← België

Arrest 143465 - - 21/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.465 Rolnummer: A. 161832/VII-33884 Zaak: Arrest 143465 - - 21/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 11:14 Fiche Arrest nr 143.465 van 21 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 143.465 van 21 april 2005 in de zaak A. 161.832/VII-33.884 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. BECKERS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29/bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 20 april 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 april 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 maart 2005, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 april 2005; Gelet op de beschikking van 20 april 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 20 april 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 april 2005 om 15 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-33.884-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. BECKERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 21 maart 2004 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  5. Op 29 maart 2005 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 14 april 2005 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal (hierna CGVS) blijkt dat u Soedan ondermeer heeft verlaten omwille van de problemen in uw dorp Talas in Zuid-Darfour (zie gehoorverslag CGVS dd. 6 april 2005, p. 16). Er dient echter te worden opgemerkt dat u tijdens het gehoor voor het CGVS niet aannemelijk heeft gemaakt ooit te hebben verbleven in de regio van Darfour. Uw kennis over deze regio bleek immers uiterst beperkt te zijn. Zo beweerde u dat Talas in Zuid-Darfour ligt in de buurt van Nyala, maar kon u niet zeggen in welke provincie van Zuid-Darfour juist. Meer nog, u beweerde dat Zuid-Darfour zelf een provincie was die niet verder was opgedeeld (zie gehoorverslag CGVS p. 7-8), terwijl uit de informatie waarover het CGVS beschikt, en waarvan een kopie is toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat Zuid-Darfour wel degelijk is opgedeeld in verschillende provincies. Toen u werd gevraagd naar dorpen of steden die rond Talas liggen kon u er slechts één geven, namelijk Dibala dat ten oosten van Tales zou liggen (zie gehoorverslag CGVS p. 18). Toen de interviewer voor het CGVS aandrong en u expliciet vroeg naar dorpen of steden in het noorden, zuiden of westen van Talas, slaagde u er slechts in om twee plaatsen ten noorden van Talas te geven, namelijk Mukajar en Nyala (zie gehoorverslag CGVS p. 18). Verder kon u geen enkele andere stad of dorp in de regio van Zuid-Darfour geven (zie gehoorverslag CGVS p. 18). Ook toen u een aantal plaatsnamen in de regio van Zuid-Darfour en in de omgeving van Nyala werden gegeven waren deze u onbekend (zie gehoorverslag CGVS p. 26-27). Op de vraag naar steden of dorpen in heel Darfour wist u slechts te antwoorden met el-Fashir en el-Geneina (zie gehoorverslag CGVS p. 19). Met betrekking tot het landschap in Zuid-Darfour beweerde u verkeerdelijk dat er geen rivieren zijn, zelfs geen stroompjes (als het regent) en dat er geen bossen of wouden zijn, maar alleen maar zand (zie gehoorverslag CGVS p. 19-20), verklaringen die niet VII-33.884-2/6 stroken met de informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan uw administratief dossier werd toegevoegd. Naast de Zaghawa, de stam van uw echtgenoot, kon u geen andere stemmen opnoemen in Zuid-Darfour of zelfs in heel Darfour (zie gehoorverslag CGVS p. 20-21). De term Berti was u onbekend (zie gehoorverslag CGVS p. 26), terwijl uit de informatie blijkt dat het een stam in Zuid-Darfour is. U stelde dat de Janjaweed bestaan uit verschillende Arabische stammen, maar u kon niet zeggen uit welke stammen (zie gehoorverslag CGVS p. 23). Nadat u door de interviewer van het CGVS verschillende malen werd gevraagd of er al dan niet rebellenbewegingen of oppositiebewegingen actief waren in Darfour, gaf u uiteindelijk toe dat deze bestonden maar kon u er geen opnoemen (zie gehoorverslag CGVS p. 24). U moest verder het antwoord schuldig blijven op de vraag wie de gouverneur (of wali) van Zuid-Darfour was (zie gehoorverslag CGVS p. 21). Betreffende Nyala verklaarde u verkeerdelijk dat er geen treinstation is (zie gehoorverslag CGVS p. 22). Uit de informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie werd toegevoegd aan uw dossier, blijkt immers dat er wel degelijk een treinstation is. Verder beweerde u dat Nyala verschillende malen werd aangevallen, maar kon u niet zeggen wanneer deze aanvallen plaatsvonden. U slaagde er zelfs niet in om de eerste aanval op Nyala te situeren in de tijd, noch de laatste, zelfs niet bij benadering. U kon immers niet eens zeggen in welk jaar deze plaatsvonden (zie gehoorverslag CGVS p. 25-26). Al deze vaststellingen zetten de geloofwaardigheid van uw bewering dat u van 1998 tot 24 augustus 2004 in Zuid-Darfour, en meer bepaald Talas, heeft gewoond volledig op de helling. Het is niet aannemelijk dat iemand die gedurende een dergelijke periode in die regio heeft gewoond zo'n geringe kennis heeft van de regio. Uw verklaring voor uw uiterst gebrekkige kennis over de regio, namelijk dat u maar een huisvrouw bent en dat u nu eenmaal in