id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.585 Rolnummer: A. 134452/XIV-14321 Zaak: Arrest 143585 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 11:29 Fiche Arrest nr 143.585 van 25 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.585 van 25 april 2005 in de zaak A. 134.452/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R.-M. SUKENNIK, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 21 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; XIV-14.321-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE HAES die, loco Advocaat R.-M. SUKENNIK verschijnt voor de verzoekende de partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoekster bezit de Syrische nationaliteit en is op 28 oktober 2002 in België binnengekomen waar zij zich op 29 oktober 2002 vluchteling heeft verklaard. 1.
- Op 19 november 2002 wordt aan verzoekster de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
- Op 21 februari 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing. De motivering luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde tijdens het gehoor in dringend beroep de Syrische nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn van Kamechli. Uw man zou reeds voor jullie huwelijk lid zijn geworden van de Communistische partij -Politiek bureau (CPPB). Meerdere leden van zijn familie zouden actief geweest zijn voor de CPPB. Hij zou daarom de voorbije zes jaar vier maal gearresteerd, en een aantal dagen vastgehouden, zijn door de militaire veiligheidsdienst maar telkens bij gebrek aan bewijzen terug vrijgelaten zijn. U zou uw echtgenoot soms geholpen hebben bij het inzamelen van geld bij familie en kennissen ten voordele van de familieleden van politieke gevangenen. U zou een aantal maal deelgenomen hebben aan grote familiefeesten, waarop gepraat werd over de ideologie van de partij. In 1998 zou ook uw zoon Hanna Shamoun (O.V.nr. 5.268.938) actief lid geworden zijn van de partij. Op 2 oktober 2002 zou u door iemand telefonisch verwittigd zijn dat een lid van de partij gearresteerd was en waarschijnlijk de naam verklapt had van Hanna. Diezelfde dag nog zouden agenten van de militaire veiligheidsdienst uw huis doorzocht hebben op zoek naar uw zoon en documenten. Zij zouden ermee gedreigd hebben dat u of uw man blijvend zouden opgesloten worden indien uw zoon niet gevonden werd. U zou hierop besloten hebben uw land te verlaten. XIV-14.321-2/8 Op 5 oktober 2002 zou u, samen met uw zoon Hanna, uw land verlaten hebben. U zou in België op 28 oktober 2002 zijn aangekomen. De volgende dag diende u een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat een aantal tegenstrijdigheden bestaan tussen uw opeenvolgende verklaringen bij de verschillende asielinstanties waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Zo maakte u tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen gewag van de reden waarom uw zoon Hanna gezocht wordt en hoe u te weten gekomen bent dat hij gezocht werd (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13). Tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal (CGVS) daarentegen verklaarde u via een kameraad van Hanna te weten zijn gekomen dat een partijgenoot van Hanna gearresteerd werd en deze uw zoon zijn naam prijs gaf tijdens zijn detentie (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). Vervolgens beweerde u tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw echtgenoot na zijn arrestatie in oktober 2002 de volgende dag reeds werd vrijgelaten (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42, p. 13). Tijdens het gehoor op het Commissariaat- generaal stelde u echter dat hij toen drie á vier dagen vastgehouden werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Voorts dient te worden opgemerkt dat u uw zoon tegensprak, aangaande de arrestaties van uw echtgenoot. Zo beweerde uw zoon tijdens het gehoor in dringend beroep dat uw echtgenoot, voorafgaand aan zijn arrestatie van 2 oktober 2002, een laatste maal gearresteerd werd in 2000 waarbij hij een week werd vastgehouden. Daarvoor, zo beweerde uw zoon, zou hij ook in 1999 gedurende een week vastgehouden zijn, en de arrestatie van daarvoor zou dateren van 1997 (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). U verklaarde tijdens het gehoor in dringend beroep echter dat uw echtgenoot, voorafgaand aan zijn arrestatie van 2 oktober 2002, een laatste maal gearresteerd werd in 1999, en een voorlaatste maal in 1997 (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). U maakt op geen enkel moment gewag van een arrestatie van uw echtgenoot, gedurende een week, in het jaar
