id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.603 Rolnummer: A. 60791/IX-544 Zaak: Arrest 143603 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 11:34 Fiche Arrest nr 143.603 van 25 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.603 van 25 april 2005 in de zaak A. 60.791/IX-
- In zake : Maurice CHRISTIAENS, wonende te KEERBERGEN, A. Cleynhenslaan 47 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice CHRISTIAENS op 10 november 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 22 september 1994 houdende definitieve uitspraak tegen verzoeker van de tuchtstraf van afzetting; Gelet op het arrest nr. 51.401 van 30 januari 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 september 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-544-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van adjunct van de directeur H. DE RIDDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker was adjunct van de directeur bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Sociaal-Cultureel Werk, waar hij sedert zijn indiensttreding in 1980 werkzaam was bij het bestuur Jeugdwerk. 1.
- Daarnaast was verzoeker voorzitter van de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten, welke door de Vlaamse Gemeenschap als jeugddienst is erkend en via het bestuur Jeugdwerk wordt gesubsidieerd krachtens het decreet van 22 januari 1975 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van het landelijk georganiseerd jeugdwerk. IX-544-2/14 1.
- In 1990 stelt het Hoog Comité van Toezicht een onderzoek in naar aanleiding van een anonieme klacht dat verzoeker zich als voorzitter van de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten schuldig zou gemaakt hebben aan het opstellen van valse facturen en aan de vervalsing van aanwezigheidslijsten van door die vereniging georganiseerde kadervormingscursussen, teneinde, vanwege het bestuur Jeugdwerk bedrieglijk subsidies te kunnen ontvangen. 1.
- Op 30 oktober 1990 maakt het Hoog Comité van Toezicht een summier verslag over aan de Gemeenschapsminister van Cultuur, waaruit blijkt dat door verzoeker wordt toegegeven dat hij als voorzitter van de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten valse facturen heeft opgesteld en aanwezigheidslijsten heeft vervalst "op basis waarvan NDR per jaar 1.000.000 fr. subsidies bekwam van de Dienst Jeugdwerk". 1.
- Bij ministerieel besluit van 7 december 1990 wordt verzoeker in het belang van de dienst geschorst. 1.
- Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 5 januari 1994 wordt verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met uitstel en een geldboete van 300 frank. De rechtbank acht volgende tenlasteleggingen bewezen : “A. als openbaar officier of ambtenaar, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid gepleegd te hebben in de uitoefening van zijn bediening, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door vervalsing van akten, geschriften of handtekeningen, hetzij door onderschuiving van personen, hetzij door geschriften in openbare registers of andere openbare akten na het opmaken of het afsluiten ervan gesteld of ingevoegd, om, namelijk in (zijn) hoedanigheid van voorzitter (...) van de V.Z.W. Nationale Dienst voor Recreatieruimten:
- namen en/of handtekeningen van personen die op vormingskursussen niet aanwezig waren, valselijk op aanwezigheidslijsten te hebben ingevuld, met het bedrieglijk inzicht aldus het minimumquorum te bereiken voor subsidiëring vanwege de overheid teneinde aldus in totaal minstens 13.080.194 frank ten hunne profijte en ten profijte van de Nationale Dienst voor Recreatieruimten V.Z.W. bedrieglijk te verkrijgen namelijk en onder meer: aanwezigheidslijs- ten, fakturen en onkostennota’s vermeld in de hiernagenoemde P.V.’s (...); IX-544-3/14
