id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.604 Rolnummer: A. 81063/IX-1542 Zaak: Arrest 143604 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 11:35 Fiche Arrest nr 143.604 van 25 april 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.604 van 25 april 2005 in de zaak A. 81.063/IX-
- In zake : de NV BEPRO, die woonplaats kiest bij advocaat L. SCHUERMANS, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, thans de minister van Landbouw en Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV BEPRO op 10 november 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-1542-1/13 Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 januari 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 18 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. JANSEN, die loco advocaat L. SCHUERMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Luidens de bewoordingen van haar verzoekschrift produceert de verzoekende partij veevoeders, bestemd voor kalveren en is één van de voornaamste grondstoffen voor het productieproces de magere-melkpoeder. 1.
- Artikel 82, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, zoals vervangen door artikel 187, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, luidde ten tijde dat het bestreden besluit getroffen werd als volgt : “De Koning kan een verplichte bijdrage opleggen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die landbouwbestrijdingsmiddelen, grondstoffen of gemedicineer- de diervoeders voortbrengen of verhandelen. Hij kan eveneens een retributie opleggen voor elke verrichting van de administratie in verband met : IX-1542-2/13 - de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdings- middelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt; - de toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten; - de toepassing van de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders. De geldsommen, als retributie of verplichte bijdrage verschuldigd, zijn bestemd voor de financiering van de opdrachten die voortvloeien uit de drie bovenvermelde wetten en het desbetreffende wetenschappelijk onderzoek. De Koning bepaalt de opdrachten en de samenstelling van de Raad van het Fonds voor de grondstoffen. Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid wordt opgeheven wanneer het door de werkgever niet wordt bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad”. 1.
- Op 19 augustus 1998 wordt het koninklijk besluit “tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen” genomen. Dit koninklijk besluit voorziet in de betaling van een retributie of een bijdrage voor bepaalde administratieve verrichtingen in het kader van de wetgeving betreffende de bestrijdingsmiddelen (artikel 1 en 2), in de betaling van een retributie voor verrichtingen in het kader van de reglementering op het vlak van de dierenvoeders (artikel 3), op het vlak van de reglementering betreffende meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten (artikel 4) en voor de erkenning van een ambachtelijke maalderij (artikel 5). Een retributie dient ook nog te worden betaald wanneer in het kader van de wet van 11 juli 1969 een certificaat wordt aangevraagd (artikel 7) of wanneer toelating wordt gevraagd voor de doelbewuste introductie van een genetisch gemodificeerd organisme (artikel 8). Het voor de onderhavige zaak van belang zijnde artikel 6, dat hoofdstuk V van het besluit vormt, luidt als volgt : “Denaturatie en inmenging van magere-melkpoeder in dierenvoeders. Art. 6 §
- Iedere persoon die een erkenning aanvraagt voor de inmenging van magere-melkpoeder in dierenvoeders overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoe- ringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder met name bestemd voor kalvervoeding, IX-1542-3/13 is gehouden een retributie van 10.000 F te betalen aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen. Deze retributie bedraagt eveneens 10.000 F voor iedere persoon die op het einde van de geldigheidsduur van de erkenning, de hernieuwing ervan aanvraagt. §
- Iedere persoon die overeenkomstig de in § 1 bedoelde verordening magere-melkpoeder in dierenvoeders inmengt is gehouden per periode van 4 uur inmenging een retributie van 2.000 F te betalen aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen. Indien de inmenging in de loop van een zelfde dag langer dan 4 uur duurt, moet een aanvullende retributie van 2.000 F worden betaald. De bedragen die verschuldigd zijn dienen uiterlijk op de laatste dag van de derde maand volgend op de maand van inmenging betaald te worden”. Bij koninklijk besluit van 20 juli 2000 zijn de bedragen vermeld in artikel 6 omgezet in Euro. De retributie bepaald in paragraaf 2 wordt vastgesteld op 50 euro. 1.
- Het is van artikel 6, § 2 dat de verzoekende partij de nietig- verklaring vordert.