- Deze tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen over fundamentele elementen van uw concrete vluchtaanleiding, doen sterke twijfels rijzen over de geloofwaardigheid ervan. Bovendien verklaarde u tijdens het gehoor in dringend beroep uw land te hebben verlaten omdat u vreesde voor de arrestatie van uw zoon Hanna of voor de arrestatie van uzelf, in de plaats van uw zoon. (zie gehoorverslag CGVS, p. 6, p. 9). Met betrekking tot de problemen van uw zoon in Syrië dient echter te worden vastgesteld dat de Commissaris-generaal besloot tot de bedrieglijkheid van zijn asielaanvraag. Bijgevolg kan aan uw verklaring dat uw probleem zijn grond kent in de beweerde vervolging van uw zoon, evenmin geloof worden gehecht. Er kan dan ook evenmin in uw hoofde een positief gevolg gegeven worden aan uw asielaanvraag. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat het door u neergelegde document (identiteitskaart) niet van die aard is om bovenstaande vaststellingen te wijzigen.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “EXAMEN DE L’UNIQUE MOYEN: LA MOTIVATION Moyen pris de la violation : • de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, notamment de ses articles 2 et 3; • de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, notamment de ses articles 52 et 62; • des principes généraux de droit et plus particulièrement de celui d'une saine gestion administrative qui veut que toute décision repose sur des motifs légitimes et légalement admissibles; • de l'erreur, de la contrariété et de l'insuffisance dans les causes et les motifs, • de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, notamment en son article 3; XIV-14.321-3/8 En ce que la partie adverse relève des contradictions dans le récit de la requérante pour constater qu'il n'était pas permis d'établir dans le chef de ce dernier, de sérieuses indications d'une crainte fondée de persécution au sens de la Convention de Genève du 28 juillet 1951; Alors que certes, la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, approuvée par la loi du 26 juin 1953, laisse à chaque Etat contractant un large pouvoir d'appréciation quant à la recevabilité des demandes d'asile et que ce pouvoir a été mis en application par l'article 52 précité qui permet à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité d'une demande d'asile de la production d'un commencement de preuve des persécutions invoquées et d'un récit cohérent du demandeur d'asile, mais que pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions et incohérences doivent être d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables ou qu'elles justifient la certitude que le demandeur d'asile n'a pas la qualité de réfugié (Arrêts du Conseil d'Etat n/93.191 du 9 février 2001 et n93.644 du 1er mars 2001); Qu'en l'espèce, les contradictions soulevées par la décision attaquée dans les déclarations du requérant tantôt devant le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides, tantôt devant l'Office des étrangers, s’expliquent aisément; Que les contradictions relevées par l'acte attaqué ne concernent par ailleurs que des éléments de détail par rapport à la cohérence et à la précision de l'ensemble de récit en telle sorte que c'est à tort que l'acte attaqué soutient que les contradictions prétendument rencontrées ôteraient toute crédibilité au récit de la requérante; Qu'en outre, le rapport d'audition de l'audition du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides est à ce point illisible que les droits de la défense sont bafoués; Qu'il est en effet difficile dans le présent recours d'expliquer avec pertinence les contradictions que le Commissaire soulève sur base des notes prises lors de cette audition et de déchiffrer à cette occasion, les questions posées par l'examinateur et les réponses qui ont été apportées; Que l'audition au Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides, pour être effective et garantir le respect des droits des parties, doit faire l'objet d'un procès-verbal fiable et vérifiable par l'intéressée; Que toute décision administrative doit en effet reposer sur des motifs vérifiables par le Conseil d'Etat, ce qui n'est pas le cas en l'espèce; Qu'il ressort de la jurisprudence du Conseil d'Etat (Conseil d’Etat 19 juin 2001, n'96.593) que si la signature du rapport d'audition au Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides par le demandeur d'asile, ne constitue pas une formalité substantielle ou prescrite à peine de nullité, il n'en reste pas moins que si des contestations portent sur ces déclarations, la non signature a pour effet que le rapport ne fait pas preuve des déclarations relatées; Qu'en l'espèce, le rapport d'audition du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides n'est pas signé, les notes prises par le conseil du requérant au cours de ladite audition peuvent donc servir de preuve contraire; Que la qualité des auditions par les instances compétentes en matière d'asile a fait l'objet d'un examen dans le cadre du rapport du Sénat de Belgique daté du 23 juin 1998 fait au nom de commission de l'Intérieur et des Affaires administratives par Mmes Lizin et de Bethune et portant évaluation de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (Doc. Parl. Sénat, session 1997-1998, I-768/I-1997/l998); Qu'à l'occasion de ce rapport, plusieurs instances compétentes en matière d'asile ont été entendues; Qu'on peut citer l'audition de la «Liga voor de Mensenrechten»: [...] [p. 29 in fine] L'Office des étrangers ne fait preuve d'aucune compétence lors de l'examen de leur recevabilité. [...] L’interview qui a lieu au cours de