← België

Arrest 143520 - - 21/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.520 Rolnummer: A. 138349/XIV-15684 Zaak: Arrest 143520 - - 21/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 11:17 Fiche Arrest nr 143.520 van 21 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.520 van 21 april 2005 in de zaak A. 138.349/XIV-15.684. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. LAMOOT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; XIV-15.684-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Iraanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 30 december 2002 en heeft zich dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.2. Op 19 februari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 20 mei 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 februari 2003 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing: “A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Armeense origine, verklaart problemen te hebben gehad in Iran omwille van uw godsdienst. U verklaart voor het Commissariaat-Generaal dat uw echte naam XXX is en dat u op 9 september 2002 asiel aanvroeg voor de Duitse autoriteiten. U vertrok op 16 december 2002 uit Duitsland zonder een beroep in te dienen tegen uw negatieve beslissing (bevestigende beslissing tot weigering van verblijf). Op 30 december 2002 bent u in België aangekomen en hebt u asiel aangevraagd onder de naam XXX. Volgens de verklaringen die u aflegde op het Commissariaat-Generaal werd u gearresteerd in de 6de maand van 1380 (Perzische kalender, komt overeen met augustus/september 2001) omwille van het feit dat u propaganda maakte voor het christendom. U bent na één nacht detentie vrijgelaten na het ondertekenen van een document waarin vermeld stond dat u geen propaganda van het christendom meer mocht maken. U deed echter verder met uw activiteiten, u verdeelde cassettes en boeken met religieuze boodschappen aan Moslims. Ook hielp u S. K. B., een persoon die erg veel interesse had in uw godsdienst, met zijn bekering. U ging regelmatig praten over het christendom in het park Shahraka. In de 5de maand van 1381 (juli/augustus 2002) werd u er neergeslagen door S., een lid van de Bassidj (ordedienst die toekijkt op naleving van religieuze regels). U viel bewusteloos neer. Toen u bijkwam ging u naar huis waar u een tiental dagen verbleef. Daarna ging u terug XIV-15.684-2/8 werken, maar niet lang daarna kreeg u dreigtelefoons, zowel op het werk als op uw gsm. Tevens kregen uw ouders verscheidene malen bezoek van onbekenden die vroegen om religieuze boeken. U denkt dat het agenten van de Bassidj waren. Omdat u echt bang werd besloot u om enkele dagen naar uw oom in Orumieh te gaan. Via uw vrienden vernam u dat de Bassidj nog verscheidenen malen bij u thuis was geweest. Uit schrik dat men u niet gerust zou laten verliet u het land. Uit contact met uw vader weet u dat de Bassidj nog verscheidene malen bij u thuis langskwamen. B. Motivering Uit gegevens van de Duitse asielinstanties, waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat u op 9 september 2002 in Duitsland asiel aanvroeg onder de naam XXX. Er dient op gewezen te worden dat u als asielzoeker er kon verblijven (als u beroep had ingediend tegen de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf) en dat u op 16 december 2002 Duitsland hebt verlaten om redenen vreemd aan de Vluchtelingenconventie: u begreep enkel uit uw bevestigende beslissing dat u het land moest verlaten (zie gehoorverslag CGVS, p.3). Aldus dient te worden besloten dat u Duitsland heeft verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève na een verblijf van meer dan drie maanden, bijgevolg is uw asielaanvraag in België onontvankelijk. Uw documenten wijzigen bovenstaande motivering niet. De fax van uw boekje burgerlijke stand, de fax van uw rijbewijs, de fax van uw kaart van militaire dienst en uw doopaktes bevatten enkel gegevens betreffende uw identiteit en religie. Deze staan niet ter discussie. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.)”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel: gebrek aan motivering, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play III.1. Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980; Het is een algemeen rechtsbeginsel dat elke bestuurshandeling moet steunen op motieven in feite en in rechte. Ook ar(t)ikel 62 van de Vreemdelingenwet vereist dat de administratieve beslissingen met redenen worden omkleed. L'exigence de la motivation d'une décision est destinée à ce que l'intéressé ait parfaitement connaissance des raisons qui la justifiënt. (Cons. Etat, 12 mei 1989, arrêt nr. 32.560, R.A.C.E. 1989) XIV-15.684-3/8 Bovendien verplicht de wet van 29 juli 1991 de overheid bij elke bestuurshandeling met inde(i)viduele draagwijdte in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag aan te duiden waarop zij steunt. De motivering moet bovendien afdoende zijn. Het is duidelijk dat de beslissing in kwestie een beslissing is die onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. III.2. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 20.05.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de, beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 19.02.2003. In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat bepaalde verklaringen afgelegd door verzoeker de geloofwaardigheid van zijn asielaanvraag ondermijnen. Wat de naam van verzoeker betreft, hij heeft in het begin van het interview in dringend beroep gesteld dat hij weldegelijk gezegd heeft tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat zijn naam N. is en niet N.. Dit is echter ook terug te vinden op een originele doopakte dat verzoeker bij zich had tijdens het verhoor in dringend beroep. Verzoeker is vervolgens eerlijk geweest door te zeggen dat hij asiel aanvroeg in bij de Duitse autoriteiten. Hij kreeg er echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Er werd hem gezeg(

  1. d)dat de procedure ten einde was en dat hij binnen de 5 dagen het land diende te verlaten. Gelet op de problemen die verzoeker had in Iran en zeker zal hebben bij terugkeer, besliste verzoeker om naar België te komen en alhier het statuut van politiek vluchteling aan te vragen. Indien de Commissaris-Generaal stelt dat de procedure van verzoeker in Duitsland nog niet ten einde was, en hij aldaar nog tegen de bevestigende beslissing beroep kon indienen, diende de Commissaris-Generaal aldus een beslissing te nemen opdat verzoeker terug naar Duitsland zou worden gebracht, waar hij dan ook zijn procedure kon beëindigen. Deze beslissing werd echter niet genomen, in tegendeel, verzoeker kreeg ook hier een negatieve beslissing. 1. Zich buiten het land van herkomst bevinden. Verzoeker heeft zijn land/streek van herkomst verlaten en is eerst naar Duitsland en vervolgens naar België gekomen. Hij heeft op 30 december 2002 in België asiel aangevraagd. 2. gegronde vrees voor vervolging De Commissaris-Generaal heeft de motieven voor de asielaanvraag van verzoeker niet eens onderzocht. Nochtans meent verzoeker dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst enerzijds omdat verzoeker wordt vervolgd door de Bassidj, een ordedienst die toekijkt op de naleving van de religieuze regels te Iran, en anderzijds omdat verzoeker praktisernd Christen is in een fundamentalistisch Moslimland. In Iran worden Christenen als opponenten van de Moslims aanzien. Christenen worden dan ook vaak geiseerd door zowel de overheid als de andere Moslims. Verzoeker heeft dit meermaals en op verschillende manieren ervaren. Zelfs na zijn vertrek heeft verzoeker via contacten met zijn vader vernomen dat de Bassidj nog verscheidene malen bij hem thuis langskwamen. Verzoeker werd verschillende malen ontslagen omdat hij over het Christendom sprak met collega's, Ook tijdens zijn studies en zijn militaire dienst werd verzoeker gepest door fanatieke Islamieten en verschillende overheidsdiensten. Deze feiten werden met exacte data en details gestaafd op het tweede interview. Verzoeker werd gevangengenomen zonder verhoor en zonder dat zijn rechten van verdediging werden gerespecteerd. Persoonlijk werd hij geslagen en met de dood bedreigd. Uit dit alles blijkt dat verzoeker voor(t)durend onder grote druk stond en met een onredelijk hoge angst te kampen had. Hij werd immers verbaal, moreel en fysiek aangevallen. Hieruit blijkt duidelijk dat verzoeker een gegronde vrees heeft tot vervolging omdat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden omwille van religieuze redenen. Indien verzoeker toch gerepatrieerd zou worden, vreest verzoeker voor zijn leven. 3. omwille van ras,. religie, nationaliteit, behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. XIV-15.684-4/8 Het is duidelijk dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verzoeker is omwille van relig(i)euze overtuiging niet veilig in zijn land van herkomst. Hij werd immers voortdurend verbaal, moreel en fysiek aangevallen en dit zowel door Moslim-bevolking als door de overheid (Bassidj) omwille van zijn praktiserend geloof. Voor hem is het onmogelijk een normaal leven te leiden in ee(