- Overwegende dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen een laatste memorie ingediend heeft waarbij het verzoekt om de gedinghervatting als vertegenwoordiger van de verwerende partij; dat het te dien aanzien uiteenzet dat, krachtens de wet van 4 februari 2000 en het koninklijk besluit van 22 februari 2001, het Agentschap bevoegd is voor het toezicht op de diervoeder- productie en de financiering van dat toezicht; Overwegende dat het beroep betrekking heeft op de vernietiging van een reglementair besluit; dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen zich niet in de plaats van de federale regering kan stellen om met betrekking tot reglementaire besluiten de belangen van de Belgische Staat te verdedigen; dat de vraag om gedinghervatting niet wordt ingewilligd; dat om die reden de laatste memorie uit de debatten wordt geweerd; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat het beroep laattijdig is, aangezien het bestreden besluit IX-1542-4/13 bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 12 september 1998 en de termijn voor het indienen van het annulatieberoep op die dag is beginnen lopen; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord terecht repliceert dat het verzoekschrift op 10 november 1998 met een ter post aangetekende brief naar de Raad van State verstuurd is; Overwegende dat de termijn voor het indienen van een annulatie- beroep tegen het bestreden besluit aangevangen is op 13 september 1998, daags na zijn bekendmaking; dat de beroepstermijn minstens liep tot 11 november 1998; dat het beroep tijdig ingediend is; 3.2.
- Overwegend dat de verwerende partij ook nog betoogt dat het beroep ratione personae slechts ontvankelijk is in de mate dat het betrekking heeft op de bepalingen die specifiek gericht zijn tot de producenten van kalvervoeders; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij daartegen inbrengt dat zij enkel de vernietiging vordert van artikel 6, § 2, van het bestreden besluit; dat, aangezien die bepaling haar situatie als producent van mengvoeders voor kalveren regelt, zij belang heeft bij de vernietiging ervan en dat die bepaling ook afsplitsbaar is van de andere artikelen van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998; dat het beroep ontvankelijk is; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 82 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en van het legaliteits- en het proportionaliteits- beginsel, doordat geen van de drie in voornoemd artikel 82 vermelde wetten de wettelijke grondslag kunnen vormen voor het opleggen van een retributie voor het mengen van magere-melkpoeder in dierenvoeders en doordat, in geval één van de vermelde wetten toch een wettelijke basis daarvoor zou kunnen vormen, artikel 82 enkel de mogelijkheid bevat om een retributie op te leggen, terwijl er in dit geval sprake is van een belasting; dat zij te dien aanzien uiteenzet dat algemeen aangeno- IX-1542-5/13 men wordt dat er slechts sprake kan zijn van een retributie wanneer “de heffing verschijnt als de geldelijke vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd” -wat betekent dat het moet gaan om een vergoeding van kosten die veroorzaakt worden door een dienst die aan de individuele heffingsplichtige bewezen wordt- en dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen de gevraagde heffing en de waarde van de bewezen dienst; dat naar haar oordeel in dit geval niet aan die voorwaarden voldaan is, aangezien de opgelegde vergoeding niet gerelateerd is aan een verrichting van de administratie maar aan de loutere handeling van het mengen van melkpoeder in dierenvoedsel en aangezien er ook geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de dienst en het bedrag van de heffing; dat zij besluit dat de verwerende partij met de bestreden bepaling een belasting ingevoerd heeft zonder daarvoor over een wettelijke basis te beschikken; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : artikel 1, 4/ van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt definieert als grondstof “elke stof bestemd om de dierlijke en visproductie te verbeteren, te bevorderen of te beschermen, zoals dierenvoeders”; als grondstof is magere- melkpoeder een product dat onder de wet van 11 juli 1969 ressorteert maar als zuivelproduct valt het ook onder de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten; artikel 82 van de wet van 24 december 1976 verleent aan de Koning de bevoegdheid om “verplichte bijdragen” te bepalen en “retributies” vast te stellen voor verrichtingen van de administratie in het kader van die twee wetten, zoals de controle op de ophaling van melk op de landbouwbedrijven, de kwaliteitsbepaling van de opgehaalde melk, de controle op de verwerking van melk tot magere-melkpoeder, de verhandeling van magere- melkpoeder en uiteraard ook de