id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.469 Rolnummer: A. 157803/XII-4310 Zaak: Arrest 143469 - - 21/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-04-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 11:16 Fiche Arrest nr 143.469 van 21 april 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.469 van 21 april 2005 in de zaak A. 157.803/XII-
- In zake :
- de VZW VLAAMS KOMITEE BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat I. Rogiers, kantoor houdende te Kalken, Kalkendorp 17 A
- de VZW VLAAMSE VOLKSBEWEGING,
- de VZW BRUSSELNL, die woonplaats kiezen bij advocaat F. Vandendriessche, kantoor houdende te 1060 Brussel, H. Wafelaertsstraat 47-51, bus 1
- de VZW VERBOND VAN HET VLAAMS OVER- HEIDSPERSONEEL, die woonplaats kiest bij advocaat J. Huygh, kantoor houdende te 1050 Brussel, Paul Lauterstraat
- tegen :
- het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST en
- de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPS- COMMISSIE, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Uyttendaele, kantoor houdende te 1060 Brussel, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaams Komitee Brussel, VZW Vlaamse Volksbeweging, VZW brusselNL en VZW Verbond van het Vlaams Overheidspersoneel op 24 november 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de brief van 14 oktober 2004 van de Brusselse XII-4310-1/13 hoofdstedelijke regering en van de twee brieven van 29 oktober 2004 van de leden van het Verenigd college bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen, aangaande de “Gevolgen van de schorsing door het arrest van de Raad van State van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Rogiers, die verschijnt voor de eerste verzoekster en loco advocaten F. Vandendriessche en J. Huygh voor de tweede, derde en vierde verzoekster, en van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaat M. Uyttendaele verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies; XII-4310-2/13
- Overwegende dat op 14 en 27 november 1996 in de schoot van de Brusselse hoofdstedelijke regering een zogenaamd taalhoffelijkheidsakkoord wordt gesloten; dat eind 1997 de Brusselse hoofdstedelijke regering en het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie daarover een omzendbrief sturen aan de Brusselse gemeenten, respectievelijk de Brusselse OCMW’s en openbare ziekenhuizen, meer bepaald om hen op de hoogte te brengen van het standpunt dat de regering, respectievelijk het college, in het kader van de bevoegdheid als toezichthoudende overheid heeft ingenomen met betrekking tot de aanwerving van contractuelen in de plaatselijke besturen; dat onder meer wordt uiteengezet in welke gevallen contractueel personeel kan worden aangeworven zonder taalexamen; dat de Brusselse hoofdstedelijke regering op 31 augustus 2000 besluit het taalhoffelijkheidsakkoord voor twee jaar te verlengen; Overwegende dat op 18 en 19 juli 2002 de leden van het Verenigd college bevoegd voor bijstand aan personen, respectievelijk de voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering, in een “Circulaire betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord” “de nieuwe bepalingen betreffende de toepassing van het taalhoffelijkheidsakkoord” uitleggen; dat blijkens die nieuwe bepalingen de Brusselse OCMW’s en gemeenten vanaf 1 september 2002 aanwervingscontracten voor twee jaar kunnen sluiten met sollicitanten die niet voldoen aan de taalkennisvereisten waarin de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken voorzien, en de contracten onder voorwaarden kunnen verlengen ofschoon de ambtenaren nog altijd niet geslaagd zijn voor de betrokken taalexamens; dat de omzendbrieven tevens aangeven onder welke voorwaarden de toezichthoudende overheden ter zake geen gebruik zullen maken van hun vernietigingsbevoegdheid; dat de Raad van State een en ander, in zijn arrest nr. 118.134 van 8 april 2003, op het eerste gezicht in strijd bevindt met artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, en artikel 58, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; dat de omzendbrieven op 8 april 2003 voorlopig en op 27 mei 2004, bij arrest nr. 131.811, definitief in hun tenuitvoerlegging worden geschorst; XII-4310-3/13 Overwegende dat, naar aanleiding van de schorsing, de voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering in een