← België

Arrest 143589 - - 25/04/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.589 Rolnummer: A. 114305/XIV-7716 Zaak: Arrest 143589 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 11:30 Fiche Arrest nr 143.589 van 25 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.589 van 25 april 2005 in de zaak A. 114.305/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortijksesteenweg 551 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Slowaakse nationaliteit, op 11 december 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 november 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 28 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-7716-1/6 Gelet op de beschikking van 28 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  7. XXX en XXX, beide van Slowaakse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 30 januari 2000 en hebben zich op de volgende dag vluchteling verklaard. 1.
  8. Op 28 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  9. De beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 november 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juni 2000 en tot weigering van verblijf luiden als volgt: Wat verzoeker betreft: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. XIV-7716-2/6 U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 04 oktober 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. Wat verzoekster betreft: “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 04 oktober 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  10. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat de tweede verwerende partij opwerpt dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is bij gebrek aan een uiteenzetting van feiten die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen aantonen; dat er evenwel geen noodzaak bestaat hierover een uitspraak te doen aangezien het beroep, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dient te worden verworpen;
  11. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  12. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “
  13. Eerste middel: schending van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging. Dat verzoekers dd. 2 augustus 2000 bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een dringend beroep indienden tegen de beslissing van weigering van verblijf hen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken betekend. Dat verzoekers bij de behandeling van hun dringend beroep door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet mondeling werden gehoord. Dat door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen de hoorplicht en de rechten van verdediging van verzoekers geschonden worden, wanneer hij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf neemt ten aanzien van verzoekers zonder hen opnieuw uit te nodigen voor een verhoor waarin zij hun relaas en standpunt kunnen doen kennen. Dat nochtans de Raad van State van oordeel is dan tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat de bevestigende beslissing tot gevolg heeft dat verzoekers België dienen te verlaten. Dat niet kan ontkend worden dat door voormelde beslissing, gesteund op XIV-7716-3/6 verzoekers persoonlijke gedragingen en dito motieven, verzoekers belangen, meer zelfs verzoekers vrijheid en leven, zwaar bedreigd en/of aangetast worden. Dat ook VAN HEULE in "Vluchtelingen. Een overzicht van de wet van 6 mei 1953" meent dat gezien de bijzonderde persoonlijke aard van de (on)ontvankelijkheidsbeslissingen een mondeling interview door de Commissaris-generaal zich opdringt. Dat de Commissaris-generaal bij de behandeling van het dringend beroep moet nagaan of verzoekers naar hun land van herkomst kunnen worden teruggeleid. Dat enkel in een mondeling verhoor verzoekers uitgedrukte persoonlijke vrees kan worden geëvalueerd. Dat verzoekers derhalve bij de behandeling van hun dringend beroep door de Commissaris-generaal mondeling dienen opnieuw te worden geïnterviewd. Dat dit in casu niet het geval was, waardoor de hoorplicht geschonden werd. Dat verzoekers rechten van verdediging geschonden werden doordat zij niet opnieuw de kans kregen tijdens een mondeling verhoor op het Commissariaat-generaal hun relaas uiteen te zetten.”; 3.1.2.
  14. Overwegende dat verzoekers de schending van de hoorplicht en de rechten van verdediging aanvoeren aangezien zij door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet opnieuw werden uitgenodigd voor een verhoor waarin zij hun asielrelaas en standpunt kunnen doen kennen; 3.1.2.
  15. Overwegende dat het dringend beroep een administratieve procedure is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is de kandidaat-vluchteling opnieuw uit te nodigen wanneer er geen gevolg wordt gegeven aan een eerste uitnodiging; dat in casu uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen op 4 oktober 2001 werden opgeroepen voor een interview dat plaats had op 18 oktober 2001; dat verzoekers niet zijn verschenen en evenmin een reden van overmacht per aangetekend schrijven aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hebben opgegeven; dat de verzoekende partijen dit niet ontkennen; dat verzoekers in de gelegenheid werden gesteld hun asielrelaas en standpunt te doen kennen maar er, zonder verdere motivering, geen gebruik van hebben gemaakt; dat hun eigen geding de oorzaak is van hetgeen zij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijten; dat het eerste middel niet gegrond is 3.2.