  2. n)(n)land waar hij continue onder een fysieke en morele angst leeft. 4. de bescherming van het land van herkomst niet kunnen of willen inroepen Het is onmogelijk voor verzoeker om de bescherming in te roepen van het land van herkomst. Iran is immers een fundamentalistische Moslimstaat, waar christenen het niet gemakkelijk hebben om te leven, waar ze integendeel zowel door de bevolking als door de overheid zelf worden onderdrukt, gepest en bedreigd. Verzoeker kon dit zoals hierboven reeds uiteengezet verschillende malen en veelvuldig persoonlijk ervaren. Het spreekt voor zich dat verzoeker geen hulp kan inroepen van de staat Iran omdat deze meewerkt met deze onderdrukking en overgaat tot arrestaties bij iedere vorm van propaganda voor het Christendom. Verzoeker is dan ook de mening toegedaan dat het eerste middel gegrond is.”; 2.1.2. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekers asielaanvraag onontvankelijk heeft bevonden omdat verzoeker Duitsland heeft verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève na een verblijf van meer dan drie maanden; dat de bestreden beslissing erop wijst dat uit gegevens van de Duitse asielinstanties blijkt dat verzoeker op 9 september 2002 in Duitsland asiel aanvroeg onder de naam XXX; dat verzoeker als asielzoeker in Duitsland kon verblijven (als hij beroep had ingediend) en dat land heeft verlaten om redenen vreemd aan de Vluchtelingenconventie; dat hij enkel begreep uit de bevestigende beslissing dat hij het land moest verlaten; dat de bestreden beslissing tevens stelt dat de documenten die verzoeker voorlegt, niet ter discussie staan en bovenstaande motivering niet wijzigen; dat het verzoekschrift stelt dat de bestreden beslissing vermeldt dat bepaalde verklaringen van verzoeker de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; dat de bestreden beslissing echter geen dergelijke vermelding bevat; dat verzoeker erop wijst dat zijn naam “N.” is en niet “N.”; dat verzoeker hiermee het motief van de bestreden beslissing niet weerlegt; dat verzoeker herhaalt dat hij in Duitsland asiel aanvroeg en de procedure ten einde was; dat hij gelet op de problemen in Iran besliste om naar België te komen en het statuut van politiek vluchteling aan te vragen; dat volgens verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen diende te beslissen dat verzoeker terug naar Duitsland diende te worden gebracht waar hij de asielprocedure kon beëindigen; dat kan opgemerkt worden dat verzoeker niet betwist dat hij Duitsland heeft verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève na een verblijf van meer dan drie maanden; dat verzoeker derhalve het motief van de bestreden beslissing niet betwist; dat de door verzoeker aangebrachte gegevens geen afbreuk kunnen doen aan de juistheid en pertinentie van de motieven; dat het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren niet kennelijk onredelijk is; dat uit de gegevens van het administratief dossier evenmin kan worden afgeleid dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in redelijkheid kon besluiten tot de niet- ontvankelijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij; dat verzoeker in zijn XIV-15.684-5/8 middel niet aantoont op welke wijze de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) zou hebben geschonden; dat evenmin wordt aangetoond dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan of de fair-play zou hebben geschonden; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “III.2. Tweede gegrond middel: Machtsoverschrijding van de Commissaris-Generaal “Machtsoverschrijding is ruimer elke vorm van onrechtmatigheid, ook al is de handeling gesteld door het bevoegde orgaan” (BOES. M. Administratief Recht, ACCO, Leuven 1998-99, 255) Verzoeker wenst in dit geval te benadrukken dat de bestreden beslissing betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker en niet op de gegrondheid. De Belgische asielwetgeving voorziet tot op heden nog steeds 2 fasen in een asielprocedure, m.n. de ontvankelijkheidsfase en de gegrondheidsfase. Het is evident dat er tussen deze 2 fasen een duidelijk verschil moet bestaan. Zo niet, heeft de bestaande reglementer(e)ing hieromtrent geen enkele zin en mist zij in eik geval haar doel. In de ontvankelijkheidsfase komt het erop neer na te kijken of de elementen die aangebracht worden door de kandidaat vluchteling om zijn asielaanvraag te staven, prima face gekaderd kunnen worden in het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28.07. 