id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.631 Rolnummer: A. 125967/XIV-11446 Zaak: Arrest 143631 - - 26/04/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 11:43 Fiche Arrest nr 143.631 van 26 april 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 143.631 van 26 april 2005 in de zaak A. 125.967/XIV-11.
(1999). U werd gearresteerd en gedurende een week vastgehouden. Tijdens uw gevangenschap ontving u een document dat stelde dat u uw studies niet kon verderzetten en dat u de stad niet mocht verlaten. U ging in beroep, maar kreeg een negatief antwoord op 25/5/1379 (16/8/2000). Twee vrienden van u, met name de studenten Nasser Kar Amad en Amir Fatemi werden in Mehr 1379 (sept-okt 2000) gearresteerd. U vreesde dat u hetzelfde zou overkomen. U bent naar uw vriend Amir Hossein Lavassani gevlucht, vanwaar u op het einde van de zevende maand 1379 (sept- okt 2000) met een auto naar Teheran gevlucht bent. U heeft op 4/9/1379 (25 november 2000) Iran verlaten. Op 22 XIV-11.446-2/7 december 2000 heeft u in België asiel gevraagd. Er dient te worden opgemerkt dat de elementen die u aanbrengt ter staving van uw asielrelaas onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. De arrestatie van uw neef op 19/4/1378 (10/7/1999) betrof niet uzelf. U verklaart expliciet dat dit incident voor u zonder gevolgen bleef (CGVS, p.13). Uw arrestatie op 18/4/1379 (9/7/2000) is een éénmalig incident dat weliswaar laakbaar is, maar dat niet voldoende zwaarwichtig is om effectief als daad van systematische vervolging te worden beschouwd. Naar aanleiding van de arrestatie van uw vrienden in Mehr 1379 (sept-okt 2000) vreesde u eveneens gearresteerd te worden (CGVS, pp.21-22). Deze vrees is evenwel gebaseerd op een veronderstelling, aangezien u na uw arrestatie geen confrontatie met de autoriteiten meer heeft gehad en geen andere problemen meer heeft gekend (CGVS, p.22). Daarbij dient te worden opgemerkt dat u na het incident nog ongeveer 3 maanden in Iran bleef zonder dat u ernstige problemen kende. Dit gegeven tast de ernst van uw beweerde vrees bijkomend aan. U verklaart zelf geen problemen te hebben gekend tussen de vierde en de zevende maand 1379 (CGVS, p.22). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoal(d)s bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure voorgelegde documenten (kopie identiteitsboekje, studentenkaart, studiebewijs, documenten van schorsing van universiteit) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Ze betreffen enkel identiteits- en studie gegevens, dewelke hier niet ter discussie staat. Wat betreft de asielaanvraag van uw vader Roustazadeh Abdollah (O.V. 4.403.849) dient te worden opgemerkt dat een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen. (...)”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “3.1 De bestreden beslissing Het is belangrijk op te merken dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing van 21 augustus 2002 de juistheid van de feiten niet betwist. Desalniettemin wordt de hoedanigheid van vluchteling geweigerd omdat “de elementen die u aanbrengt ter staving van uw asielrelaas onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd”. De Commissaris-generaal baseert deze conclusie op drie gronden: 1. De arrestatie van verzoeker op 9 juli 2000 was slechts een éénmalig incident, dat hoewel "laakbaar", niet voldoende zwaarwichtig is om van een daad van systematische vervolging te spreken. 2. Verzoeker's vrees om na de verdwijning van zijn twee beste vrienden ook opnieuw gearresteerd te worden is louter subjectief omdat er geen nieuwe confrontatie is geweest na de eerste arrestatie. 3. Verzoeker verbleef vooraleer naar België te komen nog drie maanden in Iran zonder problemen te kennen. 3.2 Argumenten verzoeker Verzoeker is van oordeel dat de Commissaris-generaal bij het nemen van deze beslissing de criteria van de Conventie van Genève foutief interpreteert en toepast. De bepalingen hebben rechtstreekse werking in de Belgische interne rechtsorde en overeenkomstig art. 48 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna "Vw.") wordt als vluchteling erkend, de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die ten dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden. Bovendien roept verweerder de schending in van het redelijkheidsbeginsel wegens de schending van een redelijke termijn voor het nemen van een beslissing. 3.2.1 Foutieve interpretatie en toepassing van de criteria van de Conventie van Genève en schending van art. 48 Vw. (
