeld is op het aanvraagformulier, vak 1, identificatie van de aanvrager (K.B. 5 januari 2000, art. 7), en dat deze gegevens juist zijn. Aan deze vereiste is derhalve voldaan. De overige fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België zijn bewezen. Het onderzoekssecretariaat was overigens tot dezelfde bevinding gekomen. De Kamer kan dit derhalve bijtreden. Daar voldaan is aan de fundamentele vereisten tot regularisatie van het verblijf in België, is betrokkene gerechtigd het bewijs te leveren van de specifieke vereisten gesteld voor de criteria waarop de aanvrager beroep doet. CRITERIUM 2: ONMOGELIJKHEID TOT TERUGKEER (ART. 2,2/) Om in aanmerking te komen voor regularisatie van het verblijf in België overeenkomstig art. 2,2/ van de wet, is een aanvrager o.m. verplicht te bewijzen dat om redenen onafhankelijk van zijn wil het niet mogelijk is terug te keren naar het land of de landen waar vóór de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft (W. 22 december 1999, art. 2,2/). Betrokkene heeft verklaard de nationaliteit te hebben van de staat XXX. Betrokkene heeft verklaard afkomstig te zijn en onmogelijk te kunnen terugkeren naar dit land (stuk 10 van het regularisatiedossier). Op de zitting heeft betrokkene verklaard verbleven te hebben, vooraleer naar België te komen, in hetzelfde land dat derhalve ook het land van herkomst en het land van de nationaliteit is. Betrokkene was verplicht bij de aanvraag tot regularisatie van het verblijf in België een dossier te voegen met o.m. een schriftelijke gemotiveerde verklaring die de redenen weergeeft waarom het onmogelijk is terug te keren. (W. 22 december 1999, art. 9,7/). Een dusdanige verklaring is overgelegd (stuk 1 van het regularisatiedossier). De verklaringen van betrokkene(n )en de uitleg verstrekt op de zitting zijn niet overtuigend overgekomen voor wat betreft de (on)mogelijkheid tot terugkeer. Deze Kamer heeft reeds herhaaldelijk aanvaard dat naar het land in kwestie, objectief gezien, terugkeer mogelijk is. De Commissie voor Regularisatie heeft niet te beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor asiel, maar wel of betrokkene al dan niet kan terugkeren naar het land in kwestie. Deze beoordeling dient in concreto te gebeuren, volgens de persoon van de aanvrager die ahmadi-moslim blijkt te zijn (stukken sub 15 van het regularisatiedossier). Uit het relaas ter zitting, bevestigd door de aanvullende nota (stuk 26 van het regularisatiedossier) is niet overtuigend gebleken dat betrokkene in zijn persoonlijke situatie niet kan terugkeren naar dit land. Evenmin is dit gebleken uit de overgelegde stukken (stukken 25/2-5 van het regularisatiedossier). In onderhavig geval kan niet aanvaard worden dat het land in kwestie voor betrokkene als onveilig kan worden beschouwd. Op grond van de uitleg verstrekt op de zitting kan niet aanvaard worden dat betrokkene om individuele redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar het land in kwestie. Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om te besluiten dat om redenen onafhankelijk van zijn wil het niet mogelijk is terug naar het land of de landen waar vóór de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft. CRITERIUM 4: DUURZAME SOCIALE BINDINGEN (ART. 2,4/) Om in aanmerking te komen voor regularisatie van het verblijf in België overeenkomstig art. 2,4/, is betrokkene o.m. gehouden. - te bewijzen dat de aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen verblijvend in België op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om school te lopen, en/of - te bewijzen dat er een wettig verblijf in België was, en/of - een schriftelijke verklaring af te leggen waaruit blijkt dat er in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel was om het grondgebied te verlaten, XIV-12.080-3/10 - te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie (art. 9,9/ wet van 22 december 1999). Duidelijkheidshalve moet onmiddellijk opgemerkt worden dat duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen alleen kunnen en mogen bewezen worden wanneer aan één van de drie vorige vereisten is voldaan, met name ofwel langdurig verblijf, ofwel wettig verblijf, ofwel gebrek aan uitwijzingsbevel (BERNARD, F,, "L'opération Belge de régularisation des personnes en situation irrégulière", in: CUYPERS, D., HUBEAU, B., en FOBLETS, M. -C., Migratie- en migrantenrecht 6, recente ontwikkelingen, Brugge, Die Keure, 2001, p. 271). Langdurig verblijf. De vereiste termijn van continu verblijf in België gedurende zes jaar is niet vervuld, daar betrokkene eerst in België toekwam op 13 december 1997 zonder identiteitspapieren en asiel aanvroeg op 15 december 1997 (stuk 24 van het regularisatiedossier: wachtregister). Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om een continu verblijf in België te aanvaarden gedurende de vereiste periode. Wettig verblijf. Een tijdelijk wettig verblijf is bewezen (stuk 4 van het regularisatiedossier). De asielaanvraag van betrokkene werd op 19 juni 1998 door het 'Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en Staatlozen' te Brussel ontvankelijk verklaard met start van het onderzoek ten gronde (stuk 13/2 van het regularisatiedossier). Hieruit volgt dat betrokkene niet gehouden is een continu verblijf in België gedurende vijf of zes jaar te bewijzen, maar wel verplicht is, om regularisatie van het verblijf in België te bekomen, het bewijs te leveren van duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving en bovendien dat er humanitaire redenen zijn die de verwijdering uit België van betrokkene in de weg staan. Uitwijzingsbevel. Betrokkene kan niet voorhouden dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag er geen bevel was om het grondgebied te verlaten. Een dusdanig bevel was er wel op 29 januari 1998. Duurzame sociale bindingen. Humanitaire redenen om het verblijf van betrokkene in België te regulariseren en duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving zijn niet in voldoende mate bewezen. Sinds zijn aankomst in België op 13 december 1997 tot op de zitting van 28 november 2001 was betrokkene, volgens zijn verklaring op de zitting, ten laste van het OCMW (stukken 14 en 21 van het Regularisatiedossier). Steunuitkering door het OCMW (Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn) kan niet beschouwd worden als een positieve duurzame sociale binding met België en evenmin als een humanitaire reden om het verblijf in België van betrokkene te regulariseren. Op de zitting is vastgesteld dat betrokkene onvoldoende Nederlands spreekt en verstaat, ondanks het verblijf van 7 maanden in het opvangcentrum te L. (bijkomend stuk 1, p. 2, van het regularisatiedossier). Daar tegenover staat dat betrokkene relaties heeft aangeknoopt met Belgen die zich gunstig over hem uitlaten (stukken 22/1-7 van het regularisatiedossier). Deze gegevens zijn op zichzelf echter onvoldoende. Gevolgtrekking. Voor betrokkene zijn er onvoldoende elementen aanwezig om te besluiten tot duurzame sociale bindingen met Belgen en met de Belgische samenleving. ALGEMEEN BESLUIT Zoals uit de behandeling op de zitting is ervaren, zijn de feitelijke gegevens en de geleverde bewijsvoering onvoldoende, zodat op grond hiervan dient vastgesteld dat betrokkene niet voldoet aan de vereisten gesteld door de wet van 22 december 1999. Er blijken onvoldoende aanwijzingen te zijn om te besluiten tot integratie van betrokkene. Deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na onderzoek op tegenspraak en na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig art. 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000, B.S. 10 januari 2000. OM DEZE REDENEN brengt de derde Nederlandstalige kamer van de Commissie voor Regularisatie bij meerderheid aan de federale Minister van Binnenlandse Zaken van de Belgische staat een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf, ingediend door betrokkene XXX. (...)”. 1.4. Op 20 februari 2002 richt verzoeker een schrijven tot de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij bezwaren formuleert omtrent dit ongunstig advies en de aanvraag uitbreidt tot artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet. 1.5. Op 4 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing. XIV-12.080-4/10 “(...) Ik heb uw faxbericht van 20 februari ll. inzake het ongunstig advies van de 3de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie in goede orde ontvangen. De 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw asielaanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te G., op 25/01/2000 en dat het nummer 90002000012500317 draagt. Ik heb beslist dit ongunstig advies van de Commissie voor Regularisatie toch te moeten volgen. De door u aangebrachte elementen in het schrijven van 20 februari ll. zijn niet van aard om van het ongunstig advies af te wijken. U stelt niet akkoord te kunnen gaan met het ongunstig advies van de 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie en verzoekt alsnog een regularisatie op basis van de artikelen 2, 1/, 2,2/ en 2,4/ van de wet van 22 december 1999. Wat uw beroep op artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 betreft, kan worden vastgesteld dat u voldoet aan de verblijfsvoorwaarden van artikel 9,9/ van genoemde wet, in de zin dat u over een wettig verblijf beschikt. Uw asielaanvraag werd door de bevoegde asielinstanties ontvankelijk verklaard. Dat bij de beoordeling of een wettig verblijf eveneens “relevant” is in de zin van de wet van 22 december 1999, rekening dient te worden gehouden met het criterium van artikel 2,4/ van genoemde wet, te weten of u duurzame sociale bindingen hebt ontwikkeld en humanitaire redenen kan doen gelden. De bevoegde Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft evenwel moeten vaststellen dat u in onvoldoende mate één der landstalen beheerst. Evenmin blijkt u tewerkgesteld te zijn geweest, hoewel u sedert uw asielverzoek ontvankelijk werd verklaard een tijdelijke toelating verworven hebt om tewerkgesteld te worden. U stelt dat rekening moet worden gehouden met uw leeftijd en uw geringe onderwijsopleiding. Dat de leeftijd van een verzoeker inderdaad bij de beoordeling van een verzoek van belang is. Wel moet worden vastgesteld dat u geen enkel bewijs voorlegt dat u actief op zoek naar werk bent geweest, waarvoor uw leeftijd geen verschoning kan zijn. U stelt een geringe onderwijsopleiding te hebben genoten, maar u verklaart eveneens kwaliteitscontroleur te zijn van medisch (chirurgisch) materieel. Dat het verwerven van de kennis van één der landstalen een wezenlijk element vormt zowel om zich in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.