← België

Arrest 143426 - - 20/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.426 Rolnummer: A. 108139/XIV-5818 Zaak: Arrest 143426 - - 20/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 11:00 Fiche Arrest nr 143.426 van 20 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.426 van 20 april 2005 in de zaak A. 108.139/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. DE KEUSTER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 februari 1964 en van XXX nationaliteit, op 27 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juni 2001 waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet in aanmerking wordt genomen wegens laattijdigheid, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 juni 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-5818-1/4 Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat D. DE KEUSTER verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt een eerste maal België binnen op 5 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op 7 maart
  6. 1.
  7. Op 16 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnen- landse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 5 juli 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen deze beslissing. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 100.049 van 23 oktober 2001 van de VIIde kamer in de zaak 94.178/VII-22.303 worden deze beroepen verworpen. 1.
  9. De verzoekende partij komt een tweede maal België binnen op 20 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 12 september
  10. 1.
  11. Op 23 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  12. Op 29 juni 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing XIV-5818-2/4 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, niet in aanmerking wordt genomen wegens laattijdigheid. Dit is de thans bestreden beslissing.
  13. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 31 januari 2005, die ter openbare terechtzitting van 9 maart 2005 aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen, blijkt dat de verzoekende partij op 19 september 2002 werd gerepatrieerd naar XXX; Overwegende dat de Advocate van de verzoekende partij die ter zitting optreedt, verklaart “geen andere instructies te hebben” en verwijst naar de inleidende verzoekschriften; dat deze verklaring wordt opgenomen in het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 9 maart 2005; dat de Advocate met geen woord rept over de instructies die de verzoekende partij zou hebben gegeven aan de dominus litis, zijnde Advocaat D. DE KEUSTER; dat de Raad van State niet wordt ingelicht over de actuele woon- of verblijfplaats van de verzoekende partij; dat evenmin iets wordt gezegd over al dan niet recente contacten tussen de verzoekende partij en haar Advocaat; dat gelet op de onbereikbaarheid van de verzoekende partij, zij niet langer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang; dat op alle partijen, betrokken bij een procedure de plicht rust om mee te werken aan een efficiënte, behoorlijke en loyale rechtspleging; dat de vermelding dat “De Advocaat van de verzoekende partij verwijst naar het verzoekschrift.”, hierin niet kan worden ingepast en niet kadert in voornoemd beginsel; dat bijgevolg de ingestelde vordering van de verzoekende partij niet ontvankelijk is; dat deze exceptie van niet- ontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen, nadat hierover een tegensprekelijk debat werd gevoerd, XIV-5818-3/4 BESLUIT: Artikel
  14. Verklaart het beroep niet ontvankelijk. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5818-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.