← België

Arrest 143427 - - 20/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.427 Rolnummer: A. 116138/XIV-8333 Zaak: Arrest 143427 - - 20/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 11:01 Fiche Arrest nr 143.427 van 20 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.427 van 20 april 2005 in de zaak A.116.138/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat D. DE KEUSTER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX geboren op 6 april 1963 en van Slowaakse nationaliteit, op 14 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 9 maart 2005 om 14.00 uur; XIV-8333-1/9 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die loco Advocaat D. DE KEUSTER verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt een eerste maal België binnen op 5 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op 7 maart
  4. 1.
  5. Op 16 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 5 juli 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchte- lingen en de staatlozen deze beslissing. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 100.042 van 23 oktober 2001 van de VIIde kamer in de zaak 94.177/VII-22.302 worden deze beroepen verworpen. 1.
  7. De verzoekende partij keert niet terug naar Slowakije en verklaart zich een tweede maal vluchteling op 19 september
  8. 1.
  9. Op 1 oktober 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij geen beroep in. 1.
  10. De verzoekende partij keert terug naar Slowakije en komt een tweede maal België binnen op 12 november
  11. Zij verklaart zich voor de derde maal vluchteling op 21 november
  12. 1.
  13. Op 21 november 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf. XIV-8333-2/9 1.
  14. Op 20 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Slovaaks staatsburger van Roma origine, verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken uw land te zijn ontvlucht omwille van etnische problemen. U diende een eerste asielaanvraag in op 7 maart
  15. Het Commissariaat-generaal sloot deze asielaanvraag af met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op 5 juli
  16. U diende een tweede asielaanvraag in op 19 september
  17. Deze aanvraag werd afgesloten op 1 oktober 2001 met een bijlage 13 quater en werd dus niet in overweging genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken. Vervolgens diende u een derde asielaanvraag in op 21 november
  18. U bent in het bezit van uw geldig internationaal Slovaaks paspoort. Volgens uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken keerde u na uw tweede asielaanvraag terug naar Slovakije. Jullie hadden er geen woonst en u trok met uw gezin afwisselend in bij twee broers van u. Bij de sociale dienst vernam u geen recht te hebben op een uitkering en bij de arbeidsbemiddeling hoorde u dat er geen werk was. Op 15 oktober 2001 werd uw zoon Oskar op straat aangevallen door skinheads. Om aangifte te doen bij de politie had hij een medisch attest nodig. De dokter zou het attest doorsturen naar de politie. Tot op heden hoorden jullie niets van de politie. Uit onvrede besloten jullie opnieuw het land te verlaten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uit uw administratief dossier blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De Commissaris-generaal achtte het dan ook niet nodig u te horen. Er dient te worden vastgesteld dat de elementen die u aanhaalt ter staving van uw asielaanvraag, werkloosheid, dakloos zijn en gebrekkige sociale voorzieningen, uitingen zijn van de algemene heersende discriminatie tegenover zigeuners in uw land en het ongunstig economisch klimaat. Deze elementen zijn echter onvoldoende zwaarwichtig om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Wat betreft de aanval op uw zoon dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw verklaringen blijkt dat de politie zijn klacht niet aanvaardde of behandelde omdat hij zigeuner is. Uw zoon moest wel een medisch attest indienen, wat via de dokter gebeurde. Uit uw verklaringen blijkt echter niet dat u of uw zoon nog is (zijn) gaan informeren naar de zaak bij de politie. Omdat u tot op heden nog niets vanwege de politie hebt vernomen, betekent dit niet dat uw zoon op geen bescherming kan rekenen vanwege de autoriteiten. Daarenboven dient te worden opgemerkt dat het hier een éénmalig incident betreft hetgeen onvoldoende zwaarwichtig is om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
  19. De door u neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet: uw internationaal paspoort bevat enkel persoonsgegevens waar niet wordt aan getwijfeld en het medisch attest van uw zoon kwam reeds hierboven ter sprake en doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven vermeld is. (...)”.
