id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.595 Rolnummer: A. 70078/IX-1221 Zaak: Arrest 143595 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-09 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-02 12:30 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 143.595 van 25 april 2005 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.595 van 25 april 2005 in de zaak A. 70.078/IX-1221. In zake : Tony VERELST, wonende te HEIST-OP-DEN-BERG, Peremansheidestraat 30 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tony VERELST op 26 juli 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het besluit van het College van secretarissen-generaal dd. 22 mei 1996 houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’ inzake de functioneringsevaluatie”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 23 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1221-1/8 Gelet op de beschikking van 24 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 28 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat F. TIREZ, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is directeur bij het departement Algemene Zaken en Financiën, administratie Ambtenarenzaken, afdeling Sociale Dienst. 1.2. Op respectievelijk 8 en 12 maart 1996 wordt door twee evaluatoren aan verzoeker de evaluatie “onvoldoende” toegekend. 1.3. Na beroep van verzoeker, brengt de raad van beroep op 17 april 1996 met staking van stemmen een verdeeld advies uit. Verzoeker wordt bij aangetekende brief van 25 april 1996 van dit advies in kennis gesteld. 1.4. Blijkens de notulen van de vergadering van het college van secretarissen-generaal van 2 mei 1996 heeft het college die dag bij geheime stemming IX-1221-2/8 eenparig beslist om aan verzoeker definitief de vermelding “onvoldoende” toe te kennen. 1.5. Bij besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding “onvoldoende” van 22 mei 1996 wordt tegen verzoeker de vermelding “onvoldoende” definitief uitgesproken. 1.6. Twee afschriften van dat “besluit” worden op 23 mei 1996 aan verzoeker toegezonden. 2. Over het juiste voorwerp van de vordering. 2.1. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift het “besluit” bestrijdt van 22 mei 1996 waarvan hem twee afschriften zijn toegezonden; 2.2. Overwegende dat luidens artikel VIII 29, § 4, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, het college van secretarissen-generaal bevoegd is “voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding ‘onvoldoende’”, nadat de raad van beroep binnen de in VIII 29, § 3, gestelde termijn een advies heeft uitgebracht; dat bijgevolg onomstotelijk vaststaat dat geen andere overheid bevoegd is om na het bedoelde advies nog een beslissing te nemen; dat luidens VIII 29, § 4, laatste lid, het college van secretarissen-generaal dient te beslissen “binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies; zo niet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is”; 2.3. Overwegende dat de brief aan verzoeker van 23 mei 1996 die de beide afschriften bevatte als volgt luidt : “Hierbij deel ik U mee dat het College van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 heeft besloten om tegen U de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken. IX-1221-3/8 Als bijlage vindt u twee voor eensluidend verklaarde afschriften van het betreffende besluit van het College van secretarissen-generaal. Ik verzoek u het exemplaar met de vermelding ‘afschrift ontvangen’ zo spoedig mogelijk terug te sturen. Verder meld ik U dat u over de mogelijkheid beschikt om beroep in te stellen bij de Raad van State. De termijn waarbinnen het beroep - bij aangetekend schrijven - dient ingesteld te worden, is vastgesteld op zestig dagen na ontvangst van deze kennisgeving.”. 