een klein dorpje woonde en u toch niet alles (in Darfour) kan kennen (zie gehoorverslag CGVS p. 19) is, gezien het feit dat de algemene vragen die u voor het CGVS werden gesteld betrekking hebben op de dagdagelijkse realiteit in de regio, niet aannemelijk. Bovendien verklaarde u zelf uw middelbare school te hebben afgemaakt en bleek u Engels te spreken (zie gehoorverslag CGVS p. 5 en 12), wat erop wijst dat u, in de Soedanese context, een hoog opgeleide vrouw bent en niet zomaar een "huisvrouw". Hierdoor wordt ook de geloofwaardigheid van uw verklaringen betreffende de vervolgingsfeiten te Talas, waar u gedeeltelijk uw asielaanvraag op steunt, volledig ondermijnd. Daarnaast blijkt uit uw verklaringen voor het CGVS dat u Soedan heeft verlaten omwille van de persoonlijke problemen die u heeft gehad in Wad Madani omdat u was veranderd van religie (zie gehoorverslag CGVS p. 16). U zou zich namelijk hebben afgekeerd van de islam, uw oorspronkelijke religie, en u begon naar de katholieke kerk in Wad Madani te gaan. Er dient echter te worden vastgesteld dat u deze "religieuze" problemen helemaal niet heeft vermeld tijdens het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ), waardoor de geloofwaardigheid van deze problemen volledig wordt ondermijnd. Toen u werd gevraagd naar uw religie tijdens het gehoor voor de DVZ verklaarde u wel dat u christen was maar maakte u helemaal geen gewag van eventuele problemen hierdoor (zie gehoorverslag DVZ dd. 22 maart 2005, vraag 42, p. 2). Meer nog, toen u voor de DVZ werd gevraagd naar andere redenen waarom u Soedan heeft verlaten, maakte u wel gewag van een gebrek aan vertrouwen in de regering van Soedan en uw moeilijke economische situatie omdat jullie alles verloren, maar maakte u totaal geen melding van "religieuze" problemen (zie gehoorverslag DVZ vraag 42, p. 2). Uw verklaring voor het niet vermelden van deze problemen, namelijk dat het interview voor de DVZ erg snel ging en dat men u bepaalde vragen niet had gesteld waar u wel graag op wou antwoorden waardoor u niet over al uw problemen heeft verteld (zie gehoorverslag CGVS p. 1 en 38) is niet aannemelijk. Er kan namelijk logischerwijze van u worden -verwacht dat u zelf spontaan at de redenen voor uw vertrek uit Soedan vermeldt, zeker als uw "religieuze" problemen, volgens uw eigen verklaringen, de enige reden voor uw vertrek uit Wad Madani zijn, waarna u naar België kwam (zie gehoorverslag CGVS p. 32). Uw verklaring voor het feit dat u geen gewag heeft gemaakt van uw religieuze problemen, ook al werd u voor de DVZ gevraagd of er andere redenen waren waarom u Soedan heeft verlaten, namelijk dat u nu eenmaal een "politieke" asielaanvraag deed en u dacht dat u slechts uw politieke problemen moest vertellen (zie gehoorverslag CGVS p. 39), VII-33.884-3/6 is evenmin aannemelijk. Men kan er logischerwijze immers van uitgaan dat u, als men u expliciet naar de redenen voor uw vertrek vraagt, al de redenen geeft, of deze nu al dan niet politiek zijn. Bovendien blijkt uit uw verklaringen voor het CGVS dat u zich richtte naar het christendom doordat u door uw problemen in Talas niet meer geloofde in de Islam en u besloot christen te worden (zie gehoorverslag CGVS p. 33 en 38). De geloofwaardigheid van uw problemen in Talas werd hierboven echter volledig in twijfel getrokken. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw vermeende "religieuze" problemen ook verder ondermijnd. Uw nationaliteitscertificaat is niet van die aard om bovenstaande argumentatie te wijzigen aangezien het identiteitsgegevens bevat die hier niet ter discussie staan. Aan de twee geboorteaktes (of attesten van de bepaling van de leeftijd) van uw kinderen ken, gezien uw verblijf in Zuid-Darfour hierboven weerlegd wordt, geen bewijswaarde worden gehecht. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  7. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij, in een eerste middel de schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij in wezen betoogt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen onderzoek heeft gewijd aan de door haar aangehaalde problemen in haar land van herkomst die het gevolg zijn van haar religieuze aanhorigheid; Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) het de commissaris-generaal mogelijk maakt de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer deze bedrieglijk wordt bevonden; dat zulks te dezen het geval is, zoals dit in de bestreden beslissing wordt aangegeven; dat in dergelijk geval geen onderzoek meer moest worden gewijd aan de door de verzoekende partij ingeroepen problemen in haar land van herkomst; dat het middel niet ernstig is; VII-33.884-4/6 2.
  9. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij beweert dat de motivering dat “vermits de geloofwaardigheid van uw problemen in Talas hierboven volledig in twijfel werd getrokken, de geloofwaardigheid van uw vermeende religieuze problemen ook verder wordt ondermijnd” onvolledig, summier, geenszins uitdrukkelijk en bijgevolg niet afdoende is; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
  10. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, VII-33.884-5/6 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-33.884-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.