  20. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 31 januari 2005 in de zaak nr. 108.139/XIV-5818 inzake de echtgenote van verzoeker, mevrouw Terézia, die ter openbare terechtzitting van 9 maart 2005 -datum waarop ook XIV-8333-3/9 huidige zaak werd vastgesteld- aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen, blijkt dat de echtgenote van verzoeker op 19 september 2002 werd gerepatrieerd naar Slowakije; Overwegende dat uit een brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 17 maart 2005 in deze zaak blijkt dat ook verzoeker op 19 september 2002 werd gerepatrieerd naar Slowakije; dat deze brief werd ontvangen, nadat de zaak in beraad werd genomen, zodat hij niet aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen en de Raad van State geen acht slaat op de inhoud ervan, bij de behandeling van huidige zaak; Overwegende dat de Advocate van verzoeker ter zitting verwijst naar de verzoekschriften en meedeelt dat zij geen andere instructies heeft dan te volharden; dat de Advocate met geen woord rept over de instructies die verzoeker zou hebben gegeven aan de dominus litis, zijnde Advocaat D. DE KEUSTER; dat, wanneer een Advocaat ter zitting verschijnt voor een partij, zijn mandaat wordt vermoed, tenzij er elementen voorhanden zijn die het mandaat in twijfel trekken; dat bij het vaststellingsbericht een uitdrukkelijke vraagstelling wordt gevoegd over de actuele woon- of verblijfplaats van verzoeker; dat de Advocate van verzoeker of de dominus litis, de Raad van State hierover niet heeft ingelicht; dat evenmin iets wordt gezegd over al dan niet recente contacten tussen verzoeker en zijn Advocaat; dat op alle partijen, betrokken bij een procedure de plicht rust om mee te werken aan een efficiënte, behoorlijke en loyale rechtspleging; dat de stereotiepe uitdrukking dat “De Advocaat van de verzoekende partij verwijst naar het verzoekschrift.”, hierin niet kan worden ingepast en niet kadert in voornoemd beginsel; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang;
  21. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.
  22. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat hij in een tweede onderdeel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringplicht, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat hij in een derde onderdeel de schending aanvoert van artikel 1, 1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO-verdrag); dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet betwist dat verzoeker behoort tot de Roma- bevolking en dat de Roma in Slowakije tweederangsburgers zijn waaraan de autoriteiten rechtsbescherming weigeren; dat de klacht van verzoeker over de aanval van de skinheads XIV-8333-4/9 niet grondig werd onderzocht en dat verzoeker hiervoor verwijst naar rapporten van Amnesty International; dat verzoeker uiteenzet dat “aan de Roma-bevolking, waartoe verzoeker behoort, de status van vluchteling (moet) worden verleend”; dat verzoeker aanvoert dat de beslissing op dit punt niet is gemotiveerd; dat de Commissaris-generaal de toestand van de Roma-zigeuners in Slowakije had moeten onderzoeken; dat verzoeker uiteenzet dat het BUPO-verdrag wordt geschonden omdat België het zelfbeschikkingsrecht van de Roma-bevolking miskent door niet op te treden tegen de schendingen gepleegd door Slowakije tegenover deze bevolkingsgroep; dat hij stelt dat de asielaanvragen van Roma- zigeuners systematisch worden afgewezen; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker in de toelichtende memorie verwijst naar de argumenten ontwikkeld in het verzoekschrift; 3.1.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), juncto de schending van de motiveringsplicht betreft (eerste en tweede onderdeel van het eerste middel), de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van volgende overwegingen: - uit het administratief dossier blijkt dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is, de Commissaris-generaal acht het niet nodig verzoeker te horen; XIV-8333-5/9 - de elementen die verzoeker aanhaalt ter staving van zijn asielaanvraag, met name werkloosheid, dakloos zijn en gebrekkige sociale voorzieningen, zijn uitingen van de algemene heersende discriminatie tegenover zigeuners in zijn land en van het ongunstig economisch klimaat. Deze elementen zijn onvoldoende zwaarwichtig om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; - wat betreft de aanval op de zoon van verzoeker blijkt nergens uit zijn verklaringen dat de politie zijn klacht niet aanvaardde of niet behandelde omdat zijn zoon zigeuner is. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt niet dat hun zoon achteraf nog is gaan informeren naar de stand van zaken bij de politie. Dat verzoeker tot op heden niets heeft vernomen vanwege de politie, betekent niet dat zijn zoon niet op bescherming van de autoriteiten kan rekenen; - het betreft een éénmalig incident dat onvoldoende zwaarwichtig is om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; - gelet op het voorgaande kan in hoofde van verzoeker niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; - de neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet: aan de persoonsgegevens wordt niet getwijfeld en het medisch attest van de zoon doet geen afbreuk aan hetgeen hierboven werd vermeld; Overwegende dat verzoeker deze motieven niet op concrete wijze betwist, maar zich beperkt tot een algemene overweging dat de Roma, waartoe verzoeker behoort, wel degelijk in aanmerking komen om het statuut van vluchteling te verkrijgen en dat de Commissaris-generaal de toestand van de Roma in Slowakije had moeten onderzoeken; dat verzoeker uiteenzet dat zonder dit onderzoek de beslissing niet steunt op deugdelijke motieven; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat uit het administratief dossier blijkt dat hij bij het nemen van de bestreden beslissing alle relevante elementen van het individueel asielrelaas van verzoeker in acht heeft genomen; dat hij rekening heeft gehouden met de sociaal-politieke en economische situatie in het land van herkomst en tevens met de relevante gegevens van het administratief dossier; dat het eerste deel van de bestreden beslissing een nauwkeurige neerslag bevat van de feiten, die resulteren uit de verklaringen van verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken en uit zijn voorgaande asielprocedures; dat in een tweede deel het individuele asielrelaas van verzoeker op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van zijn asielaanvraag; dat deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal op goede gronden heeft doen besluiten dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is; XIV-8333-6/9 Overwegende dat het niet opgaat dat aan de Roma als groep, zonder individueel onderzoek, het statuut van vluchteling zou worden toegekend; dat om onder de bescherming van de Vluchtelingenconventie te ressorteren, de kandidaat-vluchteling moet aantonen dat hij persoonlijk en systematisch wordt vervolgd om de motieven vermeld in voornoemde Conventie; dat het behoren tot een bepaalde sociale groep er niet automatisch op wijst dat de kandidaat-vluchteling persoonlijk wordt vervolgd; dat de door verzoeker aangehaalde rapporten van Amnesty International betrekking hebben op een algemene toestand in Slowakije en als dusdanig geen afbreuk doen aan de conclusie van de bestreden beslissing, vermits uit verzoekers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij vreest om persoonlijk en systematisch te worden vervolgd; dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, ter zake dienende, deugdelijke en pertinente motieven; Overwegende dat het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond zijn; Overwegende dat wat de schending van artikel 1, 1, van het BUPO- verdrag betreft (derde onderdeel van het eerste middel), verzoeker aanvoert dat België het zelfbeschikkingsrecht van de Roma-bevolking miskent door niet op te treden tegen de schendingen, begaan door de staat Slowakije, tegen deze bevolkingsgroep; Overwegende dat vooreerst de Commissaris-generaal geen orgaan is van de Belgische staat, maar een onafhankelijke overheid die zelfstandig en onafhankelijk van het bestuur zijn ambt waarneemt en hiervoor over een eigen administratie beschikt; dat hij zijn bevoegdheid uitoefent binnen de grenzen van de wetgeving in materiële zin en geen beleid voert zoals het actief bestuur, vermits hij in casu oordeelt in dringend beroep als appelinstantie over de beslissingen genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde inzake de asielaanvragen; dat vervolgens, gezien vanuit het ambt van de Commissaris-generaal, de eventuele, door verzoeker aangevoerde discriminatie van de Roma-bevolking een interne aangelegenheid is, eigen aan het land van herkomst, waarvan de beoordeling niet tot de bevoegdheid van de Commissaris-generaal behoort, die enkel kan vaststellen of er in een individueel geval sprake is van persoonlijke en systematische vervolging op grond van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie persoonlijk en systematisch wordt vervolgd; dat het derde onderdeel van het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het eerste middel niet kan worden aangenomen; XIV-8333-7/9 3.2. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat verzoeker uiteenzet dat hij niet werd gehoord door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat hij daaraan toevoegt dat dit had moeten gebeuren omdat het een belangrijke beslissing is die ten opzichte van hem als rechtssubject werd genomen; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien, wanneer hij van oordeel is dat hij voldoende is ingelicht omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel is vereist dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kon opkomen; dat verzoeker bij het indienen van zijn dringend beroep de mogelijkheid had zijn relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt; dat het hem vrij stond om een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken en bijkomende stukken; dat de Commissaris- generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoeker te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoeker niet aantoont welke verklaringen hij wenste af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: XIV-8333-8/9 Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-8333-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.