- valse facturen te hebben opgesteld, met het bedrieglijk inzicht aldus niet- subsidieerbare uitgaven toch te laten subsidiëren vanwege de overheid en de hierna omschreven verduisteringen (feit B) te verbergen teneinde aldus in totaal minstens 13.080.194 frank ten hunne profijte en ten profijte van de Nationale Dienst voor Recreatieruimten V.Z.W. bedrieglijk te verkrijgen, namelijk en onder meer: fakturen en onkostennota’s vermeld in de hierna- genoemde P.V.’s (...) meer bepaald en onder meer de valse factuur ALL COPY nr. 883 325 dd. 14 november 1988 ten bedrage van 38.250 frank te hebben opgesteld en ondertekend, daar waar deze factuur onbestaande is in de boekhouding van vermelde firma, teneinde deze bedrieglijk aan te wenden ter subsidiëring van het er op aangebrachte bedrag, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of hetzelfde oogmerk om te schaden, van gezegde valse stukken gebruik gemaakt te hebben wetende dat ze vals waren; B. als openbaar officier of ambtenaar, of met een openbare dienst belast persoon, openbare of private gelden, geldswaardige papieren, stukken, effekten, akten of roerende zaken welke hij uit kracht of uit hoofde van zijn bediening onder zich heeft, verduisterd te hebben, meer bepaald en onder meer : 1) overheidsgelden voor een totaal van minstens 13 miljoen frank ten nadele van de Vlaamse Gemeenschap ten behoeve van de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten; 2) goederen voor persoonlijk gebruik en te hunnen behoeve ten nadele van de Vlaamse Gemeenschap en de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten bv. en ondermeer een grasmachine en allerlei bouwmaterialen waarvan sprake in het proces-verbaal 92 van het Hoog Comité van Toezicht dd. 14 januari 1991; 3) Persoonlijke vergoedingen van 20.000 tot 30.000 frank per maand te hunnen behoeve ten nadele van de Vlaamse Gemeenschap en de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten”. 1.
- Op 9 mei 1994 stelt de directeur-generaal van de administratie Sociaal-Cultureel Werk aan de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor om tegen verzoeker als tuchtstraf de afzetting uit te spreken. 1.
- Op 15 juni 1994 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de secretaris-generaal gehoord. 1.
- Bij besluit van de secretaris-generaal van 28 juni 1994 wordt aan verzoeker de vijfde tuchtstraf zijnde “afzetting” opgelegd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : IX-544-4/14 “Overwegende dat de heer Maurice CHRISTIAENS beticht is van het maken van valse facturen voor de levering van goederen en diensten aan vzw’s die zich bezig houden met jeugdwerk. Op deze bedrieglijke wijze werden niet-subsidieer- bare uitgaven toch gesubsidieerd door de overheid. Dat de betaling van de fictieve facturen ten goede kwam aan de vzw Nationale Dienst voor Recreatie- ruimten waarvan de heer Maurice CHRISTIAENS voorzitter was; Overwegende dat hij bovendien beticht is van het maken van fictieve aanwezigheidslijsten voor kadervormingscursussen die door de Nationale Dienst voor Recreatieruimten werden ingericht. Dat op deze wijze voorgehouden werd dat voldaan was aan de subsidiëringsvoorwaarden of dat er meer subsidie kon verkregen worden; Overwegende dat op deze wijze een bedrag van minstens 13.080.000,- fr. aan onterechte subsidies door de Nationale Dienst voor Recreatieruimten kon worden ontvangen; Overwegende dat in een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 5 januari 1994 deze feiten als bewezen werden geacht en dat de heer Maurice CHRISTIAENS hiervoor werd veroordeeld; Overwegende dat betrokkene deze feiten heeft gepleegd terwijl hij ambtenaar, adjunct-adviseur was, belast met de controle op de betreffende verenigingen voor jeugdwerk, zodat hij deze praktijken uit hoofde van zijn ambt heeft kunnen organiseren; Overwegende dat betrokkene deze feiten herhaaldelijk heeft gepleegd in een periode van 1 januari 1987 tot 28 september
- Dat betrokkene tijdens het tuchtrechtelijk verhoor van 15 juni 1994 deze feiten die hem werden voorgelegd niet heeft ontkend”. 1.