brief van 14 oktober 2004 aan de colleges van burgemeester en schepenen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de aandacht vestigt “op de noodzaak om de taalwetgeving te respecteren, en daarbij de goede werking van de diensten te verzekeren”; dat de leden van het Verenigd college bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen op 29 oktober 2004 een vergelijkbare brief richten tot de voorzitters en secretarissen van de OCMW’s van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, evenals tot de voorzitter van IRIS, de afgevaardigd bestuurder van IRIS en de leidende ambtenaren van de ziekenhuizen van de IRIS- structuur; dat volgens de brieven de uitoefening van het toezicht facultatief is en het een zaak van goed bestuur is dat de toezichthoudende overheden de principes meedelen die de leidraad zijn bij de uitoefening van hun discretionaire beoordelingsbevoegdheid; dat, voorts, de brieven er aan herinneren dat nauwgezet de artikelen 21 en 22 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken moeten worden nageleefd “met betrekking tot de benoeming en bevordering van het statutair personeel”; dat wat het contractueel personeel betreft, zekere uitzonderingen niet te na gesproken, wordt bepaald dat openstaande vacatures ter kennis moeten worden gebracht aan de B.G.D.A., die kandidatenlijsten zal meedelen van ingeschreven werkzoekenden met het vereiste profiel en het vereiste taalbrevet, dat de considerans van de beslissing inzake aanwerving onder meer melding moet maken van het resultaat van de voornoemde raadpleging en dat de toezichthoudende overheid van de aanwervingen moet worden ingelicht; dat de brieven tenslotte specificeren wat volgt : “Elke beraadslaging moet, indien het aangeworven personeelslid niet behoort tot het vak- en werklieden personeel noch afhangt van een instelling bedoeld in artikel 22 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken vermelden of het voldaan heeft aan het taalexamen dat overeenstemt met diens functie of, bij gebrek hieraan, op welk vlak diens aanwerving noodzakelijk is voor de goede werking en de continuïteit van de dienstverlening”; XII-4310-4/13
- Overwegende dat, naar in de nota voor de verwerende partijen wordt uiteengezet, de stellers met de bestreden brieven een “praktische oplossing” hebben willen geven “aan een praktisch probleem”, zijnde hoe de betrokken lokale overheden na de schorsing van de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002 voort te werk moesten gaan, “wetende dat een integrale naleving van de taalwetten in bestuurszaken thans onmogelijk is”; dat de verwerende partijen naar eigen zeggen de vrijheid hadden “het probleem niet onder ogen te nemen en verder een onbeperkte schending van de taalwetten te gedogen”, maar er voor gekozen hebben een initiatief te nemen teneinde te vermijden dat “een situatie van belangrijke rechtsonzekerheid [ontstaat] waarbij sommige besturen, bij gebrek aan beter, de geschorste omzendbrieven niettemin zullen blijven toepassen, anderen terug zullen keren naar de oude situatie van vóór de geschorste omzendbrieven en nog andere besturen misschien eigen gedragsregels zullen uitstippelen...”; dat, aldus de eigen bewoordingen van de verwerende partijen, de “praktische oplossing waarvan aangekondigd wordt dat ze gedoogd zal worden” hierop neerkomt dat “wanneer, in de praktijk, de naleving van de betrokken bepalingen [van de taalwetten in bestuurszaken] onmogelijk blijkt te zijn en een aanwerving nochtans noodzakelijk is voor de goede werking en de continuïteit van de dienstverlening [...] de aanwerving van een ééntalige gedoogd kan worden”; Overwegende dat, in het licht van de voorgeschiedenis van de brieven, hun inhoud en de toelichting erbij in de nota, vooralsnog moet worden aangenomen dat de verwerende partijen er mee hebben willen aangeven, en zich er toe hebben verbonden om, onder voorwaarden te gedogen dat eentalige contractuelen worden aangeworven;