- i)De criteria van de Conventie van Genève XIV-11.446-3/7 Overeenkomstig art. 1 A 2 van de Conventie van Genève is vluchteling de persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenvermelde vrees, niet wil inroepen. De discussie in deze zaak draait om de interpretatie van het begrip "gegronde vrees voor vervolging", aangezien de andere elementen niet worden betwist. Verzoeker bevindt zich immers ontegensprekelijk buiten zijn land en wegens zijn vrees wil hij geen beroep doen op de bescherming van zijn land, Iran. De reden voor de vervolging waarvoor hij vreest is zijn politieke overtuiging verbonden met zijn godsdienstige opvattingen, nl. zijn betrokkenheid bij de studentenmanifestaties en zijn kritische houding ten opzichte van de islam, de godsdienst waartoe hij door zijn geboorte behoort, maar die hij niet meer pratikeert. Zoals reeds vermeld onder punt 3.1 zijn de feiten uit het asielrelaas van verzoeker volgens de Commissaris-generaal onvoldoende zwaarwichtig om de hoedanigheid van vluchteling toe te kennen. Verzoeker is echter van mening dat de aangehaalde redenen onvoldoende zijn om aan de gegrondheid van zijn vrees voor vervolging afbreuk te doen. (
- ii)De interpretatie van de criteria van de Conventie van Genève Als hulpmiddel bij de interpretatie van de Conventie van Genève heeft het VN-Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen een handboek uitgegeven. In zijn tweede jaarverslag heeft de Commissaris-generaal aangegeven dat hij de aanbevelingen van dit Handboek volgt. Het zou op zijn minst in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur om een dergelijke stelling in te nemen en vervolgens in de praktijk deze aanbevelingen volledig naast zich neer te leggen - zelfs al gaat het niet om rechtsnormen waarvan de schending voor de Raad van State kan worden gebracht. Verzoeker wenst op te merken dat hij zijn beroep niet steunt op een schending van het VN-Handboek op zich, maar op een foutieve toepassing van art. 48 Vw. in combinatie met de criteria uit art. 1 A 2 van de Conventie van Genève, zoals die uitgelegd worden door het VN-Handboek. In de paragrafen 37 tot en met 65 geeft het VN-Handboek een systematische analyse van het concept "gegronde vrees voor vervolging". Het begrip "vrees" als subjectief element Het begrip "vrees" is een subjectief element dat nauw samenhangt met de persoonlijkheid van de kandidaat-vluchteling en dat van individu tot individu kan verschillen. Wat moet nagegaan worden is of de vrees van de kandidaat-vluchteling redelijk is of gerechtvaardigd, gelet op zijn achtergronden, persoonlijke ervaringen en persoonlijke interpretatie van de situatie. Het begrip "gegrond" als objectief element De kwalificatie van de vrees als "gegrond" poogt de vrees te objectiveren. § 42 van het VN-Handboek stelt als principe voorop dat een vrees gegrond is indien de kandidaat-vluchteling redelijkerwijze aannemelijk kan maken dat zijn verblijf in zijn land van herkomst ondraagbaar is geworden voor hem of dat het ondraagbaar wordt als hij er terugkeert. Volgens §43 van het VN-Handboek is het bovendien niet noodzakelijk dat de vrees van de kandidaat-vluchteling is ingegeven door persoonlijke ervaringen. Zaken die vrienden of familieleden zijn overkomen, kunnen aantonen dat de vrees van de kandidaat-vluchteling dat hem vroeg of laat hetzelfde lot staat te wachten gegrond is. Het blijft wel zo dat de asielzoeker zijn vrees moet kunnen "individualiseren", dat hij goede redenen moet aanbrengen waarom hij vreest om als individu vervolgd te worden. Het VN-Handboek voegt hieraan toe dat verondersteld mag worden dat een persoon een gegronde vrees voor vervolging koestert als hij reeds het slachtoffer is geweest van vervolging (§45). XIV-11.446-4/7 Het begrip "vervolging" Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van het begrip "vervolging". Deze kan bestaan uit een doodsbedreiging, een dreiging om iemands vrijheid te ontnemen of een ernstige schending van de mensenrechten. Daarnaast voegt het VN-Handboek er ook aan toe dat verschillende maatregelen, die op zichzelf beschouwd geen vervolging in de strikte zin van het woord uitmaken, door hun cumulatief effect wel als een vervolging beschouwd kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is het ontzeggen van toegang tot onderwijs. Zoals blijkt uit het feitenrelaas werd verzoeker uitgesloten van zijn universiteit wegens zijn deelname aan de manifestaties. (iii) De toepassing van de criteria van de Conventie van Genève in casu Verzoeker stelt allereerst dat hij redelijkerwijze vreest voor verdere vervolgingen. Hij heeft reeds twee van zijn beste vrienden weten verdwijnen na een