id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.597 Rolnummer: A. 86626/IX-2020 Zaak: Arrest 143597 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 11:32 Fiche Arrest nr 143.597 van 25 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.597 van 25 april 2005 in de zaak A. 86.626/IX-
- In zake : Roland TYTECA, wonende te KOKSIJDE-OOSTDUINKERKE, Leopold II-laan 73 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van KOKSIJDE, dat woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roland TYTECA op 8 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 7 juli 1999 waarbij niet werd ingewilligd het hoger beroep dat verzoeker had ingesteld tegen het besluit van 4 maart 1999 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen houdende goedkeuring van het besluit genomen op 23 december1998 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Koksijde, waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van drie maanden schorsing werd opgelegd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 mei 2003; Gelet op de beschikking van 18 juni 2003 die de tussenkomst van het OCMW van Koksijde toelaat; IX-2020-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 april 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat P. MEIRSMAN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. RYCKALTS, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is vast benoemd maatschappelijk werker bij het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn - hierna : OCMW- van Koksijde. IX-2020-2/12 1.
- Met een verslag van 7 september 1998 stelt de secretaris van het OCMW de raad voor maatschappelijk welzijn ervan in kennis dat verzoeker rechtstreeks betrokken is bij “de zaak Sandra PRIMO” en “de zaak Marie-Anne VERBRUGGHE”. De eerstgenoemde zaak betreft het overlijden van een steuntrekkende cliënte van het OCMW. Een gerechtelijk onderzoek is aan de gang. Verzoeker werd aanvankelijk onder aanhoudingsmandaat geplaatst. De laatstgenoemde zaak betreft een vordering van een andere steuntrekkende cliënte van het OCMW met wie verzoeker heeft samengewoond, tot het nakomen van een verbintenis welke verzoeker jegens haar heeft aangegaan. 1.
- Op 8 september 1998 stelt de secretaris van het OCMW een verslag op waarmee hij de raad voor maatschappelijk welzijn kennis geeft van nadere informatie over “de zaak Marie-Anne VERBRUGGHE”: verzoeker heeft het dossier van voornoemde bij het OCMW behandeld zonder dat hij ooit heeft laten weten dat hij met haar samenwoonde; verzoeker heeft de belofte niet nagekomen die hij ten aanzien van voornoemde had gedaan om een lening aan te gaan teneinde haar te vergoeden voor een verleend credit van 180.000 BEF; “uit betrouwbare bron” werd vernomen dat verzoeker voornoemde heeft bedreigd en zelfs geslagen. 1.
- Nadat een aantal onderzoeksmaatregelen werden uitgevoerd en besloten was een tuchtprocedure op te starten, wordt verzoeker met een aangetekende brief van 2 december 1998 opgeroepen om op 14 december 1998 door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. 1.
- Nadat verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, op de voormelde datum door de raad voor maatschappelijk welzijn is gehoord, besluit de raad voor maatschappelijk welzijn op 23 december 1998 om verzoeker bij tuchtmaatregel gedurende drie maanden, met ingang van 4 januari 1999, te schorsen. De motivering van dat besluit omvat tien bladzijden. Het vermeldt dat verzoeker “tot nader order en onder alle voorbehoud” niet langer wordt vervolgd voor de feiten in verband met IX-2020-3/12 Sandra PRIMO, dat deze uit de debatten worden geweerd en dat verzoeker en zijn raadsman daarvan akte hebben genomen. Wat de zaak Marie-Anne VERBRUGGHE betreft neemt de raad aan dat de feiten bewezen zijn , als volgt : “Overwegende dat de raad vervolgens vaststelt dat bovengenoemde concrete feiten, omwille van de bijzondere functie die de heer Tyteca als ‘dossierbeheerder’ van de dossiers van mevrouw Verbrugghe innam; omwille van de mate waarin de heer Tyteca deze bijzondere functie heeft aangewend om mevrouw Verbrugghe bijdragen van het OCMW te doen toekomen, terwijl hij wist of diende te weten dat mevrouw Verbrugghe bijvoorbeeld over een aanzienlijke spaarrekening beschikte; omwille de mate waarin de heer Tyteca contact had met mevrouw Verbrugghe, omwille van de’ tijdstippen waarop de feiten zich hebben afgespeeld evenals hun samenloop; omwille van de nauwe band die de gepleegde feiten met het uitgeoefende ambt