- Overwegende dat verwerende partijen omtrent de aard en strekking van de brieven in hun nota in de eerste plaats tegenwerpen dat zij “loutere brieven zijn en zelfs geen omzendbrieven” en dat zij geen enkele juridische werking hebben, noch beogen; dat zij in de tweede plaats betwisten dat de brieven een verordenend karakter vertonen, omdat de praktische oplossing waarvan wordt aangekondigd dat ze gedoogd zal worden “slechts een mogelijkheid uitmaakt” en de richtlijnen dus niet verplichtend XII-4310-5/13 bedoeld zijn, en ook omdat de verwerende partijen niet de bevoegdheid hebben om de bestemmelingen van de brieven te binden; Overwegende dat een brief die aan verscheidene overheden wordt toegestuurd, een rondzendbrief of omzendbrief mag worden genoemd; dat tevens, zoals gezien, de omzendbrieven tot doel hebben “een situatie van belangrijke rechtsonzekerheid” te verhelpen; dat, begrijpelijk, de verwerende partijen zelf, verder in de nota, dan ook toegeven dat de brieven “in die zin gelezen [kunnen] worden dat ze nieuwe regels bevatten”; dat zij bovendien expliciet verklaren bij machte te zijn “de handhaving van de richtlijnen af te dwingen”; dat ten slotte in de huidige stand van de procedure tenminste mag worden aangenomen dat in en met de omzendbrieven de verwerende partijen in elk geval zichzelf hebben willen vastleggen en hébben vastgelegd, door af te zien van een strikte handhaving van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, weze het om te voorkomen dat de bestemmelingen van de brieven gedesorganiseerd zouden geraken bij gebrek aan voldoende personeel; Overwegende dat de exceptie van onontvankelijkheid ratione materiae verworpen wordt;
- Overwegende dat verwerende partijen in verband met het belang van verzoeksters tegenwerpen dat de nagestreefde schorsing hun geen concreet voordeel kan verschaffen, aangezien deze “onmachtig [is] de verzoekende partijen daadwerkelijk dichter te brengen bij het verwezenlijken van hun statutaire doelen”; dat immers, volgens verwerende partijen, door een schorsing de Nederlandstalige ambtenaren niet talrijker zullen worden en het enige gevolg dat van een schorsing mag worden verwacht erin bestaat dat de Nederlandstalige ambtenaren overbelast zullen geraken; dat, meer nog, verwerende partijen het belang van verzoeksters zelfs onwettig achten, nu een schorsing alleen maar zou meebrengen dat de integrale naleving van de taalwetten in bestuurszaken verder af is dan voorheen en dat voor alle burgers, inbegrepen de Nederlandstaligen, de dienstverlening er op achteruitgaat; XII-4310-6/13 Overwegende dat verwerende partijen niet betwisten dat de gevorderde schorsing van de bestreden brieven een verband vertoont met de respectieve maatschappelijke doelen van de verzoeksters; dat die doelen onder meer betrekking hebben op de vrijwaring en bevordering van het Vlaams leven te Brussel, op activiteiten ter oplossing van “alle mogelijke maatschappelijke vraagstukken van sociale, economische, culturele en politieke aard, die gesteld worden in verband met de volwaardige ontwikkeling van Vlaanderen”, op de versterking van de positie van het Nederlands in Brussel en de verdediging van de rechten en de waarborgen die de Nederlandstaligen genieten in Brussel, en op de behartiging van de Vlaamse belangen in alle aan een taalregeling onderworpen diensten, instellingen of ondernemingen; dat, in acht genomen hun maatschappelijk doel, verzoeksters in principe er dan ook belang bij hebben om op te komen tegen de brieven van 14 en 29 oktober 2004 en de daarin beweerdelijk besloten -en door de verwerende partijen overigens zonder schroom toegegeven- strijdigheid met de taalwetgeving in het Brusselse; dat de schorsing verzoeksters als een bijzonder concreet en voldoende voordeel vermag op te leveren dat die strijdigheid onwerkzaam wordt gemaakt; Overwegende, tevens, dat verwerende partijen ten onrechte de wettigheid van het belang van verzoeksters betwisten om een schending van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die trouwens van openbare orde zijn, te doen ophouden; dat het in een rechtsstaat niet betaamt een verzoekende partij a priori het wettig belang te ontzeggen om bij de rechter op te komen tegen de onwettigheid van een haar grievende beslissing, omdat de naleving van de wet al te moeilijk zou zijn; Overwegende dat de exceptie van het gebrek aan het rechtens vereiste belang verworpen wordt;