l'examen de la recevabilité laisse également beaucoup à désirer. Il est très difficile d'avoir des traductions, les interviews sont très sommaires et l'on essaie d'obtenir certaines déclarations (des dates exactes, etc.) que l'on utilise par la suite pour constater des « contradictions ». Il faut tenir compte du fait qu'une personne qui a subi des persécutions politiques n'a pas toujours une idée exacte de l'ensemble des dates et que toutes les cultures n'accordent pas la même importance au fait de connaître une date exacte [...]; XIV-14.321-4/8 Qu'en conclusion, la Ligue plaide pour que ce ne soit plus l'Office des étrangers qui soit chargé de l'examen de la recevabilité ou pour que l'on réforme la procédure en profondeur et que l'on prévoie davantage de moyens; Que l'on peut citer également l'audition de Monsieur K. De Feyter, président d'Amnesty International Vlaanderen [p. 73] : « Le 21 septembre, Amnesty International a lancé un appel pour que l'on procède à un audit indépendant des techniques d'interview et que l'on forme les fonctionnaires de l’Office des étrangers chargés de ces interviews Amnesty International est préoccupé par la qualité insuffisante des décisions de l'Office des étrangers Il est encore possible de remédier à cette piètre qualité au niveau Commissariat général aux réfugiés et apatrides, mais la première interview et la décision de l'Office des étrangers restent dans le dossier et, souvent, le Commissariat général aux réfugiés et apatrides base sa décision sur les « contradictions » entre les déclarations qui ont été faites devant l’Office des étrangers et au Commissariat général aux réfugiés et apatrides Il est donc très important de contrôler le travail de l’Office des étrangers La qualité des décisions est influencée par l’imperfection des interviews et le manque de formation du personnel de l’Office des étrangers. De nombreuses organisations de défense des réfugiés, ainsi que le Commissaire général ont régulièrement signalé la piétre qualité du travail de l’Office des étrangers [...]; Qu'ainsi, Selon l'analyse d'Amnesty International, il n'est pas question de mauvaise volonté, mais d'un manque de formation ou du caractère superficiel de l'interview; Qu'il faut constater que les auditions réalisées par l'Office des étrangers et le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides sont souvent bâclées et/ou expéditives, et se déroulent dans un climat de suspicion; Qu'en outre, il n'est pas expliqué aux demandeurs d'asile à quelle procédure ils sont soumis et, surtout, l'importance de ces auditions; Qu'il en résulte qu'aucune contradiction dans ses déclarations ne peut dès lors être relevée sur ce point; 1ière contradiction: - Que la décision attaquée reproche à la requérante de ne pas avoir mentionné, à l’Office des étrangers, les raisons pour lesquelles son fils était recherché, alors que devant le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides, elle aurait expliqué avoir été informée, par un camarade de son fils, qu'un membre du parti avait été arrêté et qu'il avait donné le nom de son fils; Que ce reproche est vide de sens; Qu'il découle du bon sens que l'audition au Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides soit plus complète que l'audition à l'Office des étrangers; Qu'ainsi, le Conseil d'Etat a déjà jugé « (...) qu'il ne peut être reproché à un demandeur d'asile d'avoir été moins précis lors de l'interview à l'office des étrangers quau cours des étapes ultérieures de la procédure, ne serait-ce qu'en raison de la brièveté de cet interview (...) » (CE n/ 99.324, 1er octobre 2001); Que de même, il a été jugé que «(...) de la seule circonstance que les déclarations faites par le demandeur d'asile au Commissariat Général aux Réfugies et aux Apatrides comportent des éléments qui ne figurent pas dam le rapport d'audition à l’Office des étrangers, le commissaire général ne peut, (...) dans la mesure où le résumé que (le rapport d'audition à l'Office des étrangers) contient du récit du demandeur ne peut être que synthétique puisqu'il tient en une seule page dactylographiée alors qu'il mentionne que l'entretien a duré une heure et demie, en déduire qu'il s'agissait d'incohérence entre les deux récits (...) » ( CE n/ 100.275, 25 octobre 2001); 2ième contradiction: - Que la décision attaquée fait grief à la requérante d’avoir déclaré devant l’Office des étrangers, que lors de son arrestation du 2 octobre 2002, son époux aurait été relâché le lendemain de son arrestation, alors qu'au Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides, elle aurait déclaré que son époux était resté détenu pendant 3 à 4jours; Que l'époux du requérant a été arrêté et détenu à plusieurs reprises, et à chaque fois, dans les mêmes circonstances; Que dans ces conditions, la requérante a pu légitimement confondre les durées de détention de son époux; Que par ailleurs, s'agissant d'un élément de détail, cette prétendue contradiction ne saurait remettre en cause la crédibilité du récit de la requérant; 3ième contradiction XIV-14.321-5/8 - Que la décision attaquée reproche à la requérante de