vertonen; uiteindelijk omwille van de ruchtbaarheid waarmee deze feiten gepaard gingen, van oordeel is dat deze feiten de waardigheid van het ambt, zelfs ernstig, in het gedrang brengen; Overwegende dat de verdediging terzake volkomen faalt wanneer wordt aangevoerd dat het geschil met mevrouw Verbrugghe een louter burgerlijk geschil is waar de raad geen uitstaans mee heeft; Dat immers ook het privé-gedrag van de heer Tyteca door de overheid mag getoetst aan de minimale normen van behoorlijkheid die een ambtenaar in verband met zijn privé-leven, in onderlinge verhouding tot zijn ambt, dient te eerbiedigen; Overwegende dat, overeenkomstig het administratief statuut van het OCMW- personeel, Titel 3, rechten en plichten, art. 7, ondermeer ‘elk personeelslid ertoe gehouden is alle gegevens te verstrekken nopens zijn burgerlijke stand, de samenstelling van zijn gezin en alle wijzigingen die zich daaromtrent voordoen’; Dat art. 11 van ditzelfde statuut stipuleert dat ‘het elk personeelslid verboden is, zelfs buiten zijn ambt, doch ter oorzaak ervan, rechtstreeks of bij tussenpersoon, giften, beloningen of welke danige voordelen uit te lokken, te bedingen, te eisen of te aanvaarden. Het is elk personeelslid verboden, naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt daden te stellen die hetzij hemzelf, hetzij zijn echtgenoot, zijn kinderen of derden zouden bevoordelen’; Overwegende dat bovengenoemde concrete feiten en omstandigheden naar alle redelijkheid dienen te worden beschouwd als feiten die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, derhalve ondermeer een overtreding uitmaken van de artikelen 7 en 11 van het administratief statuut en van art. 49, § 1, van de organieke OCMW-wet, zoals eveneens bedoeld door art. 282, 1/ en 2/ van de Nieuwe Gemeentewet;”. Voorts wordt nog een minder belangrijk feit in aanmerking genomen en wordt verzoeker gehekeld over zijn weigering om aan het tuchtonderzoek mee te werken. IX-2020-4/12 1.
- Verzoeker dient tegen het tuchtbesluit een bezwaar in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, die op 4 maart 1999 niettemin het tuchtbesluit goedkeurt. 1.
- Met een aangetekende brief van 16 maart 1999 stelt verzoeker bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hoger beroep in tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie en “tegelijk [...] voor zoveel als nodig” tegen het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn. 1.
- Op 28 juni 1999 worden verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, alsook een vertegenwoordiger van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen en de raadsman van het OCMW van Koksijde door een gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap gehoord. Verzoeker dient een conclusie in. Een proces-verbaal van het verhoor wordt opgesteld. 1.
- Op 7 juli 1999 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Maatschappelijk Welzijn het beroep van verzoeker niet in te willigen. Deze beslissing steunt op de volgende motieven : “Overwegende dat de tuchtstraf van drie maanden schorsing aan betrokkene werd opgelegd omdat hij de waardigheid van het ambt heeft in het gedrang gebracht door : - zijn relatie met mevrouw Verbrugghe Marie-Ann, cliënte van het OCMW te Koksijde, voor wie hij optrad als dossierbeheerder en waarbij hij zijn bijzondere functie heeft aangewend om aan mevrouw Verbrugghe bijdragen van het OCMW te doen toekomen, terwijl hij wist of diende te weten dat mevrouw Verbrugghe over een aanzienlijke spaarrekening beschikte en met vermelde OCMW-cliënte gedurende twee en een half maand te hebben samengewoond zonder dit te hebben gemeld aan het OCMW van Koksijde in strijd met het administratief statuut van het OCMW-personeel, m.n. artikel 7 uit titel 3, rechten en plichten dat luidt als volgt : ‘elk personeelslid (is) ertoe gehouden ... alle gegevens te verstrekken nopens zijn burgerlijke stand, de samenstelling van zijn gezin en alle wijzigingen die zich daaromtrent voordoen’; IX-2020-5/12 - een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 11 van vermeld statuut dat stipuleert dat ‘het elk personeelslid verboden is, zelfs buiten zijn ambt, doch ter oorzaak ervan, rechtstreeks of bij tussenpersoon, giften, beloningen of welke danige voordelen uit te lokken, te bedingen, te eisen of te aanvaarden. Het is elk personeelslid verboden, naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt daden te stellen die hetzij hemzelf, hetzij zijn echtgenoot, zijn kinderen of derden zouden