  16. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “
  17. Tweede middel: schending van het artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verweerder in de bestreden beslissingen het artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze weigert de vluchtelingenstatus aan verzoekers toe te kennen. De definitie van de Vluchtelingenconventie van Genève luidt immers als volgt: «geldt als vluchteling: elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofd van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.» XIV-7716-4/6 Dat verweerder heeft nagelaten de feiten zelf waarop verzoekers hun vrees voor vervolging en hun vlucht uit Slovakije baseren, te toetsen aan de Vluchtelingenconventie. Dat verzoekers wegens hun Roma-origine tal van problemen in Slovakije kenden. Dat verzoekers in hun land worden gediscrimineerd, beledigd en mishandeld door de Slovaakse bevolking en skinheads. Dat de Slovaakse autoriteiten de verantwoordelijke daders niet vervolgen. Dat de Slovaakse autoriteiten zelf verantwoordelijk zijn voor een institutioneel discriminatoir beleid ten aanzien van de Roma. Dat de Slovaakse politie de zigeuners niet beschermt doch zelf gewelddadig optreedt tegen de Roma. Dat uit het rapport aangaande de mensenrechten in Slovakije van het US Department of State, Bureau of democracy, Human Rights and Labor, "Country Reports on Human Rights Practices for 2000, Slovak Republic", februari 2001 duidelijk blijkt de Roma-bevolking in Slovakije, bedreigd, gediscrimineerd (anno 2000 zijn zij nog steeds het slachtoffer van discriminatie op vlak van tewerkstelling, behuizing, school, gezondheidszorg, toegang tot hotels, restaurant, zwembaden en de staatsadministratie) en mishandeld wordt (zelfs door de Slovaakse politie zelf) en dat de Slovaakse (hogere) autoriteiten weigeren de Roma bescherming te bieden tegen en tolereren zelfs het skinheadgeweld ten aan zien van de zigeuners (cf. http://www.state.gov/g/drl/rls/hrrpt/2000/eur/index.cfm?docid=868, "national/racial/ethnic minorities"). Dat het mensenrechtenorgaan van de Verenigde Naties, het Committee on the Elimination of Racial Discrimination, in haar eindbesluiten van haar 57ste zitting dd. 14.08.2000 Slovakije berispte voor haar discriminatoir woon-, school-, werkgelegenheids- en gezondheidsbeleid ten aanzien van de Roma en voor de straffeloosheid van racistische organisaties die Roma mishandelen (http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf). Dat uit voorgaande duidelijk blijkt dat verzoekers, Roma, door hun origine in hun land vervolgd worden, zonder dat zij de bescherming kunnen inroepen van de Slovaakse (hogere) autoriteiten. Dat verweerder in de bestreden beslissingen het artikel 1, par. A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze weigert de vluchtelingenstatus aan verzoekers toe te kennen.”; 3.2.2.
  18. Overwegende dat verzoekers de schending inroepen van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidverplichting; dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten de feiten zelf te toetsen aan de Vluchtelingenconventie; dat verzoekers verwijzen naar verschillende mensenrechtenrapporten waaruit blijkt dat zij door hun origine in hun land van herkomst worden vervolgd, zonder dat zij de bescherming kunnen inroepen van de Slowaakse autoriteiten; 3.2.2.
  19. Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich bij het nemen van zijn beslissing gebaseerd heeft op elementen aanwezig in het administratief dossier; dat de elementen waarop de beslissing steunt worden uiteengezet in de bestreden beslissingen, met name omdat zij geen gevolg hebben gegeven aan de oproeping om te worden gehoord; dat verzoekers zich op een aantal mensenrechtenrapporten beroepen, om aan te tonen dat hun vrees voor vervolging wegens hun origine gegrond is; dat elke asielaanvraag echter individueel wordt benaderd op basis van de gegevens die aanwezig zijn in het dossier; dat, aangezien zij, zonder reden, geen gevolg hebben gegeven aan de XIV-7716-5/6 oproeping, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij het verwerpen van hun asielaanvraag; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  20. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-7716-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.589 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.