- Overwegende dat in een laatste exceptie verwerende partijen betwijfelen of er wel een voldoende samenhang tussen de drie bestreden brieven bestaat opdat zij met een en hetzelfde verzoekschrift mogen worden aangevochten; dat volgens hen er “geen enkel risico [bestaat] dat de drie arresten die zouden volgen op drie XII-4310-7/13 afzonderlijke vorderingen tot schorsing, onderling onverenigbaar zouden zijn” en andersluidende arresten “probleemloos individueel [zouden] kunnen worden uitgevoerd”; Overwegende dat de aangevochten omzendbrieven alle drie beogen aan te geven hoe er voort moet worden gehandeld na het schorsingsarrest van de Raad van State, nr. 118.134 van 8 april 2003; dat zij, aldus de verwerende partijen zelf, “inhoudelijk identiek” zijn; dat verzoeksters er volkomen identieke wettigheids- bezwaren tegen aanvoeren; dat de brieven weliswaar verschillende bestemmelingen betreffen, zodat het niet uiteraard onmogelijk zou zijn om eventueel tegenstrijdige uitspraken over de vorderingen tot schorsing van de brieven tegelijkertijd ten uitvoer te leggen; dat echter tegenstrijdige uitspraken, waardoor in de toekomst de ene brief wel nog en de andere niet meer kan worden toegepast, in de concrete omstandigheden van de zaak zo stuitend voor het rechtsgevoel zouden zijn, dat zij, tenminste praktisch bekeken, niettemin als onverenigbaar moeten worden beschouwd; dat bijgevolg de Raad van State, indien de vorderingen tot schorsing afzonderlijk waren ingediend, desnoods ambtshalve tot de samenvoeging ervan moest zijn overgegaan, met het oog op een goede rechtsbedeling; dat de verzoeksters geen verwijt treft nu zij daar alleen maar op vooruitgelopen zijn door de vorderingen eigener beweging te hebben samengevoegd in hetzelfde verzoekschrift; Overwegende dat de besproken exceptie verworpen wordt; 6.
- Overwegende dat verzoeksters in een tweede middel onder meer de schending aanvoeren van artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, doordat de bestreden omzendbrieven bepalen dat de contractuele personeelsleden die door de gemeente, de OCMW’s en de IRIS-ziekenhuizen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aangeworven zijn of worden, niet vóór hun aanwerving moeten blijk geven van de voorgeschreven kennis van de tweede taal, “voor zover [hun] aanwerving noodzakelijk is voor de goede werking en de continuïteit van de dienstverlening”; dat verzoeksters in een derde middel artikel 58, eerste en tweede lid, geschonden noemen, doordat de bestreden XII-4310-8/13 brieven bepalen dat het toezicht uitgeoefend door de Brusselse hoofdstedelijke regering en het Verenigd college facultatief is; 6.
- Overwegende dat verwerende partijen in substantie repliceren dat genoemd artikel 21 -aldus geïnterpreteerd dat de vereiste van tweetaligheid onmiddellijk, bij de indiensttreding van elke ambtenaar, ook als hij contractueel is, moet worden getoetst en dat de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest slechts tweetalige personeelsleden in dienst mogen nemen- tot een dubbele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanleiding geeft, enerzijds, wat de kwaliteit van de openbare dienstverlening betreft, van de burgers van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten opzichte van de burgers van de andere taalgebieden en, anderzijds, wat de continuïteit van de dienstverlening betreft, van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten opzichte van de gemeenten van de andere, eentalige regio’s; dat verwerende partijen vragen ter zake prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen; 6.
- Overwegende dat vooralsnog de Raad van State bij het oordeel blijft, zoals uitgedrukt in het arrest nr. 118.134 van 8 april 2003, dat de taalkennis-vereisten waarvan sprake in artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ook de personeelsleden lijken te gelden die onder de contractuele regeling vallen, dat op het eerste gezicht de overheid een gekozen sollicitant slechts regelmatig in dienst kan nemen indien de betrokkene alle voor de betrekking gestelde bekwaamheidsvoorwaarden vervult, dat artikel 58, tweede lid, de toezichthoudende overheid er toe verplicht op verzoek van elke belanghebbende de handelingen te vernietigen die in strijd zijn met artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, en dat het de verwerende partijen niet vrij staat om aan de uitoefening van die vernietigingsbevoegdheid te verzaken; Overwegende dat de bestreden omzendbrieven, waarin -zoals gezien- de verwerende partijen zich er op hebben vastgelegd om onder voorwaarden te gedogen dat eentalige contractuelen worden aangeworven, met de voormelde wetsbepalingen niet verenigbaar lijken; XII-4310-9/13 6.