controle op het produceren van kalvervoedsel; de retributie wordt enkel opgelegd aan de producenten van dierenvoeders die magere- melkpoeder vermengen en die daarvoor overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 maart 1980 inzake de toekenning van steun voor magere-melkpoeder bestemd voor IX-1542-6/13 diervoeding, Europese steun wensen te ontvangen, hetgeen “een doelmatige controle” nodig maakt; het koninklijk besluit van 10 maart 1980 -artikel 5- heeft in dat kader bepaald dat het verkrijgen van steun afhankelijk is van de schriftelijke aanvraag van de controle volgens een bepaalde procedure -melding van de voorgenomen menging drie dagen vooraf met vraag om toezicht, een controleur van de administratie volgt ter plaatse de menging en de voorraadboekhouding, indien niemand ter plaatse wordt gestuurd wordt de retributie niet aangerekend, maar wordt “achteraf steekproefsgewijze bemonsterd en controle uitgeoefend”-; daaruit blijkt dat de bestreden bepaling een retributie betreft waar een prestatie van de overheid tegenover staat; het bedrag van de retributie compenseert slechts gedeeltelijk de kosten die door de administratie gemaakt worden -de wedde en de bijkomende vergoedingen van de controlerende agent- en is, bekeken in relatie tot de steun die de verzoekende partij voor de overeenstemmende periode ontvangen heeft, zeker niet overdreven, vooral wanneer bedacht wordt dat het alternatief erin bestaat de ondernemingen te verplichten een controleattest van een geaccrediteerd controle- orgaan voor te leggen voor elke menging; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord de volgende repliek naar voren brengt: de bestreden bepaling verwijst uitdrukkelijk naar de Europese Verordening nr. 1725/79, wat betekent dat de retributie opgelegd wordt in het kader van die Verordening en niet in het kader van de wetten genoemd in artikel 82 van de wet van 24 december 1976; de bestreden bepaling vindt geen rechtsgrond in het eerste lid van artikel 82 van de wet van 24 december 1976, want daar gaat het om het betalen van een “verplichte bijdrage”, ook niet in de wet van 11 juli 1969, welke niets uit te staan heeft met het mengen van magere-melkpoeder in kalvervoedsel, noch in de wet van 28 maart 1975 en het koninklijk besluit van 10 maart 1980; in ieder geval laat artikel 82 van de wet van 24 december 1976 slechts een retributie toe voor een “verrichting van de administratie”, dit wil zeggen een administratieve handeling zoals het afleveren van een erkenning, maar dat is te dezen niet het geval, aangezien de bestreden bepaling niet verwijst naar een controle in het kader van steunverlening en de retributie verschuldigd is voor het louter mengen van melkpoeder in kalvervoeding en niet voor het leveren van een IX-1542-7/13 prestatie door de overheid; in ieder geval kan de verwerende partij niet verwijzen naar het uitvoeren van een controle op het mengen, want dat is geen “dienst die de overheid presteert ten voordele van een individuele heffingsplichtige” maar een controle in het kader van een wettelijk voorschrift; bovendien bestaat er geen redelijke verhouding tussen de waarde van de bewezen dienst en het bedrag van de heffing, aangezien het cijfervoorbeeld van de verwerende partij geen verrekening mag bevatten van de wedde van de controlerende ambtenaar en aangezien zij reeds retributies betaalt overeenkomstig artikel 3 en artikel 6, § 1, van het bestreden besluit en deze heffingen ruimschoots de kosten van de controle dekken; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie herhaalt dat de Europese Verordening nr. 1725/69 zelf geen retributie mogelijk maakt en ook niet voorziet in enige administratieve verrichting of controle, dat de bestreden heffing niet het karakter heeft van een retributie, omdat haar grondslag gelegen is in het mengen van melkpoeder in veevoeder en niet in het uitvoeren van controles -wat duidelijk blijkt uit de tekst van het bestreden besluit waarin verwezen wordt naar periodes van menging en waarin niet is bepaald dat de heffing geldt voor de uitvoering van controles-, omdat een heffing voor de betaling van een controle geen “dienst (is) die de overheid presteert ten voordele van een individuele heffings- plichtige waarvan hij vrijwillig gebruik maakt en waaruit hij individueel voordeel haalt” -de controle is de uitvoering van een wettelijke opdracht en geen dienst- verlening, er wordt geen vrijwillig gebruik van gemaakt en de voederfabrikant haalt geen voordeel uit de controle- en omdat de vergoeding die moet betaald worden niet in redelijke verhouding staat tot de dienstverlening -de overheid mag zich met een retributie niet verrijken- en de verzoekende partij betaalt, op grond van artikel 3 en 6, § 1, van het bestreden besluit, reeds voldoende heffingen om de kosten van de controles te dekken; 4.5.