- Op 30 juni 1994 stelt verzoeker tegen zijn afzetting beroep in bij de raad van beroep om reden “dat de opgelegde tuchtstraf, zijnde de afzetting, niet in verhouding staat tot de aard van de gepleegde feiten”. 1.
- Op 5 september 1994 adviseert de raad van beroep met 4 stemmen tegen 1 “dat de vijfde tuchtstraf zijnde de afzetting uitgesproken bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 28 juni 1994 in verhouding staat met de gepleegde feiten zoals blijkt uit het voorgelegde tuchtdossier”. 1.
- Bij besluit van het college van secretarissen-generaal van 22 september 1994 wordt tegen verzoeker de vijfde tuchtstraf zijnde “afzetting” definitief uitgesproken. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : IX-544-5/14 “Overwegende dat uit het correctioneel vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 5 januari 1994, dat in kracht van gewijsde is gegaan, blijkt dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn gebleken en niet voor betwisting vatbaar zijn; Overwegende dat de heer Maurice CHRISTIAENS, adjunct van de directeur bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Sociaal- Cultureel Werk, door voormeld vonnis veroordeeld is tot een gevangenisstraf van acht maanden met uitstel gedurende drie jaar en een geldboete van driehonderd frank bij toepassing van de wet op de opdeciemen te verhogen tot 24.000 frank; Overwegende dat de heer Maurice CHRISTIAENS de feiten gepleegd heeft terwijl hij ambtenaar in dienst was, belast met de controle en inspectie van ondermeer de vereniging waarvan hij zelf voorzitter was; (...); Overwegende dat het College van secretarissen-generaal vaststelt dat de vijfde tuchtstraf zijnde ‘afzetting’, uitgesproken bij voormeld besluit van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 28 juni 1994, in verhouding staat met de gepleegde feiten, zoals blijkt uit het voorgelegde tuchtdossier”.
- Over de grond van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de tuchtprocedure gevoerd werd overeenkomstig de bepalingen van deel IX (tuchtregeling) van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, en dat dit besluit mede zijn grondslag vindt in het koninklijk besluit van 22 november 1991 houdende hervorming van verscheide- ne verordeningsbepalingen die toepasselijk zijn op het rijkspersoneel, dat bij arrest nr. 47.691 van 31 mei 1994 door de Raad van State vernietigd werd; dat hij ter zake stelt dat uit de vernietiging van een verordening moet worden afgeleid dat de toepassingsbesluiten die het vernietigde algemeen voorschrift als directe rechtsgrond hebben, na die vernietiging en ten gevolge ervan, geacht moeten worden van rechtswege retroactief hun materiële rechtskracht verloren te hebben en dus retroactief onwerkzaam te zijn geworden; IX-544-6/14 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat de Vlaamse regering aan artikel 87, §§ 3 en 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd door de wet van 8 augustus 1988, de bevoegdheid ontleent om het administratief en geldelijk statuut van het personeel van haar diensten te bepalen, met inachtneming van het koninklijk besluit dat de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het rijkspersoneel aanwijst, welke van rechtswege van toepassing zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, dat het koninklijk besluit van 22 november 1991 houdende hervorming van verscheidene verordeningsbepalingen die toepasselijk zijn op het rijkspersoneel, dat bij arrest nr. 47.691 van 31 mei 1994 door de Raad van State vernietigd werd, geen uitstaans heeft met de bevoegdheid van de Vlaamse regering om het administra- tief statuut, en inzonderheid de tuchtregeling, van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te bepalen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de Raad van State in zijn arrest nr. 47.689 van 31 mei 1994 ook het koninklijk besluit van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de Executieven en van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna: het koninklijk besluit van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes) vernietigd heeft, zodat artikel 87, §§ 3 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, geacht wordt niet in werking te zijn getreden en de originele versie van artikel 87, §3, van de bijzondere wet, op grond waarvan de deelregeringen niet bevoegd waren om het administratief statuut van het personeel te bepalen, van kracht blijft; dat verzoeker hieraan toevoegt dat de algemene principes bij koninklijk besluit van 26 september 1994 opnieuw, met retroactieve werking, werden vastgesteld, maar dat tegen dit besluit diverse annulatieberoepen werden ingediend en dat, indien de Raad van State dit besluit of de retroactieve werking ervan zou vernietigen, daaruit zou volgen dat de verwerende partij niet de vereiste bevoegdheid had om het personeelsstatuut uit te vaardigen; IX-544-7/14 2.1.