bevoordelen’; - na foutief te hebben geparkeerd bij het bezoek van een politieagent zich te hebben kwaad gemaakt, geweigerd te hebben om mee te werken en zijn identiteitskaart te tonen en vervolgens de agent aan de deur te hebben gezet en aldus een inbreuk te hebben gemaakt op artikel 10 van het administratief statuut dat voorschrijft dat : ‘de personeelsleden gehouden zijn tot beleefdheid, zowel in de dienstbetrekkingen met meerderen, collega’s of ondergeschikten, als in hun omgang met het publiek. Zij moeten elkander helpen in de mate waarin het dienstbelang zulks vereist. Zij moeten, zowel in dienst als in hun particulier leven, alles vermijden wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van het ambt’; Overwegende dat verzoeker in zijn beroepsschrift van 16 maart 1999 opwerpt dat hij reeds 21 jaar in dienst is van het OCMW van Koksijde als maatschappelijk werker; dat hij in diverse zaken steeds zijn uiterste best heeft gedaan om het OCMW zo goed mogelijk te dienen; Overwegende dat hij in vermeld beroepsschrift de tenlasteleggingen voor het grootste deel betwist : - betreffende de zaak Sandra Primo heeft de voorzitter van de OCMW-raad weliswaar aangekondigd dat de zaak ‘niet langer werd weerhouden’, maar hij heeft er alle kwade gevolgen van ondergaan : hij werd beschuldigd in een zeer zware strafzaak, dit werd verspreid binnen het OCMW en er is op datum van 14 december 1998 gebleken dat een andere persoon de feiten had gepleegd, verzoeker is dan ook van oordeel dat er geen absoluut gebrek aan voorzichtigheid, zorgvuldigheid en gematigdheid is gebleken in hoofde van de hiërarchische overheid; - wat betreft de zaak Verbrugghe Marie-Ann gaat volgens verzoeker alles terug op een louter persoonlijke aangelegenheid, waaromtrent de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan en waarna een regeling werd getroffen tussen Mevr. Verbrugghe en verzoeker; - wat betreft de weigering tot medewerking aan het tuchtonderzoek, wordt gesteld dat verzoeker zich daaraan niet schuldig heeft gemaakt, zich steeds in verbinding heeft gesteld met de betrokken diensten en van bij het begin van deze zaak ziek was; - wat betreft de inbreuk op artikel 10 van het administratief statuut stelt verzoeker dat hij zich nog nauwelijks kon herinneren waarover het eigenlijk ging (de zaak was meer dan een jaar oud) en dat hij alle voorbehoud maakt over de interpretatie, nu de vader van de politiecommissaris die in deze zaak was betrokken, deel uitmaakt van de OCMW-raad die hem heeft gesanctioneerd; IX-2020-6/12 Overwegende dat verzoeker tijdens de hoorzitting voor de toezichthoudende overheid daarnaast volgende middelen ter verdediging inroept : - dat de zaak Sandra Primo, waarbij verzoeker werd in verdenking gesteld van het plegen van een moord , één van de initiële redenen was, samen met de zaak Verbrugghe, waarom een tuchtprocedure gestart is, terwijl de zaak nu door de voorzitter van de OCMW-raad niet langer wordt weerhouden; - dat in de zaak Marie-Anne Verbrugghe moet worden onderstreept dat zijn collega, de heer Deheegher, verantwoordelijk is voor hulpaanvragen in de deelgemeente Oostduinkerke , zodat er geen sprake kan zijn geweest van eventuele inmenging door verzoeker; - dat in dezelfde zaak de verklaringen inzake het uiten van ernstige bedreigingen tegen Mevr. Verbrugghe en het bestaan van een spaarboek van 200.000 BEF op naam van Mevr. Verbrugghe ten zeerste worden betwist; - dat de tuchtstraf van drie maanden schorsing kennelijk onredelijk is. Overwegende dat de zaak Sandra Primo, waarbij verzoeker in verdenking werd gesteld van het plegen van een moord, in de tuchtprocedure niet langer werd weerhouden door de tuchtoverheid; dat verzoeker toch van oordeel is dat de tuchtoverheid in deze zaak onvoorzichtig, onzorgvuldig en te snel heeft gehandeld; dat toch moet worden vastgesteld dat de beschuldiging dusdanig ernstig was; dat een preventieve schorsing in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek zich opdrong; dat deze preventieve schorsing in het belang van de dienst een ordemaatregel is en als dusdanig geen schuldig gedrag veronderstelt; dat aan betrokkene alle inhoudingen van wedde naar aanleiding van de preventieve schorsing zullen worden terugbetaald; dat, indien in deze zaak een te snel en onzorgvuldig optreden wordt vastgesteld, dat uitsluitend dient gezocht bij de gerechtelijke overheid en niet bij de tuchtoverheid; Overwegende dat in de zaak Verbrugghe Marie-Anne de tuchtoverheid in zijn tuchtbesluit