id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.620 Rolnummer: A. 147934/X-11780 Zaak: Arrest 143620 - - 25/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 11:40 Fiche Arrest nr 143.620 van 25 april 2005 - Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 143.620 van 25 april 2005 in de zaak A. 147.934/X-11.
- In zake :
- Carlos IMMESOETE,
- Kathleen DEMEYERE, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6 tegen :
- de gemeente ERPE-MERE, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8b,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Carlos IMMESOETE en Kathleen DEMEYERE op 23 februari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 januari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere waarbij aan Marc STEPPE en Anne HEMERIJCKX de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning met loods op een perceel gelegen te Erpe-Mere, Botermelkstraat, kadastraal bekend Sectie C, nr. 0139X02; Gelet op het arrest nr. 138.804 van 22 december 2004 waarbij het verzoek tot tussenkomst van Marc STEPPE en Anne HEMERIJCKX in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partijen worden gelegd; X-11.780-1/3 Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partijen op 27 december 2004; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op het schrijven van de verzoekende partijen van 17 februari 2005, waarbij zij vragen om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 21 maart 2005, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 22 april 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. LACHAERT die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat S. RONSE die, loco Advocaten D. VAN HEUVEN en J. HEYVAERT verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; X-11.780-2/3 Overwegende dat de verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen; dat dit door de verzoekende partijen niet wordt betwist; dat de ziekte van de enige bediende van verzoekers raadsman geen overmacht uitmaakt; dat ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van het geding geldt, BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2005, door : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. J. BOVIN. X-11.780-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.620 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.