- Overwegende dat het besluit van 24 november 1993 van de Vlaamse regering houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en regeling van de rechtspositie van het personeel -thans opgeheven bij besluit van 15 juli 2002 van de Vlaamse regering houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel- is genomen in uitvoering van artikel 87, §3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, waarbij aan de Gemeenschappen en de Gewesten de bevoegdheid is verleend om “onverminderd §4 (...) de regeling vast (te stellen) die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling”; dat krachtens artikel 18, §3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 het voormeld artikel 87, §3, in werking treedt op dezelfde datum als het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, waarin het nieuwe artikel 87, §4, voorziet; dat dit koninklijk besluit is uitgevaardigd op 22 november 1991 en in werking is getreden op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, op 24 december 1991; Overwegende dat het reeds genoemde koninklijk besluit van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes, door de Raad van State bij arrest nr. 47.689 van 31 mei 1994 is vernietigd; dat, na deze vernietiging, de algemene principes bij koninklijk besluit van 26 september 1994 opnieuw werden vastgesteld en dit, enkele bepalingen uitgezonderd, met terugwerkende kracht tot 7 maart 1992; dat zowel de Raad van State (arrest nr. 56.775 van 11 december 1995, arrest nr. 62.921 van 5 november 1996) als het Arbitragehof (arrest nr. 31/95 van 4 april 1995, arrest nr. 45/95 van 6 juni 1995) geoordeeld hebben dat de retroactiviteit van het koninklijk besluit van 26 september 1994 haar grondslag vindt in de zorg de stabiliteit van de instellingen en de continuïteit van de openbare dienst te behouden, de rechtszekerheid te vrijwaren en de intussen verkregen rechten van de ambtenaren veilig te stellen; dat derhalve de vernietiging van het koninklijk besluit van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes, niet tot gevolg heeft IX-544-8/14 gehad dat het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, zijn rechtsgrond heeft verloren; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat artikel 87, § 3, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 de bevoegd- heid om het administratief en geldelijk statuut van het personeel te bepalen, verleent aan de gemeenschappen en de gewesten zodat de regeringen terzake niet bevoegd zijn, dat luidens artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gemeenschaps- en gewestregering immers geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd haar uitdrukkelijk toekennen, dat artikel 107, tweede lid, van de Grondwet ter zake niet naar analogie kan worden toegepast; 2.2.