1951 en goedgekeurd bij wet van 16.06.1953. Indien dit het geval is, moet de asielaanvraag ontvankelijk worden verklaard. De door verzoeker aangehaalde feiten kaderen minstens prima face in het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28.07.1951 en goedgekeurd bij wet van 16.06.1953. In deze stand van de procedure had de Commissaris-generaal dan ook moeten beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is al dan niet verzoeker terug te sturen naar Duitsland om aldaar zijn asielprocedure af te handelen. Dit heeft hij niet gedaan; Het tweede middel is derhalve gegrond.”; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker stelt dat de door hem aangehaalde feiten kaderen in het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen had moeten beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat dient aangestipt dat de bepalingen van de Conventie van Genève enkel rechten en verplichtingen meebrengen voor de verdragsluitende partijen; dat aan deze bepalingen dan ook een directe werking dient te worden ontzegd; dat tevens kan opgemerkt worden dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen is in de ontvankelijkheidsfase; dat in die fase nog geen verplichting bestaat om de gegrondheid van de aanvraag te beantwoorden; dat verzoeker geen elementen aanhaalt waaruit zou kunnen blijken dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen door zijn asielaanvraag als onontvankelijk te bestempelen, onzorgvuldig is geweest; dat verzoeker niet XIV-15.684-6/8 verduidelijkt waarin de machtsoverschrijding precies zou bestaan; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “III.3. Derde gegrond middel: Schending van artikel 3 EVRM. Volgens de Commissaris-generaal kan verzoeker terug geleid worden naar haar land van herkomst. Dit betekent dat verzoeker op ieder moment gerepatriëerd kan worden naar Iran. Nochtans is het voor verzoeker niet veilig in zijn land van herkomst. Hij werd immers constant verbaal, moreel als fysiek aangevallen door de Moslims alsook door de Iraanse autoriteiten. Voor hem is het onmogelijk aldaar een normaal leven te leiden, waaronder ook wordt verstaan zijn geloof praktiseren, in een land waar hij constant onder fysieke en morele angst leeft. De veiligheid van verzoeker kan dan ook niet worden gewaarborgd. Verwerende partijen kunnen de veiligheid van verzoeker niet garanderen zodat de eerbiediging van ar(t)ikel 3 EVRM in gedrang komt. "het Europees Hof voor de Rechten van de Mens besliste immers dat de uitzetting van een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid van de uitzettende staat kan meebrengen als er ernstige en gegronde redenen voor handen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in zijn of haar land blootgesteld zou worden aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM.” (EVRM, Cruz Varas, 20.03.1991, PUBL. Hof, Serie A, VOL 201) "Een vervolging om een van de 5 vervolgingsgronden van het vluchtelingenverdrag die indruist tegen artikel 3 EVRM zal noodzakelijkerwijze ook leiden tot de erkenning als vluchteling. (VANHEULE, D. Vluchtelingen : een overzicht na de wet van 06 mei 1993, Mys en Breesch, Gent, 1993, 13) Het derde middel is derhalve ook gegrond.”; 2.3.2. Overwegende dat een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker in het verzoekschrift geen concrete elementen aanbrengt die op een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. zouden kunnen wijzen; dat hij derhalve niet aantoont dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat het derde middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-15.684-7/8 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.684-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.