- Overwegende dat de besproken vordering tot schorsing spoedeisend is en de uitspraak erover slechts een voorlopig karakter heeft; dat dienvolgens, overeenkomstig artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de Raad van State er niet toe gehouden is de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen, behalve wanneer er ernstige twijfel zou bestaan over de verenigbaarheid van het meergenoemd artikel 21 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en er geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Arbitragehof aanhangig is; Overwegende dat het artikel 21 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken verband houdt met het tweetalig karakter van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en met de waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid er genieten; dat, reeds naast randnummer 1 in de nota, de verwerende partijen benadrukken dat de vereiste dat alle personeelsleden van de lokale diensten in Brussel tweetalig moeten zijn “uiteraard nauw verbonden” is met de verplichting om er de Nederlandstaligen en de Franstaligen op voet van gelijkheid te behandelen en met de vrijheid van de bestuurden om er de taal van hun keuze te gebruiken in hun mondelinge contacten met de plaatselijke diensten; dat de vermelde tweetaligheid en de daarop gesteunde waarborgen niet gelden in de andere gebieden, die niet tweetalig zijn; dat dan ook de vraag rijst of de prejudiciële vragen wel vergelijkbare categorieën van burgers en gemeenten betreffen; Overwegende dat voorts ook niet voldoende blijkt dat het aangeklaagde onderscheid en de belangen die er mee beoogd worden, de belangen van verwerende partijen op onevenredige wijze aantasten; dat, eensdeels, de bij het artikel 21 betrokken belangen verband houden met het evenwicht tussen de verschillende gemeenschappen en gewesten binnen de Belgische staat; dat als zodanig de bijzondere wetgever de belangen dermate beschermwaardig heeft gevonden dat hij, in de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, de mogelijkheid tot schorsing van normen of rechtshandelingen die eraan afbreuk doen, heeft versterkt door de voorwaarden tot schorsing te beperken tot het aanvoeren van ernstige middelen; dat derhalve aan de betrokken belangen een bijzonder XII-4310-10/13 gewicht lijkt te moeten worden toegemeten; dat, anderdeels, de verwerende partijen voor de Raad van State volledig in gebreke zijn gebleven ook maar enigszins met feitelijke gegevens inzichtelijk te maken en aan te tonen hoe ernstig en, eventueel, hoe onvermijdbaar de aantasting van de kwaliteit en de continuïteit van de openbare dienstverlening in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ten gevolge van de toepassing van het meer vermelde artikel 21 wel is of dreigt te zijn; Overwegende dat uit een en ander volgt dat er althans in de huidige stand van de procedure geen ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van het genoemd artikel 21 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat de voorgestelde vragen niet aan het Arbitragehof worden voorgelegd; 6.
- Overwegende dat het tweede en derde middel in de besproken mate ernstig zijn;
- Overwegende, ten slotte, dat verzoeksters er op wijzen dat krachtens artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen tot de schorsing van een norm of rechtshandeling kan worden besloten indien ernstige middelen de vernietiging ervan verantwoorden op grond van artikel 5bis, dat artikel 5bis iedere maatregel verbiedt die afbreuk doet aan het tweetalig karakter van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of aan de op 1 januari 2002 bestaande waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en dat de bestreden beslissingen zulke verboden maatregelen zijn; Overwegende dat ter zake de verwerende partijen geen enkel verweer voeren; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, de Raad van State tot de schorsing van een handeling kan besluiten indien ernstige middelen de vernietiging ervan rechtvaardigen op grond van artikel 5bis; dat volgens dit artikel 5bis XII-4310-11/13 de administratieve handelingen geen afbreuk mogen doen aan het tweetalig karakter, noch aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bepaling -zijnde 1 januari 2002- bestaande waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest; dat blijkens het hiervoor ernstig bevonden tweede en derde middel, de bestreden omzendbrieven aan dit artikel 5bis tekortkomen; dat voor een schorsing van de brieven dan niet het bewijs vereist is dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de brief van 14 oktober 2004 van de Brusselse hoofdstedelijke regering en van de twee brieven van 29 oktober 2004 van de leden van het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen, aangaande de “Gevolgen van de schorsing door het arrest van de Raad van State van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”. XII-4310-12/13 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4310-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.469 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.