- Overwegende dat het middel klaarblijkelijk gericht is tegen het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, met toepassing waarvan de tuchtprocedure tegen verzoeker werd gevoerd; dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies L. 22.523/8 bij dit besluit uitdrukkelijk gesteld heeft dat “de Regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten” aan artikel 87, §§ 3 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd door de wet van 8 augustus 1988, de bevoegdheid ontlenen om de rechtspositie van hun personeel te regelen; dat dit standpunt in onderhavige zaak wordt bijgetreden; dat het tweede middel niet gegrond is; IX-544-9/14 2.3.1 Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel en van het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 5 januari 1994; dat hij in een eerste onderdeel stelt dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de rechtbank geoordeeld heeft dat de omstandigheden eigen aan de zaak zijn reclassering laten verhopen, reden waarom hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan de tenuitvoerlegging gedurende drie jaar werd uitgesteld; dat hij in een tweede onderdeel stelt dat de verwerende partij bij het bepalen van de strafmaat voorbijgegaan is aan het feit dat hij zich reeds van in het begin bereid had verklaard om de subsidies die de Nationale Dienst voor Recreatieruimten onrechtmatig zou hebben ontvangen, terug te betalen; dat de Nationale Dienst voor Recreatieruimten daartoe reeds op 15 maart 1991 een voorstel heeft gedaan, doch dat de Gemeenschapsminister van Cultuur op 30 april 1991 de erkenning van de Nationale Dienst voor Recreatieruimten heeft ingetrokken en zichzelf aldus een middel heeft ontzegd “om op een gemakkelijke wijze de ten onrechte uitgekeerde subsidies te recupereren” hetgeen strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur; 2.3.2.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat de tuchtoverheid alleen maar gebonden is door de vaststellingen van de strafrechter wat het bestaan van de feiten betreft; dat zij niet gebonden is door de wijze waarop de strafrechter de gedragingen van de betrokkene heeft beoordeeld naar aanleiding van de tegen hem vastgestelde feiten; dat wanneer de strafrechter een veroordeling met uitstel uitspreekt dit derhalve niet impliceert dat de tuchtoverheid niet langer de zwaarste tuchtstraf zou kunnen opleggen; dat de tuchtoverheid alsdan echter moet aantonen waarom zij de zwaarste tuchtstraf oplegt, terwijl de strafrechter aan de betrokkene een gunst heeft verleend; dat in de voorliggende zaak duidelijk blijkt waarom het college van secretarissen-generaal meende aan verzoeker de zwaarste tuchtstraf te moeten opleggen; dat de notulen van de vergadering van 22 september 1994 in dit verband vermelden hetgeen volgt : “Een lid wijst op de sociale gevolgen van de sanctie ‘afzetting’ en voert aan dat de rechtbank van Eerste Aanleg bij het bepalen van de strafmaat IX-544-10/14 verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen heeft zoals met name het blanco strafregister van beklaagde en de overweging dat de weerhouden inbreuken een collectief misdrijf uitmaken bij eenheid van opzet. Het lid pleit ervoor om de vierde tuchtstraf, met name de terugzetting in graad, in overweging te nemen. Een lid voert aan dat een ministerie dat de responsabilisering van ambtenaren op alle niveaus sterk benadrukt en dat deze responsabilisering mede inschrijft in het nieuwe personeelsstatuut, bezwaarlijk kan dulden dat een ambtenaar die als behandelaar van subsidiedossiers en als controlerende en inspecterende overheid enerzijds en als voorzitter van de vzw Nationale Dienst voor Recreatieruimten anderzijds, gefraudeerd heeft en zichzelf verrijkt heeft, na vaststelling van deze feiten door de rechtbank, nog kan verbonden blijven aan het ministerie. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan en stellen dat de sanctie ‘afzetting’ in deze zaak in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten”; dat uit de daaropvolgende geheime stemming blijkt dat het college van secretarissen- generaal met vijf stemmen tegen één van oordeel was “dat de vijfde tuchtstraf, uitgesproken bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 28 juni 1994, in verhouding staat met de gepleegde feiten”, hetgeen vervolgens in het bestreden besluit wordt herhaald; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 2.3.2.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat moet worden vastgesteld dat verzoeker zich helemaal niet bereid heeft verklaard om de onrechtmatig ontvangen bedragen terug te betalen; dat hij integendeel door de verwerende partij voor de rechtbank van eerste aanleg van Leuven gedagvaard werd teneinde tot een provisionele schadevergoeding van 21.699.283 fr. te worden veroordeeld; dat de VZW Nationale Dienst voor Recreatieruimten op 15 maart 1991 door bemiddeling van haar raadsman aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft medegedeeld dat zij akkoord gaat met het voorstel tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen subsidies “door afhouding op de verder te ontvangen subsidies en dit tot algehele delging van de schuld (10.699.283 frank) en dit bij wijze van dading en tot slot van alle rekeningen”; dat de verwerende partij op dit voorstel niet is ingegaan; dat de subsidies voor het landelijk georganiseerd jeugdwerk immers niet kunnen worden aangewend om frauduleus ontvangen bedragen terug te betalen; dat ook dit onderdeel faalt zodat het derde middel niet gegrond is; IX-544-11/14 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991; dat hij stelt dat de verwerende partij haar beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd omdat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de strafrechter geoordeeld heeft dat de omstandigheden eigen aan de zaak de reclassering van verzoeker lieten verhopen; 2.4.