ne pas avoir mentionné que son époux aurait été arrêté en 2000, alors que le fils de la requérante aurait déclaré devant les instances d'asile, qu'outre son arrestation du 2 octobre 2002, son père avait été arrêté en 2000 et serait à cette occasion resté détenu, aurait encore été arrêté en 1999, et maintenu en détention pendant une semaine, pendant une semaine, les autres arrestations datant de 1999; Que lors de son audition devant le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides, le fils de la requérante a bien précisé qu'en 2000, il effectuait son service militaire, et n'était dès lors pas présent lors des faits; Qu'il a également précisé, ce qui peut d'ailleurs être déchiffré dans son rapport d'audition, qu'il n'était, dans ces circonstances, pas certain de cette arrestation; Que cette absence sur les lieux explique cette imprécision, qui n'est pas une contradiction; Que dans cette mesure, il ne peut s'agir d'une contradiction sur ce point entre le récit de la requérante et celui de son fils;”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster zich in een enig middel beroept op de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het beginsel van behoorlijk bestuur dat stelt dat een administratieve beslissing moet gebaseerd zijn op de juiste motieven en van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing betwist en meent dat de tegenstrijdigheden waarop de bestreden beslissing is gesteund gemakkelijk te verklaren zijn; dat verzoekster meent dat de tegenstrijdigheden slechts details betreffen die niet van die aard zijn dat kan worden gesteld dat zij de geloofwaardigheid van haar relaas ondermijnen; dat bovendien het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onleesbaar is waardoor de rechten van verdediging met de voeten getreden wordt; dat verzoekster opmerkt dat het verhoorverslag in een proces-verbaal had dienen te worden opgemaakt om geloofwaardig en waarachtig te zijn; dat verzoekster er hierbij nog op wijst dat het verhoorverslag niet is ondertekend; 2.2.
- Overwegende dat uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing blijkt dat de tegenstrijdigheden stuk voor stuk de kern van verzoeksters relaas raken zodat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid kon twijfelen aan de geloofwaardigheid van verzoeksters verklaringen; dat, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, het verhoorverslag van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen duidelijk leesbaar is, zodat niet kan worden gesteld dat op dit vlak de rechten van verdediging geschaad worden; dat er dient te worden op gewezen dat, alhoewel het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in een proces-verbaal is opgemaakt en niet ondertekend, verzoekster moet aantonen dat haar verklaringen onjuist zijn weergegeven; dat tot bewijs van het tegendeel een vermoeden bestaat dat in het verhoorverslag werd opgenomen hetgeen verzoekster werkelijk heeft verklaard; dat verzoekster de tegenstrijdigheden stuk voor stuk probeert te weerleggen, echter op weinig overtuigende wijze; dat, betreffende het feit dat zij op de Dienst Vreemdelingenzaken de reden waarom haar zoon werd gezocht en hoe zij is te XIV-14.321-6/8 weten gekomen waarom haar zoon werd gezocht, onvermeld liet, verzoekster stelt dat het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen completer is; dat van een kandidaat-vluchteling redelijkerwijs mag verwacht worden dat hij alle belangrijke elementen en feiten vermeldt bij zijn asielaanvraag; dat het al dan niet completer karakter van het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hiervoor geen verklaring biedt; dat, betreffende de tegenstrijdigheid omtrent de duur van de detentie van verzoeksters echtgenoot, verzoekster stelt dat het een gewettigde vergissing betreft; dat van een kandidaat-vluchteling redelijkerwijze kan verwacht worden dat hij zijn asielrelaas op logische, coherente wijze kan vertellen; dat het argument dat verzoekster zich vergist heeft geen afdoende verklaring kan bieden voor de vastgestelde tegenstrijdigheid; dat, betreffende de tegenstrijdigheden met de verklaringen van haar zoon omtrent de arrestaties van haar echtgenoot, verzoekster stelt dat de tegenstrijdigheid te wijten is aan het feit dat haar zoon in die periode zijn militaire dienst vervulde; dat dit echter geen afdoende verklaring kan bieden voor een tegenstrijdigheid omtrent de kern van verzoeksters asielrelaas; dat omtrent dit punt van hun asielrelazen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen redelijkerwijze kon verwachten dat zij gelijkluidende verklaringen zouden afleggen; dat verzoekster niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen buiten alle redelijkheid tot de bedrieglijkheid van haar asielrelaas heeft geconcludeerd; dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is; dat niet is aangetoond waaruit de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. precies bestaat; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-14.321-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.321-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.