- Overwegende dat artikel 82 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, zoals het te dezen van toepassing is, in zijn tweede lid aan de Koning de bevoegdheid verleent om een retributie op te leggen “voor elke verrichting van de administratie in verband met : IX-1542-8/13 - de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, - de toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en visserijprodukten, - de toepassing van de wet van 21 juni 1983 betreffende de gemedicineerde diervoeders”; Overwegende dat het mengen van magere-melkpoeder in dierenvoeding een aangelegenheid is die valt binnen het toepassingsgebied van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, in de mate dat artikel 1, 4/, van die wet dierenvoeding als een grondstof voor de landbouw aanmerkt en artikel 2, § 1, de Koning bevoegd heeft gemaakt om regels vast te stellen op het vlak van onder meer de samenstelling en de verwerking van de grondstoffen; dat magere- melkpoeder evenwel ook een zuivelproduct is in de zin van artikel 1, 1/, van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, die in artikel 3, § 1, aan de Koning de bevoegdheid heeft gegeven om alle maatregelen te nemen voor de uitvoering van de gemeenschappelijke ordening der markten; Overwegende dat met de Verordening (EEG) nr. 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere- melkpoeder bestemd voor kalvervoeding, op Europees niveau een regeling uitgewerkt is waarbij het mengen van magere-melkpoeder in kalvervoeding aanleiding kan geven tot steun; dat, voor de concrete tenuitvoerlegging van die Verordening in België, het koninklijk besluit van 10 maart 1980 inzake de toekenning van steun voor magere-melkpoeder bestemd voor de diervoeding, de voorwaarden vastgesteld heeft waaronder de verwerking van magere melkpoeder zou kunnen gebeuren met overheidssteun; dat de verwerende partij de bestreden bepaling koppelt aan verrichtingen die voorgeschreven worden door het laatstgenoemde koninklijk besluit, dat zijn rechtsgrond vindt in de wet van 28 maart 1975; dat in die zin de bestreden bepaling een deugdelijke rechtsgrond vindt in artikel 82, tweede lid, van de wet van 24 december 1976; IX-1542-9/13 4.5.
- Overwegende dat een retributie de tegenprestatie is voor een dienst die door de overheid wordt geleverd ten voordele van de afzonderlijk beschouwde heffingsplichtige en waarvan het bedrag evenredig is met de kostprijs van de verleende dienst; 4.5.2.
- Overwegende dat naar het oordeel van de verzoekende partij met de bestreden bepaling geen retributie maar een belasting wordt ingevoerd; dat dit volgens haar het geval is omdat de tekst van de bestreden bepalingen de betaling van de retributie koppelt aan het mengen van magere-melkpoeder in kalvervoeding, zonder dat daarbij op enige wijze verwezen wordt naar de controle die de overheid uitvoert; dat de bemerking van de verzoekende partij terecht is, maar dat de verwerende partij even terecht de bestreden bepaling linkt aan het koninklijk besluit van 10 maart 1980 inzake de toekenning van steun voor magere-melkpoeder bestemd voor diervoeding, waarin de controle op de vermenging van magere- melkpoeder in diervoeding door bedrijven die Europese steun wensen te verkrijgen, geregeld is; dat de bestreden bepaling niet onwettig is omdat zij zelf niet uitdrukkelijk vermeldt voor welke dienst van de overheid de heffing een tegenprestatie vormt; 4.5.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij voorts stelt dat de controle waarop de retributie betrekking heeft, geen dienst is die de overheid aan de individuele heffingsplichtige verstrekt, aangezien het gaat om een controle van een reglementair voorschrift; dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de controle door de betrokken onderneming aangevraagd wordt, dat de overheid dan een controleur ter plaatse zendt om het mengen te volgen en dat de retributie niet verschuldigd is wanneer dat plaatsbezoek niet gebeurt, in welk geval er steekproefs- gewijs en achteraf controle wordt uitgeoefend; Overwegende dat de essentiële bepalingen van het koninklijk besluit van 10 maart 1980 luiden als volgt : - artikel 1: “Er wordt steun verleend voor magere melkpoeder dat (...) tot samengesteld dierenvoeder verwerkt is overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen van de instellingen van de Europese Gemeenschappen inzake steunverlening voor magere melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden.” IX-1542-10/13 - artikel 2: “(...) De controle op (...) de inmenging in samengesteld voeder wordt uitgevoerd door de ambtenaren van de Dienst voor Inspectie van de Grondstoffen van het Ministerie van Landbouw”. - artikel 5: “Om te kunnen genieten van de bepalingen vermeld in artikel 1 moeten de fabrikanten van samengestelde voeders die wensen magere melkpoe- der te vermengen in samengestelde voeders zich schikken naar de volgende voorwaarden:
- Vooraf daartoe door de Minister van Landbouw worden erkend.