- Overwegende dat dit vierde middel, om de redenen uiteengezet bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het derde middel, niet gegrond is; 2.5.1 Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel aanvoert dat in het bestreden besluit ten onrechte gesteld wordt dat hij de feiten gepleegd heeft terwijl hij als ambtenaar belast was met de controle en inspectie van, onder meer, de vereniging waarvan hijzelf voorzitter was; dat hij hiertegen inbrengt dat de directeur van de dienst Jeugdwerk tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat inspectiebezoeken slechts uiterst zelden gebeuren als gevolg van een personeelstekort; dat bovendien artikel 3 van het decreet van 22 januari 1975 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van het landelijk georganiseerd jeugdwerk, dat aan de Koning de opdracht geeft de modaliteiten van de inspectie te bepalen, nooit is uitgevoerd en dat evenmin bepaald is wat de inhoud moet zijn van het verslag dat de jeugdverenigingen over hun werking moeten uitbrengen; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat het voor het bepalen van de strafmaat niet relevant is dat verzoeker inspecteur was van de VZW waarvan hij tevens voorzitter was, aangezien elke ambtenaar, ongeacht zijn functie en opdracht, die aanhoudend valse verklaringen aflegt en de overheid oplicht om zichzelf te verrijken, in alle redelijkheid mag afgezet worden; dat het mogelijk ontbreken van een bepaling die de modaliteiten van de inspectie op de subsidies regelt, geen vrijgeleide is om subsidies aan te wenden voor persoonlijke doeleinden; 2.5.
- Overwegende dat uit het feit dat artikel 3 van het decreet van 22 januari 1975 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van het landelijk IX-544-12/14 georganiseerd jeugdwerk, waarbij aan de Vlaamse regering de bevoegdheid is verleend om de modaliteiten van de inspectie te bepalen, niet werd uitgevoerd, niet volgt dat verzoeker niet met controle- en inspectietaken kon zijn belast en dat de feiten, die overigens strafrechterlijk vast staan, op een of andere wijze kunnen worden geminimaliseerd; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker tijdens het onderzoek door het Hoog Comité van Toezicht onder meer het volgende heeft verklaard : “Als inspecteur heb ik alle sectoren van het jeugdwerk geïnspecteerd met uitzondering van de jeugdhuizen. (...). Als adjunct-adviseur werk ik op de dienst die zich bezig houdt met het landelijk jeugdwerk. (...). De dienst jeugdwerk beoordeelt of de aktiviteit subsidieerbaar is overeenkomstig het decreet. Na de aktiviteit wordt het verslag inzake de vorming toegestuurd. Het is de dienst jeugdwerk die beoordeelt welk bedrag aan subsidies wordt toegekend, onder meer op basis van het aantal deelnemers, overnachtingen e.d.”; dat uit het administratief dossier eveneens blijkt dat de directeur van de Dienst Jeugdwerk onder meer verklaarde : “Wat betreft het Landelijke Jeugdwerk heeft de heer CHRISTIAENS de dagelijkse leiding en dit sedert ongeveer
- Voordien deed de heer CHRISTIAENS o.a. inspecties i.v.m. het landelijk jeugdwerk.(...). Als ambtenaar die de dagelijkse leiding heeft van de volledige sector Landelijk Jeugdwerk is de heer CHRISTIAENS belast met de totaalopvolging van die sector”; dat, in het licht van deze verklaringen, het vijfde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-544-13/14 Artikel
- De kosten van het geding, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-544-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.