arrestatie en vermits zij voor dezelfde redenen als hij oorspronkelijk waren aangehouden, is hij ervan overtuigd dat hem hetzelfde lot te wachten staat. Getuige van zijn vrees is eveneens het feit dat hij verkleed als vrouw van Shabestar naar Teheran reisde en dat hij daar onderdook in een boomgaard. Eenmalig karakter van zijn arrestatie Wat betreft de eerste reden van de Commissaris-generaal om zijn vrees als onvoldoende zwaarwichtig te kwalificeren, nl. het eenmalig karakter van zijn arrestatie in juli 2000, wenst verzoeker op te merken dat het criterium van de Conventie van Genève niet de vervolging op zich is, maar de gegronde vrees voor vervolging. Dit houdt in dat een eenmalige vervolging geen afbreuk doet aan de gegrondheid van de vrees. Het feit dat men één maal vervolgd werd, sluit de vrees voor verdere vervolgingen niet uit. Verzoeker wijst op het hierboven vermelde vermoeden van §45 van het VN-Handboek volgens hetwelk verondersteld mag worden dat een persoon een gegronde vrees voor vervolging koestert als hij reeds het slachtoffer is geweest van vervolging. Bovendien wenst verzoeker te benadrukken dat hij slechts op borg werd vrijgelaten en dat zijn procedure dus nog niet afgerond is en hij nog extra bestraft kan worden voor zijn deelname aan de betogingen. Geen nieuwe confrontatie met de autoriteiten na vrijlating op borg Het is inderdaad zo dat verzoeker na zijn vrijlating op borg in juli 2000 niet meer aangehouden werd door de autoriteiten, maar zoals blijkt uit het feitenrelaas is dit te wijten aan het feit dat hij verkleed als vrouw rondtrok en dat hij, na zijn vlucht naar Teheran, ondergedoken leefde in een boomgaard. Bovendien verdwenen twee van zijn beste vrienden na een arrestatie door de Etala'at. Zoals hierboven reeds werd vermeld, kunnen zaken die aan vrienden of familieleden zijn overkomen aanleiding zijn tot een vrees, die dus niet louter gegrond moet zijn op persoonlijke ervaringen. (
- iv)Conclusie Verzoeker is van oordeel dat de Commissaris-generaal de criteria van de Conventie van Genève foutief heeft toegepast. In wezen heeft de Commissaris-generaal als criterium het bestaan van een ernstige systematische vervolging gehanteerd, terwijl in de systematiek van de Conventie van Genève het begrip vrees centraal staat en de ernst en de gegrondheid van deze vrees beoordeeld moet worden. 3.2.2 Schending van het beginsel van redelijke termijn Verzoeker is van mening dat het beginsel van redelijke termijn in deze geschonden is. Zijn verklaring van vluchteling dateert van 22 december 2000. De beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken werd uiteindelijk genomen op 17 september 2001, net geen negen maanden na de asielaanvraag. Na zijn dringend beroep van 20 september 2001, werd hij uiteindelijk door de Commissaris-generaal gehoord op 8 mei 2002. De bestreden beslissing liet vervolgens nogmaals 3,5 maanden op zich wachten, wat het totaal van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag op bijna twee jaar bracht. Gedurende deze tijd verkeerde verzoeker in een precaire situatie met zeer beperkte rechten. Verzoeker is van oordeel dat de Commissaris-generaal lang gedraald heeft met het nemen van een beslissing en dat deze daarom vernietigd moet worden.”; XIV-11.446-5/7 2.2.1. Overwegende dat in een eerste middel verzoeker zich beroept op de schending van artikel 48 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève en de schending van het beginsel van de redelijke termijn doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte van mening is dat de feiten uit het asielrelaas van verzoeker onvoldoende zijn om de hoedanigheid van vluchteling toe te kennen; 2.2.2. Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden ingeroepen; dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden”, als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet van toepassing is op verzoeker; dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening dient te worden gehouden met de noodzaken van het bestuur om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het mogelijk maken met kennis van zaken te beslissen; dat, gelet op de grote toevloed van het aantal asielzoekers en de verplichting om iedere aanvraag afzonderlijk te onderzoeken kan worden aangenomen dat er geen onredelijke termijn is verlopen tussen verzoekers asielaanvraag van 22 december 2000 en de bestreden beslissing van 21 augustus 2002; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.446-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.446-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div