2.4. Overwegende dat de notulen van het college van secretarissen- generaal van zijn vergadering van 2 mei 1996 met betrekking tot verzoeker het volgende vermelden : “Het college van secretarissen-generaal neemt kennis van het volledige evaluatiedossier van Tony VERELST, directeur bij de Sociale Dienst van het departement Algemene Zaken en Financiën, en inzonderheid van : - de dienststaat van betrokkene - de functiebeschrijving - het beschrijvende evaluatieverslag, met bijlagen ; - het beroepschrift dd. 27.03.96, waarbij Tony VERELST beroep aantekent tegen de vermelding ‘onvoldoende’ ; - de nota van Leo VICTOR, waarbij de naam en de graad worden meegedeeld van de ambtenaar die werd aangewezen om het standpunt van de overheid voor de Tweede Kamer van de Raad van Beroep te verdedigen ; - de aangetekende brief dd. 12.04.96, waarbij Tony VERELST gebruik maakt van zijn wrakingsrecht ; - het gemotiveerd advies dd. 17.04.96 van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De voorzitter opent de bespreking en overloopt het voorliggende dossier in al zijn onderdelen. Hij stelt vast dat de Tweede Kamer van de Raad van Beroep op 17.04.96 met staking van stemmen een verdeeld advies uitbrengt. Leo VICTOR neemt als tweede evaluator, conform art. VIII 29 van het V.P.S., niet deel aan de beraadslaging en verlaat de zaal. Een lid van het college stelt vast dat er, op basis van het onderzoek van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, geen vormgebreken kunnen worden ingeroepen. Zo merkt dit lid op dat het feit dat de voorzitter en de onder- voorzitter van de vzw Sociale Dienst later hun functiebeschrijving hebben bekomen dan de verzoeker ter zake niet relevant is, nu dit geen invloed heeft gehad op de evaluatie van betrokkene. Een lid haakt hierop in en vermeldt het feit dat Tony VERELST geen afdelingshoofd is en toch 17 personeelsleden heeft moeten evalueren. Dit lid haalt in dit verband de stelling van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep aan, die stelt dat dit geen vormgebrek is, vermits deze taak uitdrukkelijk in zijn functiebeschrijving werd omschreven. Bovendien is het de evaluator toegelaten inlichtingen in te winnen bij de diverse beheersorganen van de Sociale Dienst om IX-1221-4/8 zijn evaluatie op te baseren en zijn deze laatsten geenszins als evaluator opgetreden. Een lid gaat vervolgens in op enkele elementen uit het beschrijvende evaluatieverslag en stelt dat Tony VERELST tekortschiet in de 5 voornaamste van de 7 resultaatgebieden en slechts matig presteert in de overige. Bovendien zijn er ernstige tekortkomingen in de persoonlijke competenties ‘leiding geven’, ‘organisatievermogen’ en ‘resultaatgerichtheid’. Een lid wijst erop dat de eerste evaluator opmerkt dat Tony VERELST inspanningen heeft geleverd en stelt dat ‘hij van zeer ver terugkomt’. Een lid meent dat dit meegenomen is naar de toekomst toe, maar dat dit element niet opweegt tegen het feit dat een aantal duidelijke tekortkomingen worden vastgesteld op het vlak van diverse resultaatgebieden en functioneringscriteria. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan. Een lid merkt op dat het beschrijvende evaluatieverslag goed gestoffeerd en onderbouwd is en dat het mee steunt op gesprekken met de leden van de Raad van Bestuur van de Sociale Dienst en op nota*s die geviseerd zijn door betrokkene of waarop hij schriftelijk gereageerd heeft. Een lid stelt vervolgens vast dat Tony VERELST de onmogelijke werkbaar- heid van de structuur van de Sociale Dienst als verzachtende omstandigheid inroept. Ook de Tweede Kamer van de Raad van Beroep haalt in zijn advies dit element aan en wijst erop dat het onvoldoende handelen van betrokkene ten dele te wijten is aan het gebrek aan eenheid van leiding eigen aan de specifieke structuur van de vzw Sociale Dienst. Een lid merkt in dit verband evenwel op dat Tony VERELST zich heeft akkoord verklaard met zijn functiebeschrijving, waarin de beschrijving van de structuur van de Sociale Dienst uitdrukkelijk vermeld is in de verschillende resultaatgebieden. Het gaat volgens dit lid dan ook niet op dat de bijzondere verhouding directeur - Raad van Bestuur wordt ingeroepen als element tegen een vermelding ‘onvoldoende’. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan. Verscheidene leden merken verder op dat het bezwaarschrift geen weer- legging biedt van de elementen opgenomen in het evaluatieverslag. Een lid merkt op dat Tony VERELST het evaluatieverslag ter kennisneming heeft ondertekend, zonder gebruik te maken van zijn recht om opmerkingen te formuleren op dit evaluatieverslag, waardoor hij aangeeft zich akkoord te verklaren met de elementen uit het evaluatieverslag. Een lid is van mening dat Tony VERELST, mits begeleiding, tot betere prestaties in staat is en een nieuwe kans moet krijgen, doch dat aan betrokkene nu naar de toekomst toe toch een duidelijk signaal moet gegeven worden dat hij niet kan doorgaan op de tot hiertoe vertoonde wijze. Na verdere bespreking en beraadslaging en na afweging van de functie- beschrijving, het evaluatieverslag, het bezwaarschrift en het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep, legt de voorzitter volgend voorstel aan de leden van het college voor : Gelet op de evaluatie ‘onvoldoende’, uitgesproken door Roger VAN DEN TROOST en Leo VICTOR, respectievelijk eerste en tweede evaluator van Tony VERELST; IX-1221-5/8 Gelet op het verdeelde advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep van 17.04.96 ; Gelet op het voorliggend dossier en de argumenten aangedragen bij de bespreking in het college van secretarissen-generaal Stelt de voorzitter voor dat het college de vermelding ‘onvoldoende’ jegens Tony VERELST definitief uitspreekt.’ De voorzitter nodigt de leden van het college uit tot een geheime stemming over dit voorstel, aan de hand van de daartoe rondgedeelde stemformulieren. Na ophaling van de stembrieven wordt de stembus geledigd en geeft de secretaris, onder toezicht van de voorzitter, lezing van het resultaat van de geheime stemming : - 6 stemmen voor het voorstel. Het voorstel van de voorzitter is derhalve met eenparigheid aanvaard. De voorzitter wordt belast met de betekening van deze beslissing aan de betrokkene.”; 2.5. Overwegende dat uit de notulen van die vergadering blijkt dat het college van secretarissen-generaal op 2 mei 1996 beslist heeft om, op voorstel van zijn voorzitter, jegens verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende “ uit te spreken en dat de voorzitter belast is met de “betekening van deze beslissing aan de betrokkene”; dat ook de brief van 23 mei 1996 gewag maakt van het besluit (“besloten”) van “het college van secretarissen-generaal in zijn zitting van 2 mei 1996 (...) om tegen (verzoeker) de vermelding ‘onvoldoende’ definitief uit te spreken”; dat niet ingezien wordt dat diezelfde beslissing dan nog op een definitieve wijze nog later kon worden genomen door datzelfde college; dat trouwens nergens blijkt dat het college van secretarissen-generaal nogmaals vergaderd zou hebben op 22 mei 1996 om over de toestand van verzoeker opnieuw een definitieve beslissing te nemen; dat wat aan verzoeker is betekend geworden met de brief van 23 mei 1996 en benoemd is als een “besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding onvoldoende” weliswaar foutief als een “besluit” wordt bestempeld dat genomen zou zijn op 22 mei 1996, doch in feite de loutere kennisgeving moest zijn van een beslissing die reeds voordien door de daartoe bevoegde overheid was genomen; dat die kennisgeving, zoals uit de notulen blijkt, inhoudelijk de bespreking weergeeft die onmiddellijk aan de geheime stemming van 2 mei 1996 voorafgaat; dat indien die kennisgeving niet als zodanig is genoemd, zij evenwel niet mag beschouwd worden als het besluit tot toekenning van de evaluatie IX-1221-6/8 “onvoldoende” aangezien de voorzitter van het college van secretarissen-generaal daartoe niet de bevoegdheid had en daartoe ook geen opdracht had gekregen, zelfs niet om “namens het college van secretarissen-generaal” op te treden; dat het “besluit” van 22 mei 1996 dan ook slechts als een loutere formalisering van de reeds eerder genomen beslissing kan worden aanzien; dat derhalve wat verzoeker bestrijdt de beslissing is die werd genomen op 2 mei 1996 en dat niet betwist wordt dat die beslissing is genomen binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; dat aangezien verzoeker met een brief van 23 mei 1996 in kennis is gesteld van die beslissing en deze eveneens vastgesteld wordt dat de overheid hiermee niet onredelijk lang heeft gewacht; 2.6. Overwegende dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. IX-1221-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1221-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.595 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.