id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.601 Rolnummer: A. 59191/IX-1035 Zaak: Arrest 143601 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 11:34 Fiche Arrest nr 143.601 van 25 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.601 van 25 april 2005 in de zaak A. 59.191/IX-
- In zake : Peter ALLAERT, die woonplaats kiest bij het Nationaal Syndicaat voor het Politie- en Veiligheidspersoneel, gevestigd te BRUSSEL, Generaal Bernheimlaan 18-20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter ALLAERT op 1 augustus 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van :
- “de beslissingen, vervat in de nota n/ DPB/VL/13891 van 17 mei 1994, met name : - een mutatie bij administratieve maatregel naar de Brigade DEINZE met ingang op 24 mei 1994; - een ontneming van de mogelijkheid om later opnieuw deel uit te maken van de Brigade ZELZATE”;
- “de beslissing, vervat in de faxen van 29 oktober 1993 van 15 h 19 en 17 h 10, met name : - een afdeling ten bewarende titel naar de Brigade DEINZE”. Gelet op het arrest nr. 49.705 van 17 oktober 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1035-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 30 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 18 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 49.705 van 17 oktober 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de bestreden beslissingen wegens ontstentenis van een ernstig middel verworpen is; dat bijkomend, rekening gehouden dient te worden met wat volgt : 1.
- Op 28 juni 1995 dient verzoeker een aanvraag in om overgeplaatst te worden naar de rijkswachtbrigade Oudenaarde. IX-1035-2/7 1.
- Op 30 september 1995 wordt verzoeker als brigadecommandant gemuteerd naar de rijkswachtbrigade Oudenaarde. 2.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak tot het besluit gekomen is dat, wegens de definitief geworden mutatie, op eigen aanvraag, van verzoeker naar de rijkswachtbrigade Oudenaarde, hij geen belang meer heeft bij het bestrijden van zijn overplaatsing naar de brigade Deinze waartoe op 17 mei 1994 besloten is; dat in datzelfde verslag ook aangenomen is dat de beslissing van 29 oktober 1993 waarbij verzoeker door de commandant van de territoriale rijkswachtgroep “te bewarende titel” naar de brigade Deinze gedetacheerd is, niet kadert in de voorbereiding van het besluit van 17 mei 1994 en dat zij ook niet het karakter heeft van een voorbeslissing in het kader van de complexe rechtshandeling die met het besluit van 17 mei 1994 tot stand gebracht is, zodat zij met een afzonderlijk beroep binnen de 60 dagen na de kennisneming ervan bestreden had moeten worden; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de onont- vankelijkheid van het beroep tegen zijn gedwongen mutatie betwist; dat hij betoogt wat volgt: de omstandigheid dat hij vrijwillig in een andere betrekking aangesteld is, belet niet dat hij nog steeds geconfronteerd wordt met de beslissing om hem niet meer naar de brigade Zelzate te laten terugkeren; bovendien blijft de mutatie “ingeschreven (hetgeen) voor hem grievend is” en houdt zijn mutatie naar Oudenaar- de niet in dat hij afstand doet van de ingeleide procedure, die zal leiden tot het retroactief herstel van zijn loopbaan; dat hij daar aan toevoegt dat de bestreden beslissing hem benadeeld heeft en dat hij nog een actueel belang heeft aangezien hij de benadeling “nog steeds ervaart”, terwijl de wet niet vereist dat een vernietigings- arrest een volledig rechtsherstel in natura moet kunnen verlenen; dat hij met betrekking tot dat actueel belang voorts ook nog betoogt wat volgt: een ver- nietigingsarrest moet door de overheid worden uitgevoerd en dergelijk arrest zal hem “een aanzienlijk voordeel” opleveren, “al was het maar omdat het gezag erga omnes van dat arrest (...) zich ook opdringt aan de justitiële rechter”; het nieuw feit, op grond waarvan het beroep thans onontvankelijk wordt verklaard, houdt verband met IX-1035-3/7 de duur van de procedure bij de Raad van State en benadeelt de verzoekers die lang op de afhandeling van hun vordering moeten wachten; er is reden om, door het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, de inhoud die de Raad van State geeft aan het actueel belang te toetsen aan het grondwettelijk gelijkheids- beginsel en aan het algemeen beginsel van het gezag van gewijsde verbonden aan de arresten van de Raad van State; Overwegende, wat betreft het beroep tegen de beslissing van 29 oktober 1993, dat verzoeker betoogt dat voorbereidende akten tezamen met het eindbesluit bestreden kunnen worden; 2.3.1.
- Overwegende dat de Raad van State, in het kader van het onderzoek van het belang, waarover een verzoeker overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet beschikken, nagaat of het bestreden besluit de verzoeker benadeeld heeft en of de vernietiging hem een tastbaar voordeel kan opleveren; Overwegende dat verzoeker op eigen verzoek gemuteerd is naar de rijkswachtbrigade Oudenaarde; dat die beslissing niet bestreden is, dat zij definitief is en dat bijgevolg een vernietigingsarrest op zich niet meer kan volstaan om de oorspronkelijke doelstelling van het annulatieberoep, te weten de terugkeer van verzoeker naar de brigade Zelzate, te bewerkstelligen; dat de omstandigheid dat het niet uitgesloten is dat de verwerende partij, na een vernietigingsarrest en zonder daartoe verplicht te zijn, toch zou kunnen besluiten hem in zijn ambt te Zelzate terug te plaatsen, een voorwaardelijk belang is dat niet volstaat om een vernietigingsarrest te rechtvaardigen; 2.3.1.