- Ten minste 3 werkdagen vóór iedere inmenging schriftelijk de dienst Inspectie van de Grondstoffen van het Ministerie van Landbouw de volgende inlichtingen mededelen: a) de naam en het adres van het bedrijf; b) de hoeveelheid magere melkpoeder die moet ingemengd worden; c) de plaats van inmenging; d) de vermoedelijke duur van deze inmenging; e) de samenstelling van het voeder dat zal gefabriceerd worden.
- Zich schikken naar de voorwaarden voorzien in de verordening (EEG) nr. 1725/79, inzonderheid wat betreft de boekhouding.
- De richtlijnen naleven die de Minister van Landbouw of zijn afgevaardigde zou kunnen voorschrijven teneinde een meer doelmatige controle mogelijk te maken.
- De inmenging uitvoeren tussen 8 en 18 uur.
- Ten laatste de vijftiende van elke maand bij de Dienst voor Inspectie van de Grondstoffen van het Ministerie van Landbouw een verklaring indienen waarin de hoeveelheden magere melkpoeder vermeld worden die elke dag van de vorige maand ingemengd werden en waarin bevestigd wordt dat de bewerkingen uitgevoerd werden overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.” - artikel 10 : “Overtredingen op de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.” Overwegende dat de stelling van de verwerende partij volgens welke de controle wordt uitgeoefend op aanvraag, er in de regel steeds een controleur ter plaatse komt en er geen heffing verschuldigd is wanneer er geen controle ter plaatse is gebeurd, geen steun vindt in de tekst van het vermelde koninklijk besluit; dat ook de bepalingen van de Verordening nr. 1725/79 niet de verplichting bevatten om elke menging verplicht te laten controleren door de overheid; Overwegende dat de omstandigheid dat de betrokken onder- nemingen ertoe verplicht worden vooraf aan het bestuur de data mede te delen waarop zij magere-melkpoeder in dierenvoeding zullen mengen, niet betekent dat de controle op het mengen gebeurt op hun aanvraag; dat de controle in aanwezigheid IX-1542-11/13 van de aangestelde van het bestuur ook geen voorwaarde is om op wettige wijze melkpoeder in dierenvoeding te mengen; dat de bijzondere modaliteiten die voor de controle uitgewerkt zijn, niet beletten dat het optreden van de controlerende overheid in het kader van artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 maart 1980 en van de Verordening nr. 1725/79, juridisch niet verschilt van de gewone controle die het bestuur verricht om de naleving van reglementaire bepalingen te verzekeren; Overwegende dat het uitvoeren van een controle die erop gericht is de correcte naleving van de desbetreffende reglementering te verzekeren, geen dienst is waarvan de bedrijven, die magere-melkpoeder in diervoeding mengen, de voornaamste begunstigden zijn; dat de verstrekte dienst veeleer ten voordele van de gehele gemeenschap wordt verstrekt; dat in die zin de heffing, die aan de verzoekende partij wordt opgelegd, niet als een retributie kan worden beschouwd; dat evenwel artikel 82, tweede lid, van de wet van 24 december 1976 aan de verwerende partij slechts toelaat een heffing in te stellen die het karakter heeft van een retributie; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-1542-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, J. LUST, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1542-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.