van 23 december 1998 duidelijk heeft aangetoond dat verzoeker regelmatig optrad als dossierbeheerder van Mevr. Marie-Anne Verbrugghe; dat betrokkenen elkaar dus wel degelijk kenden; dat uit het dictum van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, vonnis dat door verzoeker niet wordt bestreden, duidelijk blijkt dat betrokkenen twee en een halve maand hebben samengewoond; dat verzoeker, in strijd met het administratief statuut, heeft nagelaten dit te melden; dat, zoals door de tuchtoverheid duidelijk wordt aangetoond in het tuchtbesluit van 23 december 1998, kan worden vastgesteld dat verzoeker als maatschappelijk werker van het OCMW tijdens zijn privé-leven bepaalde verplichtingen heeft die hij klaarblijkelijk niet nakomt, waardoor hij de waardigheid van zijn ambt in het gedrang brengt; Overwegende dat het niet meewerken aan de tuchtprocedure en zijn inbreuk op artikel 10 op het administratief statuut, twee tuchtfeiten die zoals blijkt uit het tuchtbesluit van 23 december 1998 als bewezen kunnen worden beschouwd, in deze zaak niet van doorslaggevende aard zijn maar in casu wel illustratief zijn voor de houding van betrokkene tegenover zijn werkgever en ten opzichte van derden; Overwegende dat voor de overige door betrokkene ingeroepen middelen of elementen wordt verwezen naar het uitvoerig gemotiveerd besluit van de raad IX-2020-7/12 voor maatschappelijk welzijn dd. 23 december 1998; dat de toezichthoudende overheid zich aansluit bij de overwegingen zoals zij daar werden geformuleerd; Overwegende dat de tuchtstraf van schorsing voor drie maanden, gezien de feiten, niet kennelijk onredelijk is; Overwegende dat, om de hierboven vermelde redenen, het beroep van de betrokkene niet kan worden ingewilligd;”. Het is dit besluit dat het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij twee ontvankelijkheidsexcepties opwerpt; dat zij vooreerst laat gelden dat verzoeker de verkeerde beslissing bestrijdt, doordat hij enkel de nietigverklaring vraagt van het ministerieel besluit waarbij zijn beroep tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie niet wordt ingewilligd, doch niet van het eigenlijke tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn; dat zij betoogt dat het enige door verzoeker aangevoerde middel ook niet kan worden betrokken op het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn en dat hetgeen verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog aanvoert met betrekking tot het optreden van het OCMW en de motivering van het tuchtbesluit, volgens haar niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, het verzoekschrift tot nietigverklaring een uiteenzetting van de feiten en van de middelen moet bevatten en de termijn van zestig dagen waarbinnen een annulatieberoep kan worden ingesteld ruimschoots verstreken is; dat zij in een tweede exceptie stelt dat verzoeker de verkeerde tegenpartij aanwijst. Hij vraagt de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Maatschappelijk Welzijn waarbij zijn beroep tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie niet wordt ingewilligd, maar duidt in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring het OCMW van Koksijde aan als verwerende partij; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker inderdaad alleen de nietigverklaring vraagt van het besluit van 7 juli 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en IX-2020-8/12 Maatschappelijk Welzijn waarbij verzoekers beroep tegen het besluit van 4 maart 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende de goedkeuring van het tuchtbesluit van 23 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Koksijde, niet wordt ingewilligd; dat -zoals hierna zal worden uiteengezet- er geen reden is om het enige door verzoeker aangevoerde middel te betrekken op het voornoemde tuchtbesluit, zodat het voorwerp van het beroep niet tot dat tuchtbesluit kan worden uitgebreid; dat daaruit echter niet volgt dat het onderhavige beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is; dat, immers, ook de nietigverklaring van het besluit van de minister alleen verzoeker tot voordeel kan strekken, aangezien het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn daardoor definitief zijn uitvoerbare kracht verliest en de minister alsdan een nieuw besluit zal dienen te nemen met betrekking tot het al dan niet inwilligen van verzoekers beroep of, met andere woorden, het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn al dan niet zal goedkeuren; 2.2.