- Overwegende dat verzoeker van oordeel is toch nog belang te hebben, omdat de bestreden beslissing vermeld blijft op zijn persoonlijke staat van dienen; dat evenwel, aangezien het bestreden besluit een administratieve maatregel is die getroffen werd in het belang van de dienst zonder dat er een uitspraak in IX-1035-4/7 gelezen kan worden over enig schuldig gedrag van verzoeker, niet wordt ingezien welk nadeel die vermelding voor verzoeker met zich kan brengen; 2.3.1.
- Overwegende dat verzoeker ook van oordeel is dat een vernietigingsarrest hem het voordeel verschaft dat het gezag van gewijsde ervan “zich opdringt aan de gewone rechter”; dat evenwel dergelijk belang, dat ertoe strekt vastgesteld te zien dat de overheid een onwettige beslissing genomen heeft, niet kadert binnen het opzet van een vernietigingsberoep dat erop gericht is onwettige beslissingen uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen; 2.3.1.4.
- Overwegende dat verzoeker vraagt aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de grondwettigheid van de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer die bepalingen aldus geïnterpreteerd worden (a) dat de wijziging van de rechtstoestand van verzoeker in de loop van het geding de onontvankelijkheid van het beroep met zich brengt en (b) dat het wettelijk vereiste belang niet enkel moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het beroep maar dat het moet blijven bestaan tot aan de uitspraak; 2.3.1.4.
- Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 geoordeeld heeft dat de interpretatie van de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarbij aan een verzoeker het belang wordt ontzegd omdat zijn rechtstoestand in de loop van het geding gewijzigd is en hij dienvolgens het rechtsherstel dat hij met zijn annulatieberoep beoogde -in dat geval een benoeming- niet meer kan verkrijgen, slechts ongrondwettig is wanneer de Raad van State niet zou nagaan of geen ander belang is blijven bestaan dat een vernietiging kan rechtvaardigen en dat verzoeker een voordeel kan opleveren; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 13/2004 van 21 januari 2004 geoordeeld heeft dat de door de Raad van State aangehouden interpretatie betreffende het actueel belang, waaruit volgt dat een verzoeker wegens omstandigheden die buiten zijn wil liggen, de voordelen verbonden met de retroactieve werking van een vernietigingsarrest moet derven, op zich ook niet ongrondwettig is; dat het Arbitragehof daarmee een antwoord gegeven heeft op het wezen van de vragen die verzoeker voorstelt; dat er IX-1035-5/7 geen reden is om het Arbitragehof een vraag met wezenlijk dezelfde inhoud voor te leggen; 2.3.
- Overwegende dat uit het dossier niet blijkt dat de verwerende partij elke rechtskracht ontnomen heeft aan haar beslissing om verzoeker “de mogelijkheid te ontnemen om later opnieuw deel uit te maken van de brigade Zelzate”; dat evenwel de verwerende partij in haar laatste memorie opmerkt dat verzoeker overeenkomstig het “Reglement van inwendige orde houdende de maatregelen van inwendige orde toepasselijk op de personeelsleden van de rijkswacht” de mogelijk- heid had om “vanaf 2 juni 1997 een aanvraag (in te dienen) om het inzetverbod te herzien” maar dat verzoeker van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt heeft en dat hij daarmee te kennen gegeven heeft “dat hij in zijn administratieve toestand berust”; dat verzoeker, die niet ter terechtzitting verschenen of vertegenwoordigd was, die uiteenzetting niet betwist heeft; dat uit het jarenlang stilzitten van verzoeker wordt afgeleid dat hij nog weinig of geen belangstelling heeft voor een tewerkstelling in Zelzate en dat hij dienvolgens geen belang meer heeft bij de vernietiging van het bestreden inzetverbod; 2.3.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de laattijdig- heid van het beroep tegen de beslissing van 29 oktober 1993, waarbij hij te bewarende titel vanaf 3 november 1993 naar de brigade Deinze gedetacheerd wordt, blijft betwisten; dat hij zich daarvoor op het standpunt plaatst dat die beslissing een voorbeslissing is die als deel van een complexe rechtshandeling tezamen met de eindbeslissing bestreden kan worden; 2.3.3.
- Overwegende dat de beslissing van 29 oktober 1993, waarbij verzoeker door de commandant van de territoriale rijkswachtgroep Oost-Vlaanderen met ingang van 3 november 1993 te bewarende titel naar de brigade Deinze is gedetacheerd, een voorafgaande detachering betreft die als voorlopige maatregel door de korpscommandant wordt opgelegd en die juridisch los staat van de beslissing van 17 mei 1994 om hem bij administratieve maatregel naar dezelfde brigade over te plaatsten; dat, aangezien de beslissing van 29 oktober 1993 geen noodzakelijke IX-1035-6/7 grondslag uitmaakt voor de beslissing van 17 mei 1994, zij ook niet als een voorbeslissing bij het beroep tegen dat besluit betrokken kan worden; dat de verwerende partij dan ook terecht opmerkt dat beroep te dien aanzien laattijdig ingediend is;
- Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het geding, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1035-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.