- Overwegende dat ook de omstandigheid dat verzoeker de verkeerde overheid als tegenpartij heeft aangewezen, geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot nietigverklaring; dat het lid van het auditoraat dat met het toezicht op de afwikkeling van de voorafgaande maatregelen is belast, de aanwijzing van de verwerende partij door de verzoekende partij kan verbeteren; dat zulks inherent is aan het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State; dat te dezen de auditeur-verslaggever de Vlaamse Gemeenschap in de plaats van het OCMW van Koksijde als verwerende partij in de onderhavige zaak heeft aangewezen; dat aangezien echter de belangen van het OCMW van Koksijde onmiskenbaar betrokken zijn bij de onderhavige zaak -een nietigverklaring van het besluit van de minister zou immers, zoals gezegd, tot gevolg hebben dat de minister opnieuw dient te oordelen over het al dan niet goedkeuren van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn- het als tussenkomende partij in deze zaak kan optreden; 3.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de IX-2020-9/12 uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij dat middel als volgt adstrueert : “De wet van 29 juli 1991 schrijft voor ‘dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen,. deze motivering moet bestaan uit juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen, draagkrachtig en deugdelijk. Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, ongeldige en niet plausibele motivering, stereotiep, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende. ‘ (D. Van Heule, Vluchtelingen: Overzicht van de wet van 6 mei 1993, Gent, Mys&Breesch, 1993,78 en D. Van Heule, De motiveringsplicht en de vreemdelingenwet, T.V.R. 1993/2, 67-71) Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur dan ook volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Zo nodig dienen betrokkenen gehoord te worden; desnoods wordt om de bijstand van deskundigen verzocht. De vaststelling van de feiten moet derhalve juist en volledig zijn. (A. Van Mensel, Beginsel van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1990, 47p.) De motivering van de bestreden beslissing is zeer vaag en bevat niet de elementen die haar staven. Zij beperkt zich tot het bespreken van de feiten.”; 3.2.
- Overwegende dat zoals uit het bovenstaande blijkt, het eigenlijke middel zoals het wordt aangevoerd in het verzoekschrift beperkt is tot de affirmatie dat de motivering van de bestreden beslissing zeer vaag is, niet de elementen bevat die haar staven en zich beperkt tot het bespreken van de feiten; dat het betrokken moet worden op het besluit van 7 juli 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Maatschappelijk Welzijn waarbij verzoekers beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 4 maart 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen niet wordt ingewilligd, aangezien verzoeker enkel dat besluit uitdrukkelijk als voorwerp van zijn beroep aanwijst; dat dit besluit afdoende formeel gemotiveerd is, aangezien het de procedurele voorgaanden vermeldt, de bezwaren samenvat die verzoeker in zijn beroepschrift van 16 maart 1999 en tijdens het verhoor op 28 juni 1999 door de gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft geformuleerd, die bezwaren weerlegt, deels zelf, deels door verwijzing naar de motivering van het tuchtbesluit van IX-2020-10/12 23 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn, welke door verzoeker gekend was; dat het besluit tot de evenredigheid van de opgelegde tuchtmaatregel; dat hierbij moet worden benadrukt dat de minister bij het nemen van dat besluit enkel een goedkeuringsbevoegdheid in tweede aanleg heeft uitgeoefend en hij derhalve niet in de plaats van de tuchtoverheid over de feiten en de strafmaat diende te oordelen; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de schending van de formele motiveringsplicht ook betrekt op het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, bovendien de rechtens vereiste feitelijke grondslag van het tuchtbesluit in vraag stelt en voorts appelleert aan een schending van het evenredigheidsbeginsel en van de hoorplicht, en hij in zijn laatste memorie het bestaan van een aantal feiten waarvan hij aanneemt dat de raad voor maatschappelijk welzijn ze in aanmerking heeft genomen, betwist; dat dit echter nieuwe middelen zijn, die hij in de betrokken stadia van de rechtspleging niet meer ontvankelijk kon aanvoeren; 3.2.
- Overwegende dat voor zover zou kunnen worden aangenomen dat het middel van meet af aan ook gericht was tegen het tuchtbesluit van 23 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn, verzoeker niet preciseert waarin de schending van de motiveringsplicht bestaat; dat daarentegen kan worden vastgesteld dat het tuchtbesluit van 23 december 1998 afdoende formeel gemotiveerd is : de procedurele voorgaanden worden uiteengezet; met betrekking tot “de zaak Sandra PRIMO” wordt overwogen dat verzoeker daarvoor -zij het “tot nader order en onder alle voorbehoud”- niet langer tuchtrechtelijk wordt vervolgd; voorts wordt met betrekking tot elk van de ten laste gelegde feiten uiteengezet waarom ze bewezen worden geacht en verzoekers verweer faalt; er wordt, ten slotte, verantwoord waarom een zware tuchtstraf wordt opgelegd; dat het enig middel derhalve niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- IX